ECLI:NL:RBZWB:2026:6413

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/479 en 25/480
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 4:126 AwbArt. 8:3 AwbArt. 6:15 AwbArt. 7:1 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank onbevoegd voor schadevergoeding wateroverlast Sluiskil

Verzoekers, eigenaren van woningen in Sluiskil, vorderden schadevergoeding van de gemeente Terneuzen wegens grond- en hemelwateroverlast. Zij baseerden hun verzoeken primair op artikel 8:88 Awb Pro (schade door onrechtmatig besluit) en subsidiair op artikel 4:126 Awb Pro (nadeelcompensatie).

De rechtbank oordeelde dat de Water- en rioleringsplannen beleidsdocumenten zijn waartegen geen beroep openstaat, zodat artikel 8:88 Awb Pro niet van toepassing is. Verzoekers konden niet duidelijk maken welk onrechtmatig besluit de schade veroorzaakte. Voor het verzoek op grond van artikel 4:126 Awb Pro geldt dat eerst bezwaar moet worden gemaakt bij het bestuursorgaan, wat niet is gebeurd. De rechtbank is daarom onbevoegd om kennis te nemen van de verzoeken.

De rechtbank besloot het betaalde griffierecht terug te betalen en wees proceskostenveroordeling af. Verzoekers wordt geadviseerd bezwaar te maken bij het college alvorens beroep in te stellen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 14 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de verzoeken om schadevergoeding wegens wateroverlast en wijst de procedure af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/479 en 25/480

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaken tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. drs. H.M.G. van den Dool),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Cremer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over verzoeken om schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken om schadevergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaken, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Verzoekers hebben de rechtbank verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij hebben geleden als gevolg van de wateroverlast in [plaats] .
2.1.
Het college heeft op de verzoekschriften gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft de verzoeken op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker [verzoeker 1] , bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van het college, vergezeld door [persoon] .
Feiten
3. [verzoeker 1] is eigenaar van en woont aan de [adres 1] . [verzoeker 2] is eigenaar van en woont aan de [adres 2] . Verzoekers hebben beiden te maken met grond- en/of hemelwateroverlast in hun woning.
3.1.
In brieven van 7 maart 2024 hebben verzoekers het college verzocht om de schade die zij hebben geleden als gevolg van de wateroverlast te vergoeden. Volgens verzoekers heeft het college bij de vaststelling van het Water- en rioleringsplan 2019-2023 en voorgaande waterplannen onvoldoende rekening gehouden met de specifieke situatie van hun woningen ten aanzien van de afvoer van grond- en hemelwater. Primair baseren verzoekers hun verzoek om schadevergoeding op artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Subsidiair baseren zij hun verzoek op artikel 4:126 van Pro de Awb.
3.2.
Met brieven van 30 april 2024, verzonden op 1 mei 2024, heeft het college de verzoeken om schadevergoeding van verzoekers afgewezen.
Het college heeft aangegeven dat artikel 8:88 van Pro de Awb niet van toepassing is, nu de daarin genoemde schadeoorzaken zich niet voordoen. Ook artikel 4:126 van Pro de Awb is volgens het college niet van toepassing, omdat de gestelde schadeoorzaak dateert van vóór
1 januari 2024, zodat op grond van het overgangsrecht het oude recht van toepassing is.
Het college heeft het verzoek daarom opgevat als een verzoek als bedoeld in artikel 7:14, eerste lid van de Waterwet. Omdat volgens het college geen sprake is van causaal verband tussen de schade en het besluit tot vaststelling van het Water- en rioleringsplan 2019-2023, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om schadevergoeding ook op die grondslag niet kan worden toegekend.
Gronden
4. Verzoekers stellen dat zij schade lijden als gevolg van de grond- en/of hemelwateroverlast in [plaats] en dat het college die schade moet vergoeden. Zij baseren zich ook in deze procedure bij de rechtbank primair op artikel 8:88 van Pro de Awb en subsidiair op artikel 4:126 van Pro de Awb.
4.1.
Verzoekers stellen dat sprake is van onrechtmatig overheidshandelen, omdat het college bij de vaststelling van het Water- en rioleringsplan 2019-2023 en voorgaande waterplannen onvoldoende rekening heeft gehouden met de specifieke situatie van hun woningen ten aanzien van de afvoer van grond- en hemelwater.
4.2.
Voor zover de Water- en rioleringsplannen als rechtmatige besluiten moeten worden aangemerkt, stellen verzoekers dat zij als gevolg daarvan schade hebben geleden die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico, zodat zij aanspraak kunnen maken op nadeelcompensatie.
4.3.
Uit rapporten van Wareco Ingenieurs van 9 november 2017 en Tauw-Aveco de Bondt-Deltares van 20 januari 2023 blijkt volgens verzoekers dat het college verantwoordelijk is voor hun schade en dat deze schade niet alleen is toe te rekenen aan de staat van hun woning, zoals wethouder Van Hulle volgens verzoekers steeds heeft beweerd, maar dat daar ook andere factoren een rol spelen. Verzoekers wijzen er daarbij op dat uit de Kaderbrief 2024-2027 blijkt dat er substantiële bedragen zijn uitgetrokken door de gemeente Terneuzen voor de aanpak van de wateroverlast in [plaats] .

