ECLI:NL:RBZWB:2026:6548

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/757
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van verzet tegen uitspraak voorlopige voorziening

Deze uitspraak betreft het verzet van verzoekster tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2026, waarin het verzoek van verzoekster niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet betalen van griffierecht.

Verzoekster heeft op 8 mei 2026 uitstel gevraagd voor het indienen van de gronden van verzet. De griffier heeft op 11 mei 2026 aangegeven dat verzet niet mogelijk is tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter en dat de rechtsmiddelverwijzing in de uitspraak onjuist was. Verzoekster heeft het verzet niet ingetrokken en op 26 mei 2026 haar gronden aangevuld.

De rechtbank oordeelt dat de uitspraak van 27 maart 2026 geen uitspraak is als bedoeld in artikel 8:54 Awb Pro, maar een uitspraak op een verzoek om voorlopige voorziening volgens artikel 8:83, derde lid, Awb. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open, dus ook geen verzet. Daarom verklaart de voorzieningenrechter zich onbevoegd kennis te nemen van het verzet. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzet tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/757

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 op het verzet van

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 27 maart 2026 in het geding tussen
verzoekster
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van verzoekster gaat over de uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2026 waarin de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het griffierecht niet is betaald.
1.1.
Verzoekster heeft op 8 mei 2026 verzocht om uitstel voor het indienen van (de gronden van) verzet. De griffier heeft op 11 mei 2026 laten weten geen verzet mogelijk is tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter en dat de rechtsmiddelverwijzing in de uitspraak onjuist is. De griffier heeft gevraagd of verzoekster het verzet wilt intrekken.
1.2.
Verzoekster heeft het verzet niet ingetrokken en op 26 mei 2026 (de gronden van) het verzet aangevuld. Verzoekster heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. Op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Awb verzet worden gedaan bij de bestuursrechter.
2.1.
De uitspraak van 27 maart 2026 waartegen het verzet zich richt is geen uitspraak die is gedaan met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb, maar is een uitspraak op een verzoek om voorlopige voorziening die is gedaan met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb. Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend. Dat houdt in dat evenmin het rechtsmiddel van verzet open staat.
2.2.
Op grond van het vorenstaande dient te worden geoordeeld dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is kennis te nemen van het verzet.
2.3.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.