ECLI:NL:RBZWB:2026:6492

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
02-810523-19
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 33 SrArt. 33a SrArt. 47 SrArt. 51 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van witwassen via vastgoedtransacties door rechtspersoon

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 16 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de rechtspersoon [rechtspersoon] D.O.O. uit Bosnië en Herzegovina, vertegenwoordigd door [verdachte]. De tenlastelegging betrof medeplegen van witwassen door het gebruik van criminele gelden voor de aankoop van onroerend goed in Nederland.

Het bewijs bestond uit onder meer WhatsApp-gesprekken, leningsovereenkomsten, banktransacties en getuigenverklaringen. De rechtbank oordeelde dat de leningsovereenkomsten valselijk en onzakelijk waren opgesteld en dat sprake was van een typische loan-back-constructie. De verklaring van verdachte werd niet geloofd.

De rechtbank stelde vast dat de rechtspersoon geen legale inkomsten had en dat verdachte als UBO en vertegenwoordiger wetenschap had van de illegale herkomst van de gelden. De witwasconstructie was gericht op het verhullen van de criminele oorsprong van de gelden.

De rechtbank veroordeelde de rechtspersoon tot een onvoorwaardelijke geldboete van €36.000,- en verklaarde de betrokken panden verbeurd. De redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot een strafvermindering van 10%.

Uitkomst: Rechtspersoon veroordeeld voor medeplegen van witwassen met onvoorwaardelijke geldboete en verbeurdverklaring van vastgoed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-810523-19
vonnis van de meervoudige kamer van 16 juli 2026
in de strafzaak tegen de rechtspersoon:
[rechtspersoon] D.O.O.gevestigd op het [adres 1] in [plaats 1] (Bosnië en Herzegovina).
Vertegenwoordiger:
[verdachte], geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië).
Raadsman: mr. W.S. de Zanger, advocaat te Laren.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 mei 2026, waarbij de officier van justitie, mr. E.H. Smale, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 16 juli 2026.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als Bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er -kort en feitelijk weergegeven- op neer dat de rechtspersoon zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van (geldbedragen van in totaal € 1.640.000,- voor de aankoop van) onroerend goed.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de rechtspersoon het ten laste gelegde feit heeft begaan. Er is geen sprake van een concreet brondelict. De stukken in het dossier en de witwasindicatoren leveren een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen door [rechtspersoon] D.O.O. (
hierna: [rechtspersoon]) op. Er is tegenover dit witwasvermoeden een verklaring afgelegd door de vertegenwoordiger van [rechtspersoon]
(hierna: [verdachte] ). Die verklaring voldoet niet aan het criterium dat het moet gaan om een concreet, min of meer verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk relaas. Desondanks heeft het Openbaar Ministerie onderzoek verricht naar die verklaring. Uit dit onderzoek volgt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen van € 540.000,- en € 1.100.000,-, waarmee de panden aan de [adres 2] / [adres 3] , [adres 4] / [adres 5] en [adres 6] in [plaats 2] zijn aangekocht een legale herkomst hebben. Het witwasvermoeden is niet ontzenuwd. De voorwerpen zijn derhalve van enig misdrijf afkomstig. Voor het volledige standpunt wijst de rechtbank naar het aan dit vonnis gehechte requisitoir.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en dat tot vrijspraak moet worden geconcludeerd. De startinformatie voor de witwasverdenking is onbetrouwbaar en moet buiten beschouwing blijven. De omstandigheid dat bij de lening geen rentepercentage of terugbetalingstermijn is afgesproken, is geen sterke indicator voor witwassen. Daarnaast is bepleit dat de WhatsApp-gesprekken tussen [verdachte] en [getuige 1] anders moeten worden uitgelegd. Er kan niet geconcludeerd worden dat er sprake is van een loan-back constructie, er is mogelijk alleen over de verhuur van auto’s gesproken. Er hebben geen contante of girale geldstromen plaatsgevonden vanuit [verdachte] naar [bedrijf] . Dergelijke bancaire overboekingen zijn ook niet aangetoond. Tot slot is aangevoerd dat [verdachte] niet als ultimate benificial owner
(hierna: UBO)van [onderneming 1] kan worden aangemerkt. Voor het volledige standpunt wijst de rechtbank op het aan dit vonnis gehechte pleidooi.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in Bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De opbouw en volgorde van de bewijsoverwegingen
In het kader van de structuur en begrijpelijkheid van het vonnis zal de rechtbank in haar bewijsoverwegingen starten met de bespreking met een tweetal verweren van de verdediging. Daarna zal het juridisch kader voor het witwassen worden opgenomen en aansluitend worden de feiten en omstandigheden vastgesteld waar de rechtbank vanuit dient te gaan. Vervolgens zal moeten worden beoordeeld op welke wijze de gedragingen van [rechtspersoon] in dit juridisch kader te plaatsen zijn en of de tenlastelegging bewezenverklaard kan worden.
4.3.3
Bespreking van het eerste verweer (de WhatsApp-gesprekken)
De rechtbank leidt uit bestudering van de WhatsApp-gesprekken af dat transacties worden besproken, die [bedrijf] via de bank verricht naar [notaris 1] ten behoeve van de aankoop van het vastgoed door [rechtspersoon] . Dat deze gesprekken anders uitgelegd moeten worden, is niet gebleken.
[getuige 1] heeft in de gesprekken met [verdachte] , op bepaalde data, concrete bedragen genoemd die zijn overgeschreven of waarvan de transactie aanstaande is. Als bewijs voor [verdachte] worden schermafbeeldingen doorgezonden met de uitgevoerde transacties naar de rekening van [notaris 1] . De voormelde bedragen en data komen, meermalen, exact overeen met de transactie- en tijdschrijf-gegevens van de derdengeldrekening van [notaris 1] . Op deze kwaliteitsrekening wordt nog maar eens duidelijk aangegeven dat het een voorschot van een lening betreft voor vastgoed.
Het WhatsAppgesprek waarin [verdachte] spreekt over het naar Spanje gaan en als hij terug komt weer kon geven, zou volgens de raadsman ook kunnen gaan over een auto die [verdachte] aan [getuige 1] verhuurde, waardoor de conclusie dat dit gaat over een contante geldstroom van [verdachte] naar [getuige 1] en [bedrijf] niet kan worden getrokken. Die alternatieve uitleg overtuigt naar het oordeel van de rechtbank niet wanneer daar ook de overige berichten bij worden betrokken.
Op 11 oktober 2018 stuurt [verdachte] de volgende tekst naar [getuige 1] :
“Ik ha naar Spanje zaterdag en kom volgende week zaterdag terug”en
“Dan als ik terug ben kan ik je weer en geven, ok”.[getuige 1] heeft in reactie hierop de tekst gestuurd:
“is het niet mogelijk vrijdag”en
“het zou heel fijn zijn moest het morgen kunnen”.[verdachte] heeft daarop gereageerd met de tekst:
“kijk op andere”.Verdachte stuurt daarna:
“Dua nu nog 100 tog”.[getuige 1] heeft daarop bevestigend geantwoord. Dit bericht van [verdachte]
‘nu nog 100 tog’past niet bij de alternatieve lezing over de verhuur van een auto en dat geldt ook voor de verklaring van [getuige 1] hierover in zijn tweede getuigenverhoor die zegt dat het om terugbetalingen door [verdachte] ging.
De rechtbank heeft overigens wel geconstateerd dat er op een gegeven moment conversaties zijn over voertuigen, maar wel pas nadat alle transacties richting de notaris zijn verricht en dan gaat het niet over het huren van auto’s. [verdachte] belooft op 13 november 2018 in weinig zakelijk overkomende berichten een Audi Q8 of Mercedes AMG aan [getuige 1] te geven, als dank voor de door [getuige 1] geleverde diensten. [verdachte] : En ik ga voor jou een auto uitzoeken. En die is voor jou elke dag krijg je cadeautje van mij. [getuige 1] : I love you broer.
Het verweer van de raadsman, over de alternatieve uitleg van de gesprekken, faalt dan ook.
4.3.4
Bespreking van het tweede verweer (de UBO van [onderneming 1] )
De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank er niet zonder meer vanuit mag gaan dat [verdachte] de UBO is van [onderneming 1] en heeft daarbij aangevoerd dat de verklaring van [notaris 2] bij de rechter-commissaris niet voor het bewijs mag worden gebruikt.
De rechtbank stelt vast dat notaris [notaris 2] op 14 november 2018, na een vordering ex. artikel 126nd Wetboek van Strafvordering, schriftelijk heeft aangegeven dat de UBO van [onderneming 1] [verdachte] is. Op basis van artikel 25, negende lid van de Wet op het notarisambt komt naar voren dat een vordering, zoals hiervoor is omschreven, is uitgezonderd van de geheimhoudingsplicht van een notaris. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet gebleken is van een onrechtmatig handelen door de notaris bij de toezending van de schriftelijke stukken op basis van de vordering ex. artikel 126nd Sv.
De notaris is enige tijd later door de Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden, op 12 juli 2021, tuchtrechtelijk gesanctioneerd
(kenmerk C/05/380875). Hij is daarbij bestraft, in de vorm van een waarschuwing, voor het mondeling antwoord dat is gegeven tijdens het verhoor van de rechter-commissaris op 13 juli 2020, inhoudende dat hij van [verdachte] heeft gehoord dat deze de UBO van [onderneming 1] is. De notaris zou daarbij zijn geheimhoudingsplicht hebben geschonden.
Echter, de klacht dat de notaris in strijd met de werkelijkheid heeft aangegeven dat [verdachte] (aan de notaris heeft meegedeeld dat hij) de UBO is van [onderneming 1] , is ongegrond verklaard. De feitelijke grondslag daarvoor is niet komen vast te staan.
De rechtbank is op basis van het vorenstaande van oordeel dat hetgeen is opgenomen in de schriftelijke reactie van de notaris van 14 november 2018 voor het bewijs kan worden gebruikt. Dat er sprake is van informatie die in strijd is met de realiteit, is geenszins gebleken. Deze informatie wordt ook overigens door de stukken in het dossier ondersteund. Getuige [getuige 1] heeft in zijn verhoor immers te kennen gegeven dat [onderneming 1] een bedrijf van [verdachte] is en dat wanneer met [onderneming 1] werkzaamheden zijn uitgevoerd dit onderling met [verdachte] is afgestemd. Het enkele feit dat [verdachte] hier een ‘kale ontkenning’ tegenover heeft gesteld, is onvoldoende om hier anders over te oordelen.
Het verweer van de verdediging moet op dit punt worden verworpen. Nu de rechtbank de verklaring van de notaris als getuige bij de rechter-commissaris in de zaak van [onderneming 3] niet voor het bewijs zal gebruiken, is er geen belang bij het bespreken van het overige deel van het verweer.
Het verweer van de verdediging slaagt niet.
4.3.5
Het juridisch kader
Algemene overwegingDe rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor witwassen dient te worden bewezen dat de tenlastegelegde voorwerpen (de panden en geldbedragen) uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het is voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat de tenlastegelegde voorwerpen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. In deze zaak is geen direct verband te leggen tussen een concreet misdrijf, het vastgoed en de geldsommen waarop de tenlastelegging ziet. Dat betekent dat er geen gronddelict bekend is.
StappenplanBij de beoordeling of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, zal daarom gebruik gemaakt worden van het in de jurisprudentie ontwikkelde zes-stappenplan. In de eerste plaats moet worden vastgesteld, zoals al is gebeurd, dat er geen specifiek gronddelict is
(stap I).Vervolgens is de officier van justitie verantwoordelijk voor het aandragen van feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is
(stap II). Van verdachte mag vervolgens worden verlangd dat hij/zij een verklaring geeft, waaruit blijkt dat de ten laste gelegde voorwerpen
nietvan misdrijf afkomstig zijn
(stap III). Die verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn
(stap IV). Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij/zij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren. Zodra de verklaring van verdachte voldoende tegenwicht biedt, ligt het op de weg van de officier van justitie om nader onderzoek te doen naar die verklaring en de daarin gestelde alternatieve herkomst van de goederen. Als een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen
(stap V). Uit de resultaten van dat onderzoek zal dienen te blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft
(stap VI).
