ECLI:NL:RBZWB:2026:873

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
24/6415
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:51 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:72 AwbArt. 7:15 AwbArt. 2.12 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning wegens onvoldoende motivering afwijkingen bestemmingsplan

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek dat haar bezwaar tegen een omgevingsvergunning voor de bouw van een woongebouw met negentien appartementen en twee commerciële ruimten ongegrond verklaarde. De rechtbank heeft in een tussenuitspraak het college in de gelegenheid gesteld om de gebreken in de motivering van het besluit te herstellen, met name omtrent de afwijkingen van de maximale bebouwingspercentages en de ruimtelijke aanvaardbaarheid.

Het college heeft vervolgens een herstelbesluit genomen waarin het de motivering heeft aangevuld en onderbouwd met een aanvullend advies van de welstandscommissie. De rechtbank beoordeelt dat het college met het herstelbesluit de gebreken heeft hersteld, waarbij de ondergrondse bebouwing ook moet worden meegeteld in de bebouwingspercentages. Hoewel er sprake is van overschrijding van het bestemmingsplan, acht de rechtbank de ruimtelijke gevolgen aanvaardbaar en de belangenafweging voldoende gemotiveerd.

De rechtbank vernietigt het oorspronkelijke besluit wegens gebrekkige motivering, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven vanwege het herstelbesluit. Het beroep tegen het herstelbesluit wordt ongegrond verklaard. Eiseres krijgt een proceskostenvergoeding toegekend en het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand na herstelbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6415

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.T.J.T. Boerman),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek, het college.
Als vergunninghouders nemen aan de zaak deel:
[vergunninghouder 1]en
[vergunninghouder 2]uit [plaats] ,
(gemachtigde: mr. K.M. Peters ).

Procesverloop

1. Bij besluit van 27 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen een omgevingsvergunning voor het realiseren van een woongebouw met negentien appartementen en twee commerciële ruimten op de percelen [adres 1] en [adres 2] in [plaats] , ongegrond verklaard.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Vergunninghouders hebben hierop schriftelijk gereageerd. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Eiseres heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde, vergunninghouder [vergunninghouder 2] en de gemachtigde van vergunninghouders. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 2] en [persoon 3] .
1.5.
In de tussenuitspraak van 24 oktober 2025 [1] (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
1.6.
In reactie op de tussenuitspraak heeft het college bij besluit van 5 december 2025 een aanvullende motivering gegeven (hierna: het herstelbesluit).
1.7.
Met de hersteluitspraak van 11 december 2025 [2] heeft de rechtbank een gebrek in de tussenuitspraak hersteld.
1.8.
Vergunninghouders hebben op 12 december 2025 op het herstelbesluit gereageerd.
1.9.
Per brief van 8 januari 2026 heeft eiseres op het herstelbesluit gereageerd.
1.10.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Voor de weergave van de feiten, de beroepsgronden en het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
2.1.
Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
2.2.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college in het bestreden besluit en ook op zitting niet kenbaar heeft gemaakt welke maximale bebouwingspercentages op grond van het bestemmingsplan [3] gelden en of daarvan wordt afgeweken (en zo ja, in welke mate). Als er is afgeweken, dan ontbreekt ook een motivering van de gevolgen van deze afwijkingen voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bouwplan, zowel afzonderlijk voor het perceel [adres 1] als in samenhang met de overige delen van het plan. Gelet op de mate van verstening en de resterende open ruimte binnen het bouwvlak, had het college moeten beoordelen of deze gestelde afwijkingen dan niet alsnog leiden tot strijd met een goede ruimtelijke ordening, al dan niet in combinatie met de overige strijdigheden die zijn vergund.
2.3.
De rechtbank heeft daarom in de tussenuitspraak het college in de gelegenheid gesteld om dit zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek te herstellen door toepassing te geven aan artikel 8:51, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft hierbij aangegeven dat het college inzichtelijk moet maken of er is afgeweken van de toegestane bebouwingspercentages en zo ja, wat de effecten daarvan zijn op de goede ruimtelijke ordening – mede in samenhang met de overige (gestelde) strijdigheden [4] – en op welke wijze het college deze afwijkingen heeft betrokken in de belangenafweging. Daarbij moet het college (laten) motiveren of dit leidt tot een ander standpunt ten aanzien van de redelijke eisen van welstand.
2.4.
In het herstelbesluit is het college op bovengenoemde gebreken ingegaan. Met het herstelbesluit heeft het college het bestreden besluit gewijzigd. Het herstelbesluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De rechtbank overweegt dat het herstelbesluit te duiden is als een nadere motivering, maar dat bij duiding van de reactie van het bestuursorgaan na een bestuurlijke lus, de door het bestuursorgaan gekozen vorm leidend is en het college voor een herstelbesluit heeft gekozen.
2.5.
In het vervolg van deze uitspraak beoordeelt de rechtbank aan de hand van wat eiseres tegen het herstelbesluit in het aanvullend beroepschrift van 8 januari 2026 heeft aangevoerd, of het college met het herstelbesluit de gebreken in het bestreden besluit heeft hersteld.
Redelijke eisen van welstand
3. Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak aan de adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: de welstandscommissie) een aanvullend advies gevraagd. De welstandscommissie heeft op 12 november 2025 geadviseerd. Hieruit blijkt onder andere:

Met kennisname van de expliciet benoemde afwijkingen kijkt de commissie nogmaals naar het plan. Zij constateert weliswaar dat er sprake is van hogere bebouwing ten opzichte van de veel oudere panden in de omgeving, maar stelt tegelijkertijd ook vast dat het bouwplan qua schaal en korrelgrootte juist prima aansluit bij de schaal en korrelgrootte van recent gerealiseerde panden in de [adres 3] (directe belending en overzijde van de weg) en de [adres 4] (om de hoek van de [adres 3] ). Met andere woorden er vindt enige schaalvergroting plaats in [plaats] , zoals op veel plaatsen gebeurt. … In het kader van goede omgevingskwaliteit ziet de commissie geen reden om tot een ander advies te komen en herhaalt haar eerder uitgebracht[sic]
positief[sic]
advies. Er is voldoende aangetoond dat wordt voldaan aan de criteria van de welstandsnota en aan redelijke eisen van welstand en aan de te stellen eisen voor het uiterlijk van bouwwerken.
Het college heeft voornoemd advies van de welstandscommissie als bijlage bij het herstelbesluit gevoegd en aangegeven dat dit onderdeel uit maakt van het herstelbesluit.
3.1.
Eiseres geeft aan dat zij in haar bezwaar- en beroepschrift een aantal criteria uit de Nota Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: de nota) heeft benoemd waarmee het bouwplan in strijd is, maar dat de welstandscommissie hier niet op gereageerd heeft. Daarnaast zijn er nog een aantal punten waaruit blijkt dat het bouwplan volledig in strijd is met de nota. Het college had de eerdere adviezen en het aanvullende advies van de welstandscommissie daarom niet zonder meer kunnen overnemen, zeker omdat het welstandsniveau kritisch is. Bovendien zet eiseres vraagtekens bij de onafhankelijkheid en objectiviteit van het aanvullende advies van de welstandscommissie, vanwege de verbondenheid van één van de opstellers daarvan met de gemeente Hilvarenbeek.
3.2.
De rechtbank overweegt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt geweigerd, wanneer het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand. [5] Volgens vaste rechtspraak [6] mag het college op een welstandsadvies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een ander deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
3.3.
Uit het dossier blijkt dat de welstandscommissie veelvuldig advies heeft uitgebracht. [7] Uit het advies van 22 februari 2024 - dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit - blijkt dat het college de bezwaren van eiseres aan de welstandscommissie heeft voorgelegd en dat de welstandscommissie hierop uitgebreid gereageerd heeft. Uit het laatste advies van 12 november 2025 - dat onderdeel uitmaakt van het herstelbesluit - blijkt dat de welstandscommissie het volledige het bouwplan uitgebreid heeft getoetst en tot de conclusie is gekomen dat voldoende is aangetoond dat wordt voldaan aan de criteria van de nota, aan redelijke eisen van welstand en aan de te stellen eisen voor het uiterlijk van bouwwerken. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de welstandscommissie niet onafhankelijk en niet objectief zou zijn. Daarnaast ziet de rechtbank in wat eiseres naar voren heeft gebracht geen concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan het advies dat aan het herstelbesluit ten grondslag is gelegd. Aangezien eiseres geen deskundig tegenadvies heeft overgelegd, mocht het college het advies van 12 november 2025 aan het herstelbesluit ten grondslag leggen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Bebouwingspercentages
