ECLI:NL:RBZWB:2026:6665

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/3403
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning op grond van artikel 13b Opiumwet

De burgemeester van de gemeente Rucphen heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet besloten een woning te sluiten voor drie maanden vanwege de vondst van 1321 gram GHB en meldingen van drugsgerelateerde overlast. Verzoekster, huurder van de woning, heeft hiertegen een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om de sluiting te schorsen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting, gelet op de hoeveelheid aangetroffen harddrugs die de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik ruim overschrijdt, en de meldingen over drugshandel en overlast. De sluiting is geschikt, noodzakelijk ter bescherming van het woon- en leefklimaat en evenwichtig, mede omdat verzoekster geen verwijtbaarheid ontkent en geen bijzondere binding met de woning heeft aangetoond.

De duur van drie maanden volgt uit het gemeentelijke beleid en is niet willekeurig. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek om voorlopige voorziening onvoldoende kans van slagen heeft en wijst het af. Het besluit tot sluiting blijft daarmee in stand en er is geen aanleiding voor vergoeding van kosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen en de sluiting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/3403
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. C.G.A. Mattheussens),
en

de burgemeester van de gemeente Rucphen, de burgemeester.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Stichting Thuisvester,uit Oosterhout, de derde-partij
(gemachtigde: mr. M.C.E. Wirken).

Procesverloop

1. Naar aanleiding van MMA-meldingen heeft de politie de woning aan de [adres] (de woning) op 1 april 2026 betreden. Verzoekster huurt deze woning van de derde-partij. De bevindingen zijn opgenomen in de bestuurlijke rapportage van 8 april 2026. Uit deze bestuurlijke rapportage blijkt onder meer dat bij de controle 1321 gram GHB in de woning is aangetroffen. Dit komt neer op 1179 milliliter GHB.
1.1.
Op 12 mei 2026 heeft de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet het besluit genomen om de woning inclusief alle opstallen aan de [adres] te sluiten voor de duur van drie maanden met ingang van 27 mei 2026 (het bestreden besluit). De woningsluiting is ook per die datum geëffectueerd.
1.2.
Op 29 juni 2026 heeft verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend.
1.3.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoekster en haar gemachtigde deelgenomen. De burgemeester werd op zitting vertegenwoordigd door mr. J.T.A. Kuijlen. Namens de derde-partij waren de gemachtigde, [persoon 1] en [persoon 2] aanwezig.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoekster heeft het verzoek om voorlopige voorziening ingediend om het bestreden besluit van de burgemeester van 12 mei 2026 om de woning te sluiten te schorsen. De voorzieningenrechter wijst dat verzoek af en legt hierna uit waarom.
De bevoegdheid van de burgemeester
3. De bevoegdheid van de burgemeester om tot sluiting over te gaan staat niet ter discussie. Dat blijkt ook uit de hoeveelheid aangetroffen harddrugs die de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik ruim overschrijdt. De burgemeester mocht ook de MMA-meldingen betrekken over de verkoop vanuit de woning en de meldingen bij de derde-partij, waaruit onder andere de loop naar de woning blijkt. Ook blijkt, onder meer uit het videomateriaal, dat toegang is verleend aan derden tot de door verzoekster gehuurde woning. Ook verstrekking van drugs in de woning aan deze derden geeft bevoegdheid tot sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Evenredigheid
4. Of de burgemeester die bevoegdheid ook mocht gebruiken, is afhankelijk van vraag of sluiting evenredig is. Om dit te beoordelen wordt gekeken naar de geschiktheid, de noodzaak en de evenwichtigheid van de woningsluiting.
Geschiktheid
4.1.
Sluiting van een woning is in het algemeen een geschikt middel om de doelen te bereiken die de burgemeester voor ogen heeft. Die geschiktheid is ook niet betwist.
Noodzaak
4.2.
De burgemeester heeft voldoende onderbouwd dat sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. Er zijn handelshoeveelheden harddrugs aangetroffen in de woning. Het uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. [1] In dit geval zijn er echter ook meerdere meldingen van drugsgerelateerde overlast binnengekomen bij zowel de politie als de verhuurder. Uit deze meldingen blijkt, anders dan verzoekster aanvoert, dat sprake was van een aanloop naar de woning. De burgemeester heeft daarnaast onweersproken gesteld dat de woning is gelegen in een voor drugscriminaliteit gevoelige wijk. De noodzaak is ook nu nog aanwezig, nu de rust rondom de woning nog niet is teruggekeerd.
Evenwichtigheid
4.3.
Daarnaast is de sluiting van de woning in de gegeven omstandigheden evenwichtig. Van het ontbreken van verwijtbaarheid bij verzoekster is geen sprake en dat wordt ook niet betoogd. Daarnaast is niet gebleken van een bijzondere binding met specifiek deze woning. [2] Waarom begeleiding door bijvoorbeeld [begeleid wonen] specifiek in deze woning moet plaatsvinden, is niet onderbouwd. Verzoekster heeft op zitting bovendien toegelicht dat diverse gesprekken ook in de afgelopen periode doorgang konden vinden. Inherent aan de sluiting van een woning is dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Het is de eigen verantwoordelijkheid van verzoekster om vervangende woonruimte te vinden. Dat is haar tot op heden ook steeds gelukt door op verschillende manieren onderdak te vinden. Daarnaast is er, zoals de burgemeester heeft aangevoerd, de mogelijkheid tot noodopvang. Dat de nadelige gevolgen van de sluiting daadwerkelijk onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken. Ook als het besluit gevolgen heeft voor de huurovereenkomst, is dat nog niet onevenredig. Verhuurder heeft bovendien aangekondigd dat de diverse overlast zelf al aanleiding is om de ontbinding van de huurovereenkomst te vorderen, naast de ingeroepen buitengerechtelijke ontbinding.
Duur van de sluiting
4.4.
Verzoekster heeft ook aangevoerd dat zij de sluitingsduur van drie maanden een willekeurige duur vindt. Deze sluitingsduur volgt echter rechtstreeks uit het toepasselijke gemeentelijke beleid [3] en verzoekster heeft niet aangevoerd waarom daarvan in deze situatie afgeweken zou moeten worden.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter concludeert dus dat de kans dat het bewaar slaagt klein is, zodat de burgemeester in dit geval gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid. Ook in de belangenafweging ziet de voorzieningenrechter geen reden om het besluit te schorsen.
5.1.
Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat de sluiting nu niet hoeft te worden opgeheven. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5.2.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026 door mr. S. Hindriks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 (r.o. 9.2).
2.ABRvS 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:377 (r.o. 4.3.2) en
3.Beleidsregel Damoclesbeleid gemeente Rucphen.