Beoordeling door de rechtbank

Schadevergoeding middels zelfstandige verzoekschriftprocedure (titel 8.4 Awb)
5. Op grond van artikel 8:88, eerste lid van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van (onder andere) een onrechtmatig besluit.
5.1.
Tijdens de zitting is namens verzoekers gesteld dat de oorzaak van de wateroverlast is gelegen in het dempen van een wel (een soort sloot) achter hun huizen in de jaren tachtig, om daar vervolgens de grond twee meter op te hogen en bungalows te bouwen. Het college heeft volgens verzoekers ten onrechte nagelaten om vooraf onderzoek te laten doen naar de invloed van deze ingrepen op de grondwaterspiegel en om hydrologische maatregelen te treffen om schade te voorkomen.
5.2.
De rechtbank overweegt dat om een beroep te kunnen doen op artikel 8:88 van Pro de Awb sprake moet zijn van een onrechtmatig besluit. Verzoekers hebben desgevraagd niet duidelijk kunnen maken wat in dit geval volgens hen het onrechtmatige bestuursrechtelijke besluit is dat de schade heeft veroorzaakt.
5.3.
Voor zover verzoekers hebben aangevoerd dat het Water- en rioleringsplan 2019-2023 en de daaraan voorafgaande waterplannen onrechtmatig zijn jegens hen, geldt dat dit naar het oordeel van de rechtbank beleidsdocumenten zijn, waartegen op grond van artikel 8:3, eerste lid van de Awb geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. Op grond van het tweede lid van artikel 8:88 van Pro de Awb is de zelfstandige verzoekschriftprocedure niet van toepassing op schade die het gevolg is van een besluit waartegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.
5.4.
Dat sprake is van een van de andere in artikel 8:88, eerste lid van de Awb genoemde schadeoorzaken is ook niet gesteld of gebleken.
5.5.
De rechtbank concludeert dat verzoekers geen van de in artikel 8:88 van Pro de Awb genoemde schadeoorzaken ten grondslag hebben gelegd aan hun verzoeken, zodat de rechtbank onbevoegd is om te oordelen over de verzoeken om schadevergoeding op grond van dit artikel. [1]
Nadeelcompensatie (titel 4.5 Awb)
6. Op grond van artikel 4:126, eerste lid van de Awb geldt dat als een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, het bestuursorgaan de benadeelde desgevraagd een vergoeding toekent.
6.1.
Artikel 4:126 van Pro de Awb geeft het
bestuursorgaande bevoegdheid om te beslissen op een verzoek tot nadeelcompensatie. De
rechtbankheeft dus geen rechtstreekse bevoegdheid om te oordelen over schade als gevolg van de rechtmatige uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. Verzoekers hebben op 7 maart 2024 bij het college een beroep gedaan op artikel 4:126 van Pro de Awb. Met de brieven van 30 april 2024 heeft het college op die verzoeken gereageerd. Deze brieven bevatten weliswaar geen bezwaarclausule, maar zijn wel te beschouwen als een besluit op de verzoeken. Dit besluit houdt in dat de verzoeken worden afgewezen. Dit zijn besluiten als bedoeld in artikel 1:3 eerste Pro lid van de Awb, waartegen bezwaar mogelijk is. De rechtbank stelt vast dat geen bezwaar is gemaakt bij het college, maar dat er wel beroep is ingediend bij de rechtbank. Deze beroepen moeten naar het oordeel van de rechtbank dan ook, voor zover deze zien op het verzoek om nadeelcompensatie als bedoeld in artikel 4:126 van Pro de Awb, door de rechtbank worden doorgezonden naar het college om in behandeling te worden genomen als bezwaarschrift. Dat volgt uit artikel 6:15 van Pro de Awb. De vraag of het bezwaar tijdig is ingediend, moet door het college worden beoordeeld. Hierbij geeft de rechtbank het college in overweging om daarbij in aanmerking te nemen dat in de brieven van 30 april 2024 geen bezwaarclausule is opgenomen en dat verzoekers tijdens de zitting hebben toegelicht dat zij niet wisten dat er bezwaar tegen de besluiten mogelijk was.
6.2.
Omdat het college eerst zal moeten beslissen op de bezwaren van verzoekers, is de rechtbank ook in zoverre onbevoegd om kennis te nemen van de verzoeken om schadevergoeding. Dat eerst bezwaar moet worden gemaakt voordat beroep mogelijk is, volgt uit artikel 7:1 van Pro de Awb.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken om schadevergoeding van verzoekers, zowel voor zover die zijn gebaseerd op artikel 8:88 van Pro de Awb als op artikel 4:126 van Pro de Awb.
7.1.
Omdat de bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van de verzoekschriften, zal het door verzoekers betaalde griffierecht door de griffier aan hen wordt terugbetaald. [2]
7.2.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart zich onbevoegd;
  • bepaalt dat het door verzoekers betaalde griffierecht van twee maal € 194,- door de griffier aan hen wordt terugbetaald.
Deze uitspraak is op 14 juli 2026 gedaan door mr. S. Hindriks, voorzitter, en mr. A.G.J.M. de Weert en mr. M.G.J. Maas-Cooymans, leden, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 1:3, eerste lid Awb

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 6:15, eerste en tweede lid Awb

1. Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde bestuursrechter, wordt het, onder vermelding van de datum van ontvangst, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd