ECLI:NL:RBZWB:2026:743

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
BRE 24/4823
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting en proceskostenvergoeding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Goes. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk en vernietigde de naheffingsaanslag. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en behandelde alleen het geschil over de hoogte van de proceskostenvergoeding.

De heffingsambtenaar stelde een wegingsfactor van 0,25 voor vanwege het gebruik van standaard bezwaarschriften met minimale aanpassingen, terwijl gemachtigde een hogere factor van 0,5 bepleitte. De rechtbank oordeelde dat een wegingsfactor van 0,25 passend is gezien de lichte aard van de zaak en het standaardkarakter van de bezwaarschriften.

Voor de bezwaarfase werd een vergoeding van €333,- vastgesteld en voor de beroepsfase €233,50. Daarnaast werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €51,-. De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag zelf. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de naheffingsaanslag parkeerbelasting en uitspraak op bezwaar worden vernietigd en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/4823

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Goes, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 15 april 2024. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende en de rechtbank bericht dat het ingediende bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd. De gronden van belanghebbende behoeven daarom geen behandeling meer. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal in deze uitspraak dan ook alleen ingaan op het verzoek om een proceskostenveroordeling. Het enige geschilpunt dat tussen partijen bestaat is de wegingsfactor van de kostenvergoeding in de bezwaarfase.
2.1.
De rechtbank kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. [1] De hoogte van de vergoeding is geregeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank zal de heffingsambtenaar voor de kosten van zowel de bezwaar- als de beroepsfase veroordelen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Bezwaarfase
2.2.
De heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding van € 312,-. Dit bedrag wordt berekend aan de hand van twee proceshandelingen en een wegingsfactor van 0,25. De heffingsambtenaar stelt dat een wegingsfactor van 0,25 terecht is, omdat belanghebbende gebruik maakt van standaard bezwaarschriften, waarbij enkel de naam, locatie en aanslagnummer wordt veranderd. De zaak is niet gecompliceerd, weinig bewerkelijk en vergt weinig tijd van gemachtigde. De heffingsambtenaar onderbouwd zijn standpunt door de stelling dat ieder bezwaarschrift nagenoeg hetzelfde is van de desbetreffende gemachtigde.
2.3.
Gemachtigde stelt dat het enkel indienen van nagenoeg dezelfde bezwaarschriften geen bijzondere omstandigheid is om de wegingsfactor van 0,25 toe te passen. Gemachtigde stelt dat volgens vingerende jurisprudentie een wegingsfactor van 0,5 het uitgangspunt behoort te zijn.
2.4.
De rechtbank constateert dat een zaak van gemiddeld gewicht een wegingsfactor van 1,0 toegepast wordt. [2] Hiervan wordt afgeweken in gevallen dat de rechtbank de zaak van (zeer) licht gewicht acht. In onderhavige zaak is sprake van een parkeerbelastingzaak en is een wegingsfactor van 0,5 gebruikelijk. [3] Gemachtigde gebruikt standaardbrieven waarbij enkel bepaalde gegevens worden veranderd. Deze opvatting wordt niet miskend door gemachtigde. De inhoud van de bezwaarschriften, waarbij enkel de naam, locatie en aanslagnummers worden gewijzigd geeft volgens de heffingsambtenaar een blijk van een ‘zeer lichte zaak’ en daarom volstaat de wegingsfactor van 0,25. Gelet op bovenstaande stellingen van de heffingsambtenaar, is voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zaak met een ‘zeer licht’ gewicht. [4] De rechtbank stelt de kostenvergoeding voor de bezwaarfase op grond van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 333,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op een hoorzitting met een waarde per punt van € 666,- met een wegingsfactor van 0,25.-.
Beroepsfase
2.5.
Partijen zijn het eens over een wegingsfactor van 0,25 voor de beroepsfase. De vergoeding in de beroepsfase wordt dan ook vastgesteld op € 233,50 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25).

Conclusie en gevolgen

De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. Aangezien de rechtbank niet beschikt over het bericht waarbij de naheffingsaanslag daadwerkelijk is vernietigd, zal zij hier zekerheidshalve zelf toe overgaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar van 15 april 2024;
  • vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende voor de bezwaarfase tot een bedrag van € 333,-;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor de beroepsfase tot een bedrag van € 233,50;
  • draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 9 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:75 van Pro de Awb.
2.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315 (rechtsoverweging 1.2.1. van de bijlage: richtsnoer proceskostenvergoeding).
3.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315 (rechtsoverweging 1.2.3. van de bijlage: richtsnoer proceskostenvergoeding).
4.Gerechtshof Den Haag 25 september 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2238.