ECLI:NL:RBZWB:2026:6498

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/5967
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 3:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet tijdig betalen griffierecht

Belanghebbende B.V. was in beroep gegaan tegen een naheffingsaanslag vennootschapsbelasting en de daarbij opgelegde boete. De rechtbank had het beroep op 9 februari 2026 niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig was betaald en dit niet verontschuldigbaar was.

De rechtbank stuurde een betalingsnota en een aangetekende herinnering naar het bij haar bekende adres van belanghebbende, maar deze herinnering werd niet naar het juiste adres verzonden. De aangetekende brief met de uitspraak werd ongeopend retour ontvangen en later naar een ander adres verzonden, maar ook deze werd retour gezonden. Pas na verzending per gewone post werd het verzet digitaal ingediend.

De rechtbank oordeelt dat het verzet tijdig is ingesteld omdat de rechtsgeldige bekendmaking pas op 6 maart 2026 heeft plaatsgevonden. Het niet tijdig betalen van het griffierecht is verschoonbaar omdat de herinneringsnota niet naar het juiste adres is gestuurd en belanghebbende redelijkerwijs niet kon worden verweten haar adreswijziging niet door te geven.

Daarom is de eerdere niet-ontvankelijkverklaring onterecht en wordt het verzet gegrond verklaard. De zaak wordt hervat in de stand van vóór de niet-ontvankelijkverklaring. Het griffierecht dient alsnog te worden betaald.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring wordt vernietigd, waarna de procedure wordt hervat.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/5967

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 op het verzet van

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 februari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 9 februari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen van het griffierecht niet verontschuldigbaar is. Belanghebbende is in beroep gekomen tegen de naheffingsaanslag vennootschapsbelasting (en de daarbij opgelegde boete) met aanslagnummer [aanslagnummer] V.36.0112.
1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Feiten

2. Op 21 november 2025 heeft de inspecteur de reactie op de uitspraak op bezwaar over de naheffingsaanslag met dagtekening 3 mei 2025 doorgezonden naar de rechtbank, omdat de rechtbank bevoegd is het beroepschrift te behandelen. De rechtbank heeft het beroep geregistreerd op basis van de door verweerder aan haar verstrekte gegevens.
2.1
Op 21 november 2025 heeft de griffie per gewone post een betalingsnota naar het door de rechtbank bekende adres van belanghebbende gestuurd. Op 22 december 2025 is er een aangetekende betalingsherinnering naar het adres van belanghebbende gestuurd. Volgens de informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden betalingsherinnering op 24 december 2025 om 12:10 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Het griffierecht was niet tijdig door belanghebbende voldaan.
2.2
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht. Op 10 februari 2026 is de uitspraak aangetekend naar belanghebbende gezonden naar het bij de rechtbank bekende adres.
2.3
De envelop waarin de aangetekende uitspraak is verzonden, is ongeopend op 5 maart 2026 terugontvangen met de vermelding “niet afgehaald; retour afzender”.
2.4
Op 6 maart 2026 heeft de griffie het retour gekomen uitspraak nogmaals naar belanghebbende verzonden naar een ander adres naar aanleiding van een onderzoek in de Basisregistratie Personen. Op 8 april 2026 is de aangetekende brief van 6 maart 2026 wederom retour gekomen. Op dezelfde dag is de terugontvangen brief per gewone post naar belanghebbende verzonden.
2.5
Op 12 april 2026 heeft belanghebbende zich digitaal aangesloten om deel te nemen aan de procedure. Tevens is er op 12 april 2026 een verzetschrift ontvangen, waarin belanghebbende aangeeft dat zij de afgelopen maanden – tot de brief van 8 april 2026 – geen brieven en nota’s van de rechtbank heeft ontvangen. De vertegenwoordiger van belanghebbende geeft tevens aan verhuisd te zijn naar een ander adres. Daarnaast stelt belanghebbende de brief van 24 december 2025 niet te hebben ontvangen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 9 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3.1
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.2
Naar het oordeel van de rechtbank is het verzet tijdig ingesteld. De verzetstermijn vangt eerst aan na de bekendmaking [2] van de uitspraak van 9 februari 2026. In dit geval acht de rechtbank het aannemelijk dat van een rechtsgeldige bekendmaking eerst sprake is geweest op 6 maart 2026. Redelijkerwijs kan worden betwijfeld of eerdere poststukken naar het juiste adres zijn gestuurd. Belanghebbende ontkent de ontvangst van stukken en haar vertegenwoordiger geeft daarbij aan dat zij is verhuisd, waaruit de rechtbank afleidt dat dit ook gaat om het adres van de B.V. Daarbij rekent de rechtbank het belanghebbende niet aan dat zij geen adreswijziging heeft doorgegeven aan de rechtbank, omdat het beroep is doorgezonden door de inspecteur. Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat verzending op de eerdere data naar het gehanteerde adres van belanghebbende een vermoeden van ontvangst rechtvaardigt. Nu de beslissing op 6 maart 2026 naar het juiste adres is verzonden en het verzetschrift op 12 april 2026 is ontvangen, moet worden geoordeeld dat het verzet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend en derhalve tijdig is.
3.3
De termijn voor het betalen van het griffierecht bedraagt vier weken, met ingang van de dag na die van verzending van de nota van griffierecht. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.4
De rechtbank is van oordeel dat het niet tijdig voldoen van het griffierecht in dit geval verschoonbaar is. De herinneringsnota is op 22 december 2025 niet naar het juiste adres van belanghebbende gestuurd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het beroep via de inspecteur bij de rechtbank is binnengekomen. Onder die omstandigheden lag het voor belanghebbende niet zonder meer voor de hand dat zij zelfstandig haar gewijzigde adresgegevens aan de rechtbank diende door te geven. Daarom kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Belanghebbende is derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep.

Conclusie en gevolgen

4. Uit de beoordeling van de grond van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 9 februari 2026 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. Ter zake van deze procedure dient alsnog griffierecht van € 385,00 te worden geheven. Daarnaast dient belanghebbende het verzuim in de brief van 21 november 2025 te herstellen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 3:41 van Pro de Awb.