ECLI:NL:RVS:2001:AD3994
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H.B. van der Meer
- E.M.H. Hirsch Ballin
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten vergunning bouw molencentrum en hernieuwde beslissing op bezwaar
Appellant, eigenaar van percelen nabij het bedrijfsterrein van vergunninghoudster, maakte bezwaar tegen vergunningen verleend door de Minister van Verkeer en Waterstaat voor de bouw van een molencentrum en uitbreiding van loodsen. Hij vreesde dat de vergunning de kans op overstroming vergrootte, waardoor zijn percelen minder verkoopbaar zouden zijn.
De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond en bepaalde dat de Staatssecretaris opnieuw op de bezwaren moest beslissen. De Raad van State oordeelde dat appellant terecht als belanghebbende is aangemerkt vanwege zijn persoonlijke veiligheidsbelang, dat voldoende onderscheidbaar is van algemeen belang.
Verder stelde de Raad vast dat de vergunning van 13 augustus 1990 onherroepelijk is en niet ambtshalve is ingetrokken. De vergunning van 10 november 1998 was ten onrechte als vergunning verleend in plaats van een goedkeuring zoals bedoeld in de eerdere vergunning. Daarom vernietigde de Raad de besluiten van 10 november 1998, 23 november 1998 en 5 juli 1999 en bepaalde dat opnieuw op de bezwaren moet worden beslist met inachtneming van deze uitspraak.
Tot slot veroordeelde de Raad de Minister en Staatssecretaris in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: De besluiten van 10 november 1998, 23 november 1998 en 5 juli 1999 worden herroepen en de Staatssecretaris moet opnieuw op de bezwaren beslissen.