4.3.6
Inleidende opmerkingen over de start van het witwasonderzoek
De witwasverdenking ten aanzien van [rechtspersoon]
Een klassieke witwasmethode staat bekend als de loan-back-constructie. Bij de loan-back-constructie wordt gesuggereerd dat de investeerder zijn investeringen financiert met behulp van leningen. In werkelijkheid leent de investeerder zijn eigen geld terug. Door allerlei (buitenlandse) vennootschappen als tussenschakel te laten functioneren, wordt de indruk gewekt dat die (buitenlandse) vennootschappen een lening verstrekken aan de investeerder. De investeerder kan vervolgens onroerend goed verwerven. Het onderzoeksteam van de politie acht deze witwastypologie in deze zaak aan de orde, op basis van het volgende.
De rechtbank stelt daaromtrent op basis van het dossier het volgende vast.
Het onroerend goed aan de [adres 6] , de [adres 2] / [adres 3] en [adres 4] / [adres 5] in [plaats 2] worden respectievelijk op 12 en 14 november 2018 aangekocht door de vennootschap [rechtspersoon] uit [plaats 1] (Bosnië en Herzegovina). De feitelijk eigenaar van deze vennootschap is [verdachte] . De aankoop van het onroerend goed wordt betaald door de Belgische vennootschap [bedrijf] op basis van een lening. De herkomst van deze gelden (waaronder een transactie door [onderneming 1] , waarvan [verdachte] ook de UBO is) bestaat uit inkomsten die door de Belgische politie worden getypeerd als ongebruikelijk. Wie de uiteindelijk belanghebbende is van de vennootschap [bedrijf] is onbekend. Het heen en weer transigeren van grote geldbedragen en het daarbij gebruiken van buitenlandse vennootschappen kan duiden op verhullen, dan wel versluieren van de werkelijke herkomst van deze geldbedragen.
De rechtbank constateert, in aanvulling hierop, dat de kennelijk ingeschreven bestuurders -bij [rechtspersoon] ( [naam 1] ), bij [bedrijf] ( [naam 2] ) en bij [onderneming 1] ( [naam 3] )-, ter afscherming lijken te worden gebruikt van het werkelijk eigendom van deze buitenlandse vennootschappen.
De witwasverdenking ten aanzien van de UBO ( [verdachte] )Het onderzoek naar de UBO van [rechtspersoon] komt mede tot stand door informatie van de Amerikaanse opsporingsautoriteiten, waarin expliciet melding wordt gemaakt van het feit dat [verdachte] betrokken is bij witwassen. In informatie van Europol en de politiële autoriteiten in Bosnië en Herzegovina is aangegeven dat [verdachte] al vele jaren onderwerp van aandacht is in verband met de betrokkenheid bij internationale smokkel van verdovende middelen. Verder blijkt hij meerdere vastgoedpanden te bezitten, zonder deze panden op eigen naam te hebben geregistreerd. Bij de aankoop van die panden is geen hypotheek afgesloten, hetgeen ongebruikelijk is in de vastgoedbranche. [verdachte] heeft ook dure voertuigen op zijn naam staan.
De autoriteiten van Bosnië en Herzegovina hebben in 2013 een melding ontvangen van een verdachte betaling (met onduidelijke oorsprong en doel van het geld), waarbij [verdachte] en zijn partner betrokken zijn. Uit opgaaf van de “Financial Intelligence Unit” van de Bosnische politie blijkt verder dat [verdachte] vaker voorkomt in de database van verdachte transacties.
[verdachte] en zijn partner zijn in gemeenschap van goederen getrouwd op 17 maart 2008. De rechtbank gaat er mede daarom vanuit dat zij een economische eenheid hebben gevormd. [verdachte] heeft in 2013 en 2014 volgens de aangiften bij de Belastingdienst een inkomen gegenereerd uit een klusbedrijf. In de jaren 2015, 2016 en 2017 worden er geen inkomsten aangegeven. De partner van [verdachte] heeft in de jaren 2013 tot en met 2017 in het geheel geen inkomsten genoten volgens de belastingaangiften. Het saldo op de betaalrekeningen van de echtelieden bedraagt in de jaartallen 2011 tot en met 2017 minimaal € 38,- en maximaal € 2.678,- . Op de spaarrekening staat een bedrag van € 159,-.
[verdachte] heeft over zijn vermogenspositie bij de politie, op 21 januari 2020, verklaard dat hij iedere maand huurinkomsten heeft ontvangen van in totaal € 5.450,-. Alles wordt via de bank betaald. De ondernemingen die [verdachte] en zijn partner exploiteren ( [B.V. 1] en [B.V. 2] ) zijn nog niet operationeel en lopen boekhoudkundig achter. Verder heeft [verdachte] verklaard dat hij eenmaal per jaar een bedrag van € 10.000,- ontvangt vanuit de Sloveense [onderneming 2] . Dit betreft een winstuitkering. [verdachte] is om en nabij € 2.500,- tot € 3.000,- per maand kwijt aan vaste lasten. Voorts heeft hij naar zijn zeggen een schuld van in totaal zes miljoen euro, waarvan nog niets is terugbetaald.
Conclusie
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat [verdachte] in verband gebracht wordt met criminele activiteiten, waaronder de smokkel van verdovende middelen en witwassen. [verdachte] en zijn partner komen voor in meldingen van Europol en zijn in beeld bij de justitiële autoriteiten van de Verenigde Staten en Bosnië en Herzegovina. De transacties, de geëxploiteerde Nederlandse ondernemingen en luxueuze voertuigen zijn niet te rijmen met het legale inkomen van [verdachte] en zijn partner. Dit inkomen kan de financiering van de tenlastegelegde witwasobjecten niet verklaren. Bovendien is de verdenking gerezen dat [rechtspersoon] voormeld vastgoed heeft verworven via een loan-back-constructie. Gelet op het bovenstaande is sprake van voldoende concrete feiten en omstandigheden die een redelijk vermoeden van schuld aan witwassen rechtvaardigen en aanleiding konden geven tot nader onderzoek, hetgeen ook heeft plaatsgevonden.
