ECLI:NL:RBZWB:2026:825

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
25/456
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 7:2 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Ziektewetuitkering na EZWb-beoordeling bevestigd door rechtbank

Eiser, werkzaam als sort operator via een uitzendbureau, viel uit wegens rug- en schouderklachten en vroeg een Ziektewetuitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering na een eerstejaarsziektewetbeoordeling (EZWb) waarin eiser geschikt werd geacht voor bepaalde functies. Eiser stelde dat zijn beperkingen waren toegenomen en dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door geen hoorzitting te houden.

De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht afzag van een hoorzitting omdat eiser niet binnen de gestelde termijn had gereageerd. Medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep toonde geen toename van beperkingen aan. De rechtbank volgde het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep en concludeerde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen juist waren uitgevoerd.

Eiser bracht geen nieuwe medische stukken in die zijn klachten op de datum in geding onderbouwden. De rechtbank vond de subjectieve klachten onvoldoende om het medisch oordeel te weerleggen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van een Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/456 ZW

uitspraak van 10 februari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft geweigerd een ZW-uitkering toe te kennen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft geweigerd aan eiser een ZW-uitkering toe te kennen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn. Onder 3 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 is de grondslag van het besluit opgenomen en onder 5 een verwijzing naar het wettelijk kader in de bijlage. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: is terecht afgezien van een hoorzitting, zijn de beperkingen juist vastgesteld (medische beoordeling) en is eiser met die beperkingen in staat de eerder geduide functies te verrichten (arbeidskundige beoordeling). Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als sort operator voor 38 uur per week via een uitzendbureau. Voor dat werk is hij uitgevallen vanwege rug- en schouderklachten.
2.1.
In maart 2024 heeft er een eerstejaarsziektewetbeoordeling (EZWb) plaatsgevonden. Eiser wordt nog geschikt geacht voor een aantal functies.
2.2.
Het UWV heeft bij besluit van 22 mei 2024 aan eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend met ingang van 22 april 2024. Eiser is daarna niet meer werkzaam geweest. Op 18 juni 2024 heeft hij zich vanuit de WW ziek gemeld.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 27 september 2024 (primair besluit) geweigerd per 17 juni 2024 (de rechtbank leest: 18 juni 2024) aan eiser een ZW-uitkering toe te kennen.
Met het bestreden besluit van 24 december 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep samen met het beroep met zaaknummer BRE 25/454 op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk Bulgaars, en mr. M.B.A. van Grinsven namens het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser geschikt is om de in het kader van de EZWb geduide functies (medewerker gordijnen, elektrotechnisch medewerker en bestukker) te verrichten. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is.
Wettelijk kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Formele grond over horen
6. Eiser stelt dat hij in bezwaar verzocht heeft om een hoorzitting. Het achterwege laten daarvan is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
6.1.
Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. [1] Van het horen van een belanghebbende kan onder andere worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. [2]
6.2.
De rechtbank stelt vast dat het UWV bij e-mailbericht van 30 oktober 2024, gericht aan de gemachtigde van eiser, kenbaar heeft gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) niet aanwezig zal zijn bij een hoorzitting, als eiser een hoorzitting wenst dat dit telefonisch zal zijn en dat hij dit uiterlijk 6 november 2024 moet aangeven. Het UWV heeft geen reactie van eiser ontvangen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard het e-mailbericht wel te hebben ontvangen, maar dat hij zich niet meer kan herinneren of hij heeft gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het UWV, gezien deze omstandigheden, afzien van het horen van eiser en heeft het UWV niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Toetsingskader bestreden besluit
7. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor niet in staat is ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van Pro de ZW te verrichten. Onder zijn arbeid in de zin van de ZW wordt verstaan de laatst verrichte arbeid. Als er in het kader van de EZWb functies zijn geduid en eiser daarna niet meer heeft gewerkt, dan worden de geduide functies aangemerkt als ‘zijn arbeid’.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de in het kader van de EZWb geduide functies aangemerkt moeten worden als ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van Pro de ZW.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
8. Het bestreden besluit is gebaseerd op een rapportage van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
8.1.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en heeft gerapporteerd dat eiser op de datum van ziekmelding een toename van klachten claimt ten opzichte van de eerder vastgestelde beperkingen. Op het spreekuur van de verzekeringsarts en in de medische stukken zijn echter geen verdergaande afwijkingen gevonden, geen intensivering van de behandeling of relevante toename van noodzakelijke medicatie. Ook is op het spreekuur van de verzekeringsarts niet gebleken van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een evidente verslechtering van de psychische conditie. Eiser is tweemaal naar een psycholoog geweest en gebruikt voor deze klachten geen medicatie. De verzekeringsarts b&b kan niet concluderen dat de functionele mogelijkheden en beperkingen van eiser onjuist zijn ingeschat. Zij ziet daarom geen aanleiding af te wijken van het primaire medisch oordeel, dat eiser arbeidsgeschikt is voor de eerder geduide functies.
8.2.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat zijn rugklachten en psychische klachten zijn onderschat. Uit de voorgeschreven medicatie blijkt dat hij angst- en pijnklachten heeft. Er zijn ten onrechte geen substantiële urenbeperking en bezwarende beperkingen aangenomen. Tramadol en temazepam samen hebben een sterker verdovend effect. Tevens is volgens eiser sprake van een onjuiste convertering van zijn klachten in de FML wegens de taalbarrière. Eiser verzoekt de rechtbank daarom een deskundige te benoemen.
