Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2000:AA5240

Raad van State

Datum uitspraak
9 maart 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
H01.98.1887
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbWet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen belanghebbende status voor rechtshulpverlener bij weigering toevoeging zonder tegengestelde belangen

Bij besluit van 17 oktober 1997 wees het bureau rechtsbijstandvoorziening een verzoek om toevoeging af. Dit besluit werd in beroep gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van de advocaat A, namens de overleden cliënt Z, ontvankelijk en vernietigde het besluit. De rechtbank stelde dat A als advocaat een rechtstreeks belang had vanwege het ontbreken van erfgenamen die het beroep konden voortzetten.

De Raad van State vernietigt deze uitspraak en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De Afdeling stelt dat, anders dan in eerdere jurisprudentie, hier geen sprake is van tegengestelde belangen tussen rechtzoekende en rechtshulpverlener, waardoor A niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Het overlijden van Z en het ontbreken van erfgenamen leidt niet tot een rechtstreeks belang van A bij de weigering van de toevoeging.

De Afdeling komt niet toe aan de overige beroepsgronden en wijst het beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt de strikte criteria voor het toekennen van belanghebbende status aan rechtshulpverleners in bestuursrechtelijke procedures over toevoegingen.

Uitkomst: Het beroep van de advocaat wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen belanghebbende is bij de weigering van de toevoeging.

Uitspraak

Raad van State
H01.98.1887.
Datum uitspraak: 09 maart 2000
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de raad voor rechtsbijstand te Den Haag, appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 9 oktober 1998 in het geding tussen:
mr A, kantoorhoudende te B
en
appellant.
1 Procesverloop
Bij besluit van 17 oktober 1997 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage het door mr A (hierna:A) namens Z (hierna: Z) ingediende verzoek om een toevoeging, als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, afgewezen.
Bij besluit van 27 februari 1998 heeft appellant het hiertegen door Z ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie bezwaar en beroep, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 9 oktober 1998, verzonden op 12 oktober 1998, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit door A ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 november 1998, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 1998, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 19 februari 1999. Deze brieven zijn aangehecht.
De Afdeling heeft de zaak aan de orde gesteld ter zitting van 4 januari 2000. Appellant noch A is daar verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het verzoek om een toevoeging betrof de begeleiding van een verzoek tot toelating van de echtgenote van Z. Het is afgewezen, welke afwijzing in beroep is gehandhaafd, omdat de te verlenen rechtsbijstand een belang betreft, waarvan de behartiging redelijkerwijze aan betrokkene zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling, van wie onderscheidenlijk waarvan de werzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van de Wrb.
2.2. Z is kort voor de beslissing van appellant overleden. Appellant heeft beslist op het beroep, zoals dit namens Z is ingediend.
2.3. A heeft vervolgens ten eigen name beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft dit beroep ontvankelijk geacht. Met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 november 1997, JSV 1998116, heeft zij daartoe overwogen dat een advocaat op grond van zijn financiële belang onder omstandigheden moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Nu het de weigering betreft een toevoeging te verstrekken aan een cliënt van haar, die zelf geen beroep meer kan instellen, heeft A een rechtstreeks belang, aldus de rechtbank.
2.4. Appellant bestrijdt dit oordeel met succes. Anders dan in het geval, waarin de Afdeling op 4 november 1997 uitspraak heeft gedaan, is hier geen sprake van tegengestelde belangen van rechtzoekende en rechtshulpverlener, zodat het belang van A niet om die reden rechtstreeks betrokken is bij de weigering van de toevoeging. Het overlijden van Z en het ontbreken van erfgenamen die de procedure kunnen voortzetten, leidt voorts niet tot het oordeel dat het belang van A daarbij toch rechtstreeks betrokken is.
2.5. Het hoger beroep is gegrond. Aan bespreking van de overige beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. De uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep alsnog niet-ontvankelijk.
2.6. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 9 oktober 1998, AWB 98/2563 WRB;
II. verklaart het beroep alsnog niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige Kamer, in tegenwoordigheid van mr Tuinhout, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Tuinhout
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 09 maart 2000
77-306.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,