Het verweer omtrent de startinformatie
De rechtbank passeert de stellingname van de verdediging dat de startinformatie als onbetrouwbaar moet worden gekwalificeerd. Het gaat om meerdere informatiebronnen uit verschillende landen, opgesteld door diverse autoriteiten over een langere periode, die elkaar versterken. Het verweer op dit punt slaagt niet.
4.3.7
Feiten en omstandighedenOp 14 november 2018 is door [verdachte] , met tussenkomst van zijn eigen Bosnische vennootschap [rechtspersoon] , het pand aangekocht aan de [adres 2] / [adres 3] en de [adres 4] / [adres 5] in [plaats 2] . Voor de aanschaf van dit vastgoed is geen hypotheek afgesloten. Uit informatie van [notaris 1] blijkt dat er tussen [rechtspersoon] en [bedrijf] een geldleningsovereenkomst is afgesloten ten behoeve van de financiering van voormeld onroerend goed. [verdachte] is aangemerkt als de UBO van [rechtspersoon] en [naam 2] is aangemerkt als de UBO van [bedrijf] . De aankoopprijs van € 525.000,- is door [bedrijf] voldaan in vijf termijnen, waarbij in totaal € 540.000,- is overgemaakt op de rekening van [notaris 1] .
Op 12 november 2018 heeft [rechtspersoon] een woonboerderij aangekocht aan de [adres 6] in [plaats 2] . De koopsom bedraagt € 1.060.000,-. Voor de aanschaf van dit pand is evenmin een hypotheek afgesloten. Uit informatie van [notaris 1] blijkt eveneens dat er tussen [rechtspersoon] (met [verdachte] als UBO) en [bedrijf] (met [naam 2] als UBO) een geldleningsovereenkomst is afgesloten ten behoeve van de financiering van voormeld pand. Er is in totaal een bedrag van € 1.100.000,- door [bedrijf] overgeboekt naar de rekening van [notaris 1] in zeven termijnen.
Bij de doorzoeking bij [notaris 1] is een volmacht aangetroffen, van [verdachte] aan [naam 1] , om hem te vertegenwoordigen en namens [rechtspersoon] aankopen te doen. [naam 1] heeft verklaard dat zij sinds april 2018 als directrice van [rechtspersoon] is aangesteld en dat [verdachte] de eigenaar is. Het bedrijfsresultaat van de onderneming is al die tijd nul euro gebleven. Volgens de getuige is [rechtspersoon] niet actief. Alle middelen op de rekening van de onderneming zijn afkomstig van [verdachte] , aldus [naam 1] . [getuige 2] heeft de boekhouding verzorgd voor [rechtspersoon] . Volgens [getuige 2] heeft de onderneming alleen een geldstroom van leningen ontvangen en zijn er geen werkzaamheden verricht.
De getuigenverklaringen van [naam 1] en [getuige 2] worden bevestigd door de bankrekeninggegevens van [rechtspersoon] . De bankrekening wordt nagenoeg alleen maar onderhouden door overschrijvingen vanaf de privérekening van [verdachte] . Er zijn geen girale inkomsten die duiden op een omzet of winst. [verdachte] heeft aan de politie en de notaris vier verschillende adressen doorgegeven van hemzelf of [rechtspersoon] in Bosnië, die achteraf gezien niet juist bleken te zijn.
[getuige 1] heeft zich vanaf 2016 beziggehouden met [bedrijf] . Wegens een eerder faillissement kan [getuige 1] deze onderneming niet op naam zetten. Om die reden is zijn stiefmoeder ( [naam 2] ) op papier aangesteld als zaakvoerder. Het is echter [getuige 1] die alle beslissingen heeft genomen over het bedrijf, de bankpassen en pincodes heeft beheerd en de totale zeggenschap heeft over de onderneming. De grootste uitgavenpost van [bedrijf] zijn leningen, waarvan de grootste lening is uitgegeven aan [rechtspersoon] . Uit de bedrijfsgegevens van [bedrijf] blijkt dat er over 2016 nauwelijks sprake is geweest van omzet of winst. In 2017 blijkt er alleen al een bedrag van € 1.800.000,- aan openstaande schulden te zijn.
[getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij de leningsovereenkomst van 20 oktober 2018 van € 540.000,- heeft ondertekend. Hij heeft ook de leningsovereenkomst van 22 september 2018 van € 1.100.000,- ondertekend. [verdachte] is volgens [getuige 1] bij het sluiten van de overeenkomsten aanwezig geweest. [verdachte] en [getuige 1] hebben in oktober 2018 via WhatsApp hierover contact onderhouden. De rechtbank zal in haar bewijsoverwegingen hierna uitvoerig terugkomen op deze leenovereenkomsten en de WhatsApp-conversaties.
In het dossier bevindt zich verder een non-disclosure agreement, van 25 oktober 2018, tussen [onderneming 1] en [bedrijf] . [onderneming 1] zou op basis hiervan in totaal een bedrag van € 280.000,- overmaken aan [bedrijf] voor de aankoop en verbouwing van het pand aan de [adres 6] in [plaats 2] . Op 29 oktober 2018 heeft [onderneming 1] dit bedrag daadwerkelijk overgemaakt naar de rekening van [bedrijf] . Op 30 oktober 2018 maakt [bedrijf] een bedrag van € 300.000,- over naar de notaris, ten behoeve van de aankoop van het pand aan de [adres 2] in [plaats 2] .
Tot slot is in het dossier een minnelijke overeenkomst opgenomen. De minnelijke overeenkomst bevat rechts bovenaan een afdruk van een stempel van [registratiekantoor] . Dit is een kantoor van het Belgisch kadaster. Hierin wordt opgenomen dat de geldlening van € 1.100.000 middels compensatie is terugbetaald en dat de ondertekening van partij 1 ( [bedrijf] ) geldt als een kwijting van de geldlening. Voorts is opgenomen dat partij 2 ( [rechtspersoon] ) uitdrukkelijk wordt bevrijd van het leveren van aanvullend bewijs, en dat elke partij haar eigen dwalingsrisico draagt.