4. In het herstelbesluit heeft het college aangevoerd dat de maximale bebouwingspercentages op het perceel [adres 1] , gelet op het bestemmingsplan, zijn: 90% (1e zone), 60% (2e zone) en 40% (3e zone). Indien de ondergrondse bebouwing - de kelder - moet worden betrokken dan zijn de bebouwingspercentages 10 0%. Als het alleen gaat om de bovengrondse bouwwerken dan gelden de volgende bebouwingspercentages:
  • 1e zone vanaf de [straat] ongeveer 13 meter diep 200 m2 op 257 m2. Dit betekent een bebouwingspercentage van 77,8% en het mag 90% zijn;
  • 2e zone ongeveer 16 meter diep 62 m2 op 228 m2. Dit betekent een bebouwingspercentage van 27% en het mag 60% zijn;
  • 3e zone ongeveer 21 meter diep 263 m2 op 303 m2. Dit betekent een bebouwingspercentage van 86,7% en het mag 40% zijn. In deze zone is dus een (bovengrondse) overschrijding van 46,7%.
Volgens het college blijkt uit de begripsomschrijving van het bestemmingsplan dat ondergrondse bebouwing niet is uitgesloten van het bebouwingspercentage. Dit betekent dat er in het bouwplan sprake is van een bebouwingspercentage van 10 0% in alle zones.
4.1.
Het lijkt vergunninghouders niet dat de in het bouwplan beoogde ondergrondse bebouwing moet worden meegerekend bij het bebouwingspercentage. Daarvoor geeft de in het bestemmingsplan opgenomen definitie geen aanleiding.
4.2.
Eiseres is van mening dat in het herstelbesluit maten en bebouwingspercentages genoemd worden die niet te controleren zijn. Als voorbeeld noemt zij dat het college benoemt dat de 3e zone ongeveer 21 meter diep is, maar dat de diepte van het perceel [adres 1] ter hoogte van de 3e zone op basis van de kadastrale kaart niet groter is dan 15 meter. De ondergrondse bebouwing moet op grond van het bestemmingsplan worden meegerekend omdat een ondergronds bouwwerk een constructie is van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke met de grond verbonden is. Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2008. [8] Daarbij merkt zij op dat de ‘bovengrondse’ overschrijding van het bebouwingspercentage in de 3e zone niet 46,7% is, maar 117%. Deze grote afwijking is juist in de zone die het dichtst bij de woning van eiseres ligt en dus ook de grootste gevolgen voor haar heeft.
4.3.
De rechtbank overweegt dat het bestemmingsplan niet voorziet in bepalingen over ondergrondse bouw en dus dat de planwetgever ook niet beoogd heeft een onderscheid te maken tussen ondergrondse en bovengrondse bouw. Dit betekent dat de ondergrondse bebouwing ook moet voldoen aan het bestemmingsplan en meetelt voor de bebouwingspercentages. Daarvan uitgaande, is niet in geschil dat de op grond van het bestemmingsplan toegestane bebouwingspercentages in alle drie de zones (flink) wordt overschreden. Dit betekent dat er ook ten aanzien van de maximale bebouwingspercentages afgeweken is van het bestemmingplan. De rechtbank zal hierna beoordelen of het college voldoende gemotiveerd heeft wat de gevolgen van deze afwijkingen voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bouwplan zijn, ook in samenhang met de overige delen van het plan.
Goede ruimtelijke ordening en belangenafweging
5. Het college neemt in het herstelbesluit het standpunt in dat in de omgevingsvergunning van 21 november 2023 alle bouwtekeningen zijn betrokken in de beoordeling. Op de bouwtekeningen zijn de afwijkingen ten aanzien van de bouw- en goothoogtes en het bebouwingspercentage zichtbaar en in die zin al betrokken bij de besluitvorming. In het bestreden besluit heeft het college al aanvullende motiveringen gegeven voor de bouw- en goothoogtes (ook ten aanzien van het perceel [adres 1] ), verkeer, parkeren, bezonning, uitzicht en de uitweg.
In aanvulling daarop motiveert het college ten aanzien van de ondergrondse bebouwing:

