ECLI:NL:RBZWB:2026:6673

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
BRE 23/10187
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 36 Invorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd inzake verjaring invordering aansprakelijkstelling

Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat de aansprakelijkstellingschuld wegens verjaring niet meer invorderbaar was en richtte zich met een beroep tegen de brief van de ontvanger van de Belastingdienst waarin deze stelde dat geen sprake was van verjaring.

De rechtbank oordeelde dat zij niet bevoegd is om te oordelen over de verjaring van het recht tot invordering van een aansprakelijkstellingschuld. Dit soort geschillen behoort tot de civiele rechter en niet tot de belastingrechter. Ook het verzoek om overlegging van stukken ter beoordeling van de verjaring kan niet door de belastingrechter worden behandeld.

De rechtbank wees erop dat hoewel de belastingrechter in andere invorderingskwesties wel bevoegd is, verjaring niet tot die gevallen behoort. Daarom verklaarde de rechtbank zich onbevoegd en besloot het betaalde griffierecht van € 50,- aan belanghebbende terug te betalen.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Belanghebbende wordt gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de verjaring van de invordering van de aansprakelijkstellingschuld en betaalt het griffierecht terug.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10187

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. Op 9 juni 2023 heeft de ontvanger een brief van 2 juni 2023 ontvangen van belanghebbende waarin deze zich beroept op verjaring van de aansprakelijkstellingschuld terzake van een onbetaalde belastingschuld met aanslagnummer [aanslagnummer] . Op deze brief heeft de ontvanger op 15 juni 2023 belanghebbende laten weten dat er geen sprake is van verjaring. Belanghebbende heeft op 15 oktober 2023 beroep ingesteld tegen deze brief van de ontvanger. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende.
1.1
De rechtbank verklaart zich kennelijk onbevoegd. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Belanghebbende is op grond van artikel 36 van Pro de Invorderingswet 1990 aansprakelijk gesteld voor onbetaalde belastingschulden van [B.V.] Het beroep is niet gericht tegen de beschikking aansprakelijkstelling zelf, maar tegen de brief waarin de ontvanger mededeelt dat hij van mening is dat het recht tot invordering van de aansprakelijkstellingschuld niet is verjaard. Verjaring van het recht tot invordering staat echter niet ter beoordeling van de belastingrechter. [1] Een geschil hierover kan worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter. Hetzelfde geldt voor het verzoek van belanghebbende om de ontvanger op te dragen om bepaalde stukken te overleggen die van belang (kunnen) zijn voor beoordeling van de verjaring.
2.1
De omstandigheid dat uit de wet en jurisprudentie volgt dat de belastingrechter in een aantal andere gevallen wel bevoegd is een beroep over invorderingskwesties inhoudelijk te beoordelen, betekent niet dat de belastingrechter ook in dit geval bevoegd is. Verjaring valt niet onder een van die gevallen.
2.2
De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd. Belanghebbende heeft griffierecht van € 50,- betaald. De rechtbank ziet aanleiding om het griffierecht terug te betalen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd;
  • bepaalt dat de griffier het griffierecht van € 50 aan belanghebbende terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.M. Rosta, griffier, op 16 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier, rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Hoge Raad 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:357.