4.3.8
Toepassing van het juridisch kader
Het vermoeden van witwassen ten aanzien van de [adres 2] en de [adres 6] in [plaats 2]Naast de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden die uit het dossier naar voren komen zijn er ten aanzien de panden aan de [adres 2] / [adres 3] , [adres 4] / [adres 5] en de [adres 6] in [plaats 2] nog een aantal specifieke witwasindicatoren.
De rechtbank wijst er in dit verband op dat [rechtspersoon] -behalve de leningen van € 540.000,- en € 1.100.000,- die zijn aangegaan- geen economische activiteiten heeft ontplooid of op andere wijze inkomsten heeft gegenereerd. Het is een witwaskenmerk wanneer bedrijven louter worden opgericht om een andere (rechts)persoon af te schermen, zonder dat zij een bedrijfseconomisch doel nastreven. De rekening van [rechtspersoon] wordt alleen door de privérekening van [verdachte] van voldoende saldo voorzien. Daarnaast beschouwt de rechtbank [rechtspersoon] als een dekmantelorganisatie. De onderneming wordt nagenoeg uitsluitend gebruikt voor het onderbrengen van het eigendom van onroerende zaken in Nederland en in Bosnië en Herzegovina. Voorts heeft [verdachte] bij [notaris 1] en/of andere instanties vestigingsadressen opgegeven voor deze rechtspersoon, terwijl de rechtspersoon daar fysiek niet gevestigd is of kan zijn. Het adres waar wel administratie van [rechtspersoon] wordt bewaard en/of waar de geregistreerde directeur [naam 1] woont, is door [verdachte] juist niet als adres opgegeven.
Een andere witwasindicator in dit geval is dat gebruik gemaakt wordt van verschillende bedrijven, uit verschillende landen, waardoor transactiestromen minder snel zichtbaar zijn. In onderhavig geval koopt een onderneming uit Bosnië en Herzegovina vastgoed in Nederland, dat weer wordt gefinancierd door een Belgisch bedrijf en een Sloveense onderneming. Ten aanzien van het Belgisch bedrijf [bedrijf] is opvallend dat er zowel veel transactiestromen op de rekening voorkomen, alsook dat er sprake is van hoge kasopnamen. Hierdoor is het moeilijker geworden om (een deel van) het vermogen in kaart te brengen. Voorts is het opmerkelijk dat de geldleningen zijn verstrekt door niet-financiële instellingen. [bedrijf] en [onderneming 1] zijn bouwondernemingen. Het verstrekken van geldleningen behoort niet tot de gebruikelijke bedrijfsactiviteiten van dergelijke rechtspersonen.
Al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang beschouwd, rechtvaardigen het vermoeden van witwassen. Er mag vanuit [rechtspersoon] (of vanuit diens vertegenwoordiger [verdachte] ) worden verlangd dat een concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring wordt gegeven voor een legale herkomst van de bedragen, waarmee voormeld vastgoed in [plaats 2] is aangekocht.
De verklaring van [verdachte]
heeft verklaard dat hij [getuige 1] heeft overtuigd om te investeren in diverse panden, met het oog op de aankoop, (ver)bouw(ing) en verkoop van de panden aan de [adres 2] , de [adres 6] in [plaats 2] en de [adres 7] in [plaats 1] . [verdachte] heeft aangenomen dat alles legaal verlopen is, aangezien de afspraken de bank en/of notaris zijn gepasseerd. [verdachte] en [getuige 1] zijn aanwezig geweest bij het tekenen van de leenovereenkomsten. [verdachte] kan zich de hem voorgehouden WhatsApp-gesprekken met [getuige 1] niet meer herinneren.
Het onderzoek door de officier van justitie
De officier van justitie heeft in het requisitoir aangegeven dat de verklaring van verdachte niet voldoet aan het criterium om hier nader onderzoek naar te doen, waarmee het witwassen bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie heeft wel onderzoek laten doen, zoals uit het dossier blijkt. De rechtbank is van oordeel dat een aantal elementen uit het onderzoek meer aandacht behoeven, voordat zij tot haar conclusie komt.
De verklaring van [verdachte] nader beschouwd
[verdachte] heeft ter zitting aangegeven dat de leenovereenkomsten gebaseerd zijn op onderling vertrouwen tussen hem en zijn zakenpartners. Volgens [verdachte] zijn investeerders altijd bereid een lening te geven bij een project waarop winst wordt verwacht. De rechtbank acht dit zeer ongeloofwaardig, omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een lening voor dergelijk hoge bedragen zal worden verstrekt, enkel op basis van vertrouwen en verwacht rendement. Dit levert immers een onaanvaardbaar hoog risico op voor elk bedrijf. Een professional of particuliere leninggever zal altijd harde cijfers, zekerheden of een eigen inbreng eisen van de leningnemer. De bewering van [verdachte] is ook in tegenspraak met zijn stelling op zitting dat banken in Bosnië en Herzegovina alleen een hypotheek verstrekken bij een onderpand, alsook dat zij zekerheden verlangen, en dat dat de manier is waarop de vastgoedbranche werkt. [verdachte] spreekt zichzelf op dit punt dus tegen.
Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de overeenkomsten
De rechtbank is van oordeel dat ten opzichte van de twee afgesloten overeenkomsten van geldlening tussen [bedrijf] en [rechtspersoon] van € 540.000,- (ten behoeve van de [adres 2] / [adres 3] en [adres 4] / [adres 5] in [plaats 2] ) en € 1.100.000,- (ten behoeve van de [adres 6] in [plaats 2] ), meerdere gebreken vastgesteld kunnen worden.
Ten eerste is van groot belang dat [getuige 1] in zijn verhoor heeft aangegeven dat hij beide geldleenovereenkomsten van [bedrijf] getekend heeft, namens [naam 2] , terwijl zij daar niet bij aanwezig is geweest. [naam 2] heeft in haar verhoor verklaard dat zij de geldleenovereenkomsten nooit gezien heeft en haar handtekeningen niet heeft herkend. De politie heeft de handtekeningen van [naam 2] onder de geldleenovereenkomsten vergeleken met haar handtekening bij de politie en bij het bankwezen. Zij concluderen dat de handtekeningen onder de geldleningen afwijken van de handtekening bij de officiële instanties en derhalve moeten zijn nagemaakt.