Eiseres heeft geen zicht op de ondergrondse bebouwing (kelder). Het bebouwingspercentage in zone 3 wordt ook door de bovengrondse bebouwing overschreden. De overschrijding van de[sic]
bebouwingspercentage is – zoals hierboven aangegeven en mede gelet op de tekeningen – meegenomen in de eerdere besluitvorming. In dit kader willen wij benadrukken dat wij – gelet op de aard en omvang van het bouwplan – het bouwplan aanvaardbaar achten, mede gelet op de met dit bouwplan te realiseren toename van het aanbod van koopwoningen in [plaats] .
Voorts heeft het college nog een stedenbouwkundige afweging gemaakt:

Het bebouwingspercentage in de regels van het bestemmingsplan heeft als doel het stedenbouwkundig beeld en straatbeeld op een bepaalde manier in te vullen. Een overschrijding van het percentage aan de achterzijde van het nieuwe gebouw heeft geen effect op het straatbeeld. Het karakter van de [straat] laat zich bovendien kenmerken als een gesloten straatwand waarvoor een hoog bebouwingspercentage om dit te realiseren juist wenselijk is. Stedenbouwkundig gezien is de overschrijding van het in de regels genoemde bebouwingspercentage niet bezwaarlijk en aanvaardbaar.
5.1.
Vergunninghouders menen dat, ook als de ondergrondse bebouwing wel zou moeten worden meegerekend bij de bebouwingspercentages, eiseres daardoor niet in haar belangen wordt geschaad. Zij maakt bezwaar tegen de omvang en hoogte van de bovengrondse bebouwing, en ziet de ondergrondse bebouwing niet. Daarbij merken vergunninghouders op dat het gewraakte uitzicht van eiseres hoofdzakelijk de bebouwing op het perceel [adres 2] betreft, terwijl daar 10 0% bebouwing is toegestaan. Ten aanzien van het perceel [adres 1] geldt dat die bebouwing voor het grootste deel niet zo hoog is. Het appartement en het balkon van eiseres zijn veel hoger dan de bestaande bebouwing en het bouwplan van vergunninghouders, zodat dat haar uitzicht niet schaadt.
5.2.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college nog steeds geen integrale afweging heeft gemaakt, maar slechts twee motiveringen heeft toegevoegd. Daarnaast kan zij de stedenbouwkundige afweging niet volgen omdat het college uitgaat van een onjuist uitgangspunt. Eiseres schrijft hierover: “
De redenering die het college volgt, is: wat er achter op het perceel gebeurt, is vanaf de straat nauwelijks waarneembaar, dus een grotere afwijking van het bebouwingspercentage is dan eerder aanvaardbaar.” Deze redenering sluit niet aan bij de systematiek van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan gaat ervan uit dat er vóór op een perceel meer bebouwing is toegestaan dan achter: de bebouwingspercentages lopen immers vanaf de straat af van 90% tot 60% tot 40%. Volgens eiseres is niet gemotiveerd waarom het algemene belang van de realisatie van negentien woningen zwaarder zou moeten wegen dan de ernstige aantasting van haar woon- en leefklimaat. Een kenbare afweging van haar belangen ontbreekt, terwijl zij een sterk belemmerd uitzicht, massawerking en insluiting, en een ernstige aantasting van haar privacy ervaart. Haar privacy wordt aangetast doordat het dakterras zicht geeft op haar appartement en vanaf de galerijen is er direct inkijk in haar woonkamer en balkon. Tot slot stelt eiseres dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Toetsingskader
5.3.
De rechtbank heeft het college in de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om inzichtelijk te maken wat het effect van alle strijdigheden met het bestemmingsplan is op de goede ruimtelijke ordening en op welke wijze het college deze strijdigheden heeft betrokken in de belangenafweging. De rechtbank stelt vast dat het college met het herstelbesluit erkent dat er ten aanzien van het perceel [adres 1] op grond van de kruimgevallenregeling [9] vijftien strijdigheden [10] vergund zijn. Ten aanzien van het perceel [adres 2] heeft het college één keer de kruimelgevallenregeling toegepast en twee keer binnenplans afgeweken. [11] Aangezien eiseres de laatstgenoemde strijdigheden aanvaardbaar acht [12] , zal de rechtbank alleen oordelen over de strijdigheden van het perceel [adres 1] . De rechtbank merkt hierover op dat het college alleen bevoegd was om deze strijdigheden te vergunnen indien geen sprake was van strijd met een goede ruimtelijke ordening. [13] De rechtbank brengt in herinnering [14] dat bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de aan het college toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen, het college beleidsruimte toekwam. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden (herstel)besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [15]
Beoordeling strijdigheden [adres 1]
5.4.
Het grootste bezwaar van eiseres is haar afnemende uitzicht en het gevoel ingebouwd te worden door het bouwplan. Op zitting heeft zij door middel van een bouwtekening [16] toegelicht hoe het bouwplan zich verhoudt tot haar appartement. Op basis van deze toelichting in combinatie met de door vergunninghouders op zitting overgelegde afbeeldingenmap, komt de rechtbank tot de volgende conclusies. Niet weersproken is dat eiseres uitzicht heeft op de vierde – en dus hoogste – verdieping van het bouwplan. Zij kijkt onder andere uit op een schuin aflopend dak. Dit gedeelte van het dak is op het hoogste punt 15,7 meter en loopt in drie meter af tot de onderste laag van de vierde verdieping. De afstand tussen dit gedeelte van het bouwplan en (de muur van) het balkon van eiseres is tussen de 5,3 en de 5,75 meter. Ook kijkt zij uit op de liftschacht van 15,7 meter, maar deze bevindt zich op ongeveer 15 meter afstand van (de muur van) haar balkon. De galerijen zijn ongeveer vijf meter lager gesitueerd dan de liftschacht en bevinden zich op ongeveer tien meter afstand van (de muur van) het balkon. De overige onderdelen van het bouwplan die zich op het perceel [adres 1] bevinden en waar eiseres zicht op heeft: het dakterras (met afscheiding) en de overkapping van het dakterras, zijn lager gesitueerd dan het appartement van eiseres.
5.5.
Het college heeft ter motivering dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening in het bestreden besluit bij de belangenafweging betrokken dat het uitzicht van eiseres wordt belemmerd, maar dat de gebruikersmogelijkheden van haar perceel niet onevenredig door het bouwplan worden aangetast omdat het bestemmingsplan al een gebouw van 15 meter hoog toelaat op het grootste deel van de percelen (het perceel [adres 2] ). Daarnaast heeft eiseres geen recht op vrij uitzicht of volledige privacy: zij woont midden in het centrum van [plaats] en moet enige hinder tolereren. De rechtbank kan deze motiveringen volgen. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het dakterras en de galerijen zich op behoorlijke afstand bevinden van het balkon van eiseres en dat het bij appartementencomplexen gangbaar is dat men tot op zekere hoogte bij elkaar naar binnen kan kijken. Ook heeft het college inzichtelijk gemotiveerd waarom hij de overschrijding van de bebouwingspercentages niet bezwaarlijk en aanvaardbaar acht. De stelling van eiseres dat een deel van deze motivering niet zou passen bij de systematiek van het bestemmingsplan kan de rechtbank niet volgen, nu het college ten aanzien van de bebouwingspercentages juist afwijkt van het bestemmingsplan. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het college zich op het standpunt kon stellen dat het woon- en leefklimaat van eiseres door het bouwplan niet onaanvaardbaar wordt aangetast en dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Hoewel de nadelige gevolgen van de vergunningverlening voor eiseres invoelbaar zijn, is niet gebleken dat deze onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. Dit betekent dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het in de tussenuitspraak gebrekkig bevonden bestreden besluit, is het beroep hiertegen gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. Aangezien het college deze gebreken met het herstelbesluit heeft hersteld, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Het beroep voor zover dit gericht is tegen het herstelbesluit is ongegrond.
7. Eiseres krijgt een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. Eiseres heeft ook gevraagd om vergoeding van de proceskosten in bezwaar. De rechtbank constateert dat het oorspronkelijke besluit van 21 november 2023 in zowel het bestreden besluit als in het herstelbesluit niet is herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid. [17] In het herstelbesluit is slechts de motivering aangevuld. Dat betekent dat er geen aanleiding is voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar. De bijstand door de gemachtigde in beroep levert 2,5 punt op (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting en 0,5 punt voor het indienen van een reactie op het herstelbesluit). In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft is factor 1,0 toegepast. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Dit betekent dat een proceskostenvergoeding van € 2.335,- wordt toegekend (= 2,5 x € 934,-).
8. Daarnaast moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 27 augustus 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het herstelbesluit ongegrond;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 20 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8534.
2.Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11 december 2025, ECLI:NL:RZWB:2025:8789.
3.Centrumplan Hilvarenbeek 1992, zie r.o. 6 van de tussenuitspraak.
4.Waarbij verwezen is naar de tabel op pagina 7 van het aanvullende beroepschrift van eiseres van 20 juli 2025.
5.Dit volgt uit artikel 2. [adres 2] , eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 16 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:753, r.o. 21.1 e.v.
7.Een advies van 18 mei 2022; 24 juni 2022; 29 juni 2022; 15 december 2022; 6 september 2023; 20 september 2023, 4 oktober 2023; 22 februari 2024 en 12 november 2025.
8.Afdeling, 7 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD1098.
9.Artikel 4 van Pro bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zie hierover ook r.o. 13 e.v. van de tussenuitspraak.
10.Zie de tabel op pagina 7 van het aanvullende beroepschrift van eiseres van 20 juli 2025 in combinatie met pagina 2 en 3 van het herstelbesluit.
11.Artikel 18 van Pro het bestemmingsplan.
12.Zie r.o. 13.3 van de tussenuitspraak.
13.Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° (binnenplans) en 2° (kruimelgevallenregeling) van de Wabo.
14.Zie r.o. 6.1 van de tussenuitspraak.
15.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van [adres 2] december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5995.
16.Deze bouwtekening met toelichting van eiseres is overgelegd als bijlage 1 bij haar aanvullend bezwaarschrift van 21 februari 2024.
17.Artikel 7:15, tweede lid van de Awb.