8.3.
De verzekeringsarts b&b heeft gereageerd op het beroepschrift en de aanvullingen daarop. De verzekeringsarts b&b wijst erop dat bij onderzoek door de orthopeed en tijdens het spreekuur geen ernstige afwijkingen zijn vastgesteld. Eiser heeft in bezwaar of beroep geen andere afwijkingen naar voren gebracht dan die al bekend waren. Gezien de nauwelijks aanwezige afwijkingen is de door eiser ervaren hevige pijn, waardoor hij niet slaapt, niet te onderbouwen. De verzekeringsarts b&b acht de vertaling van eisers klachten voldoende, omdat eiser blijkbaar vertrouwen heeft in zijn vriend, die meegaat naar alle medische afspraken en voor hem vertaalt. Over het gebruik van tramadol en temazepam merkt de verzekeringsarts b&b op dat niet gebleken is dat eiser deze op de datum in geding gebruikte. Daarnaast is niet gebleken van een verdovend effect van deze medicatie en evenmin van een eventueel rijverbod. Volgens het UWV is er in passende arbeid geen reden om een beperking in de duurbelastbaarheid in arbeid vast te stellen vanuit energetisch of preventief oogpunt noch vanwege verminderde beschikbaarheid.
8.4.
De rechtbank overweegt dat in de uitspraak van 23 december 2022 [3] van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een stappenplan is opgenomen voor de manier waarop het UWV in een zaak als deze moet vaststellen of eiser - bij een ziekmelding na een EZWb-beoordeling - geschikt is voor ‘zijn’ werk. Het stappenplan luidt als volgt:
1. Zijn de beperkingen bij de nieuwe ziekmelding toegenomen ten opzichte van de beperkingen vastgesteld bij de EZWb-beoordeling? Zo nee, dan is deze vaststelling voldoende om de weigering van ZW te kunnen dragen.
2. Zijn de beperkingen toegenomen, dan zal beoordeeld moeten worden of de eerder geduide functies geschikt zijn. Deze beoordeling kan in 1e instantie beperkt blijven tot de medische geschiktheid. Als er ook arbeidskundige gronden naar voren worden gebracht, zullen die ook beoordeeld moeten worden.
3 Als een of meer functies niet geschikt zijn, moeten er, van de oorspronkelijk geselecteerde functies, tenminste 3 geschikte functies met 3 arbeidsplaatsen overblijven die leiden tot een mate van arbeidsgeschiktheid van tenminste 65%.
8.5.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Eiser is tijdens het spreekuur van de arts op 11 september 2024 bijgestaan door een Bulgaarse tolk en een vriend waardoor de taalbarrière is ondervangen. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder rug- en schouderklachten, psychische klachten en angst- en pijnklachten.
De door eiser overgelegde (medische) informatie geeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts b&b. Eiser claimt rug- en schouder- en psychische klachten. Volgens vaste rechtspraak is echter de subjectieve beleving en ervaring van klachten niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij eiser zijn vast te stellen. Alleen de medisch te objectiveren beperkingen zijn van belang.
Uit de medische informatie in het dossier blijkt dat eiser op de datum in geding (18 juni 2024) rug- en schouderklachten had. Uit de stukken kan niet worden opgemaakt dat eiser (meer) lijdt aan psychische klachten. Eiser heeft in beroep geen medische stukken ingebracht, waaruit de door hem geclaimde, ernstigere klachten en beperkingen op de datum in geding blijken, op de wijze zoals hij die ervaart. De enkele stelling van eiser dat sprake is van meer beperkingen dan door de verzekeringsarts b&b is aangenomen, is daartoe onvoldoende.
Uit de aanwezige stukken blijkt evenmin dat sprake is van een energetische stoornis op grond waarvan een urenbeperking moet worden aangenomen. Eiser heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat een urenbeperking noodzakelijk is uit preventief oogpunt of vanwege verminderde beschikbaarheid.
De rechtbank acht het standpunt van de verzekeringsarts b&b navolgbaar, dat geen sprake is van toegenomen beperkingen.
8.6.
Voor zover eiser verwijst naar de stukken die op de dag van de zitting zijn ingediend, merkt de rechtbank op dat deze te laat zijn ingebracht en niet zien op de datum in geding. De rechtbank laat deze stukken daarom buiten beschouwing.
8.7.
Omdat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, ziet de rechtbank geen aanleiding een deskundige te benoemen.
8.8.
Op grond van het voorgaande heeft het UWV zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser arbeidsgeschikt is voor de eerder (in het kader van de EZWb gehandhaafde) geduide functies. Het UWV heeft terecht geweigerd aan eiser een ZW-uitkering toe te kennen per 18 juni 2024.
9. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat het UWV nieuw beleid heeft ten aanzien van de geduide functies. Hij doet daar een beroep op. Gelet op het voorgaande en het toetsingskader komt de rechtbank daar echter niet aan toe.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en er dus voor eiser niets verandert.
10.1.
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard krijgt eiser geen proceskostenvergoeding of schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 10 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:2, eerste lid
Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,
c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
e. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Ziektewet
De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Onder “zijn arbeid” als bedoeld in artikel 19 van Pro de ZW wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt uitzondering, wanneer de verzekerde – na een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de WIA of een EZWb – niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek meldt. Ziekengeld kan in zo’n geval worden geweigerd wanneer is voldaan aan de volgende twee, cumulatieve, voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de EZWb of WIA geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de EZWb of WIA vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de EZWb of WIA geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%. Daarbij is niet van belang of de oorspronkelijke functies ten tijde van de latere ziekmelding nog in het CBBS aanwezig zijn. Evenmin is van belang of die functies ten tijde van de nieuwe ziekmelding op onderdelen qua belasting en/of beloning inmiddels zijn gewijzigd. [4]

Voetnoten

1.Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb.
3.CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672, r.o. 4.7.1 tot en met 4.7.3.