De rechtbank onderschrijft de visie van het onderzoeksteam van de politie, inhoudende dat het vermoeden rijst dat de overeenkomsten valselijk zijn opgemaakt. De geldleningen worden immers door een niet daartoe bevoegd persoon verstrekt, die daarvoor gebruik heeft gemaakt van andermans (nagemaakte) handtekening, terwijl degene die daarover hoort te gaan hier geen kennis van draagt. [verdachte] is bij het sluiten van de overeenkomsten aanwezig geweest en het kan niet anders dan dat hij hiervan wel op de hoogte is geweest.
Ten tweede valt op dat van beide geldleenovereenkomsten meerdere versies in omloop zijn. Ten aanzien van de overeenkomst van € 540.000,- zijn versies met een andere lay-out en een andere tekstinhoud beschikbaar, en is één versie niet namens [rechtspersoon] ondertekend. Ten aanzien van de overeenkomst van € 1.100.000,- valt op dat de plaats waar de handtekeningen zijn gezet, alsook het handgeschreven bedrag op de documenten, van elkaar verschillen. De rechtbank gaat er niet vanuit dat dit verschil verklaard kan worden uit dat het conceptversies zouden zijn. Dit is niet door of namens [verdachte] gesteld en is ook niet verder uit het onderzoek gebleken. Ten derde valt niet in te zien waarom bij de leningen, waarvan de looptijd 30 jaar bedraagt, geen rente is bedongen. Dit klemt temeer nu er geen zekerheidstelling overeengekomen is, bijvoorbeeld in de vorm van een hypotheekrecht, een borgstelling of pandrecht. Deze voorwaarden komen ongebruikelijk en onzakelijk op de rechtbank over.
Ten aanzien van de minnelijke overeenkomst is van belang op te merken dat hiervan ook meerdere versies in omloop zijn. Bij vergelijking van de diverse exemplaren van de minnelijke overeenkomst valt op dat zowel de handtekening van de ontvanger op het stempel afwijkt, alsook de handtekening van partij 1 ( [bedrijf] ) alsmede de handtekening van partij 2 ( [rechtspersoon] ). De minnelijke overeenkomst is niet voorzien van een datum. Wanneer [naam 2] wordt geconfronteerd met het document heeft zij wederom verklaard dat zij niet van het bestaan van dit document op de hoogte is en dat zij haar handtekening niet heeft herkend. Volgens [getuige 1] heeft compensatie door terugbetaling niet plaatsgevonden en is op deze minnelijke overeenkomst geen beroep gedaan. Volgens [verdachte] is met dit document beoogd om daarmee in een later stadium, bij een reguliere geldverstrekker, tegen gunstige voorwaarden een hypothecaire lening te kunnen verkrijgen.
TussenconclusieOp basis van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de minnelijke overeenkomst en geldleenovereenkomsten valselijk zijn opgemaakt en/of een juridisch gebrek hebben. De notarissen zijn daardoor van onjuiste informatie voorzien en misleid, waardoor is besloten om de koopovereenkomst te passeren met betrekking tot het vastgoed in [plaats 2] . De verklaring van [verdachte] dat hij er vanuit gegaan is dat alles legaal verlopen is, nu dit via banken en notarissen is gepasseerd, kan geen stand houden. Hij is bij het ondertekenen van de overeenkomsten van geldlening in persoon aanwezig geweest, waardoor hij van de valse informatie en de juridische incompetenties op de hoogte moet zijn geweest. Bovendien heeft hij bekend dat de minnelijke overeenkomst voor een ander doel is opgesteld dan uit de tekst blijkt. Bovendien komt de tekst niet overeen met de werkelijkheid, zo is door [getuige 1] verklaard. [verdachte] moet zich hebben gerealiseerd dat de overeenkomsten niet legaal zijn opgemaakt.
Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de WhatsApp-gesprekken
Uit onderzoek in de telefoon van [getuige 1] blijkt dat hij -via WhatsApp- naar de telefoon van [verdachte] , schermafbeeldingen van bankoverschrijvingen naar de rekening van [notaris 1] heeft gestuurd. [getuige 1] heeft daarmee kennelijk aan hem willen laten zien dat hij het geld van de leningen heeft overgemaakt. Op 11 oktober 2018 stuurt [verdachte] de volgende tekst naar [getuige 1] :
“Ik ha naar Spanje zaterdag en kom volgende week zaterdag terug”en
“Dan als ik terug ben kan ik je weer en geven, ok”.[getuige 1] heeft in reactie hierop de tekst gestuurd:
“is het niet mogelijk vrijdag”en
“het zou heel fijn zijn moest het morgen kunnen”.[verdachte] heeft daarop gereageerd met de tekst:
“kijk op andere”.Verdachte stuurt daarna:
“Dua nu nog 100 tog”.[getuige 1] heeft daarop bevestigend geantwoord.
De rechtbank heeft op basis van deze berichten sterk de indruk dat er eerst een geldstroom heeft plaatsgevonden vanuit de bankrekening van [verdachte] naar de bankrekening van [getuige 1] , waarbij vervolgens [getuige 1] vanuit [bedrijf] geld heeft overgeschreven naar de bankrekening van [notaris 1] .
De rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt wanneer uit de WhatsApp-gesprekken blijkt dat [getuige 1] op 25 oktober 2018 het BNP Paribas Fortis rekeningnummer van [bedrijf] aan [verdachte] heeft opgegeven. Op dit [rekeningnummer] wordt vervolgens, op 29 oktober 2018, in één overschrijving € 280.000 ontvangen. Een nadere omschrijving bij deze transactie ontbreekt. Het bedrag en rekeningnummer komen exact overeen met de gegevens die staan genoemd in een aangetroffen ‘non-disclosure agreement’ tussen [onderneming 1] en [bedrijf] van 25 oktober 2018. Dit betreft dezelfde datum als waarop [verdachte] om het bankrekeningnummer van [bedrijf] heeft gevraagd aan [getuige 1] . De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat [verdachte] de UBO is van [onderneming 1] . Daarbij komt dat [verdachte] aan [getuige 1] te verstaan geeft -op 20 november 2018 via WhatsApp- dat hij de overeenkomst moet stempelen en terug moet sturen voor Slovenië voor de boekhouding aldaar. Dit bericht zou [verdachte] niet hebben gestuurd als hij niet bij [onderneming 1] betrokken is. Op 30 oktober 2018 wordt door [bedrijf] vanaf voornoemd rekeningnummer van BNP Paribas Fortis in totaal € 300.000,- overgemaakt naar de derdengeldenrekening van notariskantoor [notaris 1] met vermelding
‘aankoop [adres 2] / [adres 3] [plaats 2] ’.
