Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de waardebeschikkingen en de daarop gebaseerde aanslagen onroerendezaakbelastingen (OZB) voor de woning aan een adres in Tilburg voor de belastingjaren 2023 en 2024. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde vastgesteld op respectievelijk €481.000 en €519.000. Belanghebbende stelde lagere waarden voor.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 november 2025 behandeld en beoordeelt of de WOZ-waarden te hoog zijn vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft de waardebepaling onderbouwd met een taxatiematrix en referentiewoningen die voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de verschillen tussen de woningen adequaat heeft verwerkt en dat de waardestijgingen marktconform zijn.
Belanghebbende stelde ook dat de aanbouw kleiner is dan door de heffingsambtenaar aangenomen, maar de rechtbank bevestigt de oppervlakte van 28 m² op basis van bouwtekeningen. Verder is de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure overschreden, maar belanghebbende heeft geen vergoeding van immateriële schade gekregen omdat het financiële belang onder de drempel van €1.000 ligt.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond, handhaaft de WOZ-waarden en OZB-aanslagen en wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.