De rechtbank leidt uit de WhatsApp-gesprekken af dat verdachte eerst via een Spaanse rekening of via de rekening van [onderneming 1] geld heeft voorgeschoten aan [bedrijf] . Dat geld is meteen daarna via een vermeende lening van [bedrijf] gebruikt voor de aankoop van één van de onroerende zaken via [rechtspersoon] . Deze constructie wordt ook wel omschreven als een typische witwasformule die bekend staat als de loan-back-constructie (in gewoon Nederlands: een lening aan jezelf). Als beloning dat [getuige 1] hieraan heeft meegewerkt is een dure auto door [verdachte] aan [getuige 1] zelf beloofd. Indien sprake zou zijn geweest van een reguliere lening tussen [bedrijf] en [rechtspersoon] zou een dergelijk in het vooruitzicht gesteld cadeau niet logisch zijn. In de overeenkomsten is een dergelijke beloning ook niet opgenomen als tegenprestatie voor de leningen.
Conclusie van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat uit de resultaten van het opsporingsonderzoek is gebleken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het bedrag van € 1.640.000,- waarmee een vijftal panden in [plaats 2] zijn aangekocht, een legale herkomst heeft. De daaraan ten grondslag gelegen overeenkomsten van geldlening en de minnelijke overeenkomst van vereffening zijn aantoonbaar valselijk, onzakelijk en bevatten juridische gebreken. Uit de WhatsApp-gesprekken komt naar voren dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een typische witwasconstructie die getypeerd kan worden als loan-back-constructie. Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank dan ook af dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden, voor de bedragen waarmee de panden zijn aangekocht. [verdachte] heeft hieraan actief bijgedragen door leenovereenkomsten te tekenen, de bankoverschrijvingen te verrichten en vervolgens de koopovereenkomsten te (laten) sluiten. Het witwassen is daarmee wettig en overtuigend bewezenverklaard.
Het verweer van de verdediging moet worden verworpen.
4.3.9
Duiding betrokkenheid rechtspersoon [rechtspersoon]
De rechtbank constateert dat het volgende kan worden vastgesteld over de rechtsvorm van [rechtspersoon] . Het gaat om een vennootschap naar Bosnisch recht met rechtspersoonlijkheid. [rechtspersoon] heeft een statutaire zetel. [verdachte] is als enig aandeelhouder aangemerkt en [naam 1] als bestuurder. De rechtsvorm van [rechtspersoon] lijkt op de Nederlandse rechtspersoon die bekend staat als de Besloten Vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BV). Een dergelijke rechtspersoon kan op grond van artikel 51, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld.
De Hoge Raad heeft in het zogenaamde Drijfmest-arrest aangegeven wanneer een strafbare gedraging aan een rechtspersoon kan worden toegerekend
(vgl. Hoge Raad 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938). Indien de strafbare gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, kan deze worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit. Voor deze toerekening is het van belang of de gedraging heeft plaatsgevonden, dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervoor zijn de concrete omstandigheden van het geval van belang.
Het staat vast dat aandeelhouder en gevolmachtigde [verdachte] de vennootschap, uit hoofde van zijn dienstbetrekking, heeft vertegenwoordigd bij de aankoop van de onroerende zaken aan de [adres 2] / [adres 3] en [adres 4] / [adres 5] in [plaats 2] . Daarnaast is de geldlening van € 540.000,- waarmee deze aankoop is gefinancierd, op zijn initiatief tot stand gekomen en heeft hij zich destijds ook gepresenteerd als eigenaar en bestuurder van [rechtspersoon] . Verder is duidelijk dat de genoemde gedragingen de rechtspersoon dienstig zijn geweest, aangezien zij onroerend goed in [plaats 2] in eigendom heeft verkregen.
De rechtbank concludeert op basis van hetgeen hiervoor is overwogen dat [verdachte] , zowel als natuurlijk persoon als in zijn rol van vertegenwoordiger van de Bosnische vennootschap, wetenschap moet hebben gehad dat [rechtspersoon] het onroerend goed niet op legale wijze heeft verworven en voorhanden heeft. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat [rechtspersoon] (buiten het verwerven van het onroerend goed en het ontvangen van de bedragen van [bedrijf] ) geen economische activiteiten heeft ontplooid of inkomsten heeft gegenereerd. De gedragingen van [verdachte] kunnen op grond van de in het Drijfmest-arrest genoemde criteria tevens aan de rechtspersoon [rechtspersoon] worden toegerekend, zodat zij ook als dader kan worden aangemerkt.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
tezamen en in vereniging met een of meer anderen in de periode 22 september 2018 tot en met 18 mei 2020 in Nederland en/of Spanje en/of België en/of Bosnië en Herzegovina,
- het onroerend goed, gelegen in [plaats 2] aan de adressen [adres 2] , [adres 2] [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] en
- een geldbedrag van 540.000,00 EURO en
- het onroerend goed, gelegen in [plaats 2] aan [adres 6] en
- een geldbedrag van 1.100.000,00 EURO
heeft verworven, voorhanden gehad en/of omgezet en/of van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt en/of de herkomst heeft verhuld
terwijl zij wist dat deze voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen, naast de verbeurdverklaring van de betreffende panden, een geldboete van € 50.000,-, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht, bij een veroordeling, om geen andere straf of maatregel op te leggen dan een verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen onroerend goed.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
StrafmaatoverwegingenVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen. Er is onroerend goed en een bedrag van € 1.640.000,- met crimineel geld bekostigd. De rechtspersoon heeft onderdeel uitgemaakt van een geraffineerde constructie die is opgezet om het witwassen mogelijk te maken. Er zijn dekmantelorganisaties opgetuigd en transactiestromen gecreëerd door buitenlandse (nep)bedrijven. Er zijn vervalste overeenkomsten ingebracht en katvangers of stromannen ingezet. Dit is allemaal in functie geweest van financiële genoegdoening. De samenleving als zodanig lijdt hierdoor schade. Witwassen is immers een ondermijnende vorm van criminaliteit en leidt tot een ontwrichting van het economisch en financieel maatschappelijk verkeer. Het witwassen heeft plaatsgevonden in de vastgoedbranche. De aanschaf van panden met misdaadgeld drijft de vastgoedprijzen op. Daarnaast zijn een notariskantoor en banken misleid. Dit zijn bij uitstek organisaties waar mensen het vertrouwen in stellen om hun financiële zaken te behartigen, waarbij zij erop moeten kunnen rekenen dat de criminaliteit zijn weg hierin niet zal vinden. Verdachte heeft het tegendeel bewezen.
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] gedurende het politieverhoor en op het onderzoek ter zitting een verklaring heeft afgelegd en de rol van de vennootschap nader heeft geduid. Deze verklaring heeft er echter niet aan bijgedragen dat de tenlastegelegde verdenking er minder op geworden is. Er is niet naar waarheid verklaard en er is, tegen beter weten in, geprobeerd om met valse documenten een legale onderbouwing voor het vermogen te geven. De rechtbank beschouwt dit als een kwalijke gang van zaken en rekent dit de betrokken vertegenwoordiging van [rechtspersoon] aan.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat acht geslagen op de straffen die plegen te worden opgelegd in vergelijkbare gevallen. Daarnaast is rekening gehouden met het feit dat de rechtspersoon onbekend is in de Justitiële Documentatie van Nederland. Het is verder van belang te onderstrepen dat de rechtspersoon een aanzienlijk voordeel heeft genoten ten opzichte van andere reguliere bedrijven. Er zijn namelijk, zonder legale bron van inkomsten en zonder hypotheeklast, panden bemachtigd nabij het centrum van [plaats 2] . Deze panden zijn in gebruik als huurappartementen en als woonboerderij. De panden zelf zijn in waarde gestegen. [rechtspersoon] heeft ook huurinkomsten ontvangen die door de huurders van de appartementen is betaald. Dit rechtvaardigt voor de rechtbank een stevige financiële straf, te weten een geldboete in onvoorwaardelijke vorm.
Redelijke termijnDe rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht, waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter zitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van verdachte en/of verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] op 18 mei 2020 is aangehouden, in verzekering is gesteld en drie dagen later voor het eerst als verdachte is verhoord. Op dat moment is hij ook geconfronteerd met de verdenking tegen de rechtspersoon. De redelijke termijn heeft dus op 18 mei 2020 aanvang genomen. Er zijn volgens de rechtbank bijzondere omstandigheden aanwijsbaar, die ertoe leiden dat niet binnen twee jaar een einduitspraak is gevolgd. Er is sprake van een ingewikkeld procesverloop door de internationale component in dit onderzoek. Er zijn rechtshulpverzoeken uitgevaardigd, dossiers overgedragen uit het buitenland en er hebben internationale getuigenverhoren plaatsgevonden. De berechting in onderhavige strafzaak heeft hierdoor vertraging opgelopen. Dit rechtvaardigt een uitbreiding van de termijn van twee jaar, waarbinnen strafzaken gerechtelijk moeten zijn afgedaan, met één jaar tot 18 mei 2023. De rechtbank zal op 16 juli 2026 het strafrechtelijk onderzoek sluiten en einduitspraak doen. De redelijke termijn is daardoor overschreden met meer dan drie jaar. De rechtbank is van oordeel dat het één en ander tot gevolg moet hebben dat 10% in mindering wordt gebracht op de beoogd op te leggen straf.
StrafopleggingDe rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat een onvoorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 40.000,- passend en geboden is. De rechtbank heeft daarbij tevens rekening gehouden met de bijkomende straf van verbeurdverklaring zoals hierna overwogen. Als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken zal een geldboete van € 36.000,- worden opgelegd. De rechtbank acht het gelet op de ernst van het feit niet opportuun om de straf slechts in voorwaardelijke vorm op te leggen, dan wel te volstaan zonder een straf of maatregel, zoals door de procespartijen is verzocht.

7.Het beslag

Het Openbaar Ministerie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van de inbeslaggenomen voorwerpen. De verdediging heeft verzocht tot een teruggave van het beslagene aan verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat de hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van witwassen. De onroerende goederen zijn de witwasobjecten. Het onroerend goed is verdachte gaan toebehoren en zijn aldus voorwerpen met betrekking tot welk het bewezenverklaarde feit is begaan.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 33, 33a, 47, 51, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
veroordeelt verdachte tot
betaling van een geldboete van € 36.000,-;
Beslag
- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
* het onroerend registergoed [adres 2] / [adres 3] in [plaats 2] (geen kenmerk);
* het onroerend registergoed [adres 4] / [adres 5] in [plaats 2] (geen kenmerk);
* het onroerend registergoed [adres 6] in [plaats 2] (geen kenmerk).
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Kralingen, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Admiraal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 juli 2026.

10.Bijlage I

De tenlastelegging
zij, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode 22 september 2018 tot en met 18 mei 2020 te [plaats 2] , althans in Nederland en/of Spanje en/of België en/of Bosnië en Herzegovina,
- het onroerend goed, gelegen in [plaats 2] aan de adressen [adres 2] , [adres 2] [adres 3] , [adres 4] en/of [adres 5] en/of,
- een geldbedrag van (ongeveer) 540.000,00 EURO en/of
- het onroerend goed, gelegen in [plaats 2] aan het adres [adres 6] en/of
- een geldbedrag van (ongeveer) 1.100.00,00 EURO
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van dit/die voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt en/of
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had,
terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig misdrijf;
(artikel 47 jo Pro. artikel 420bis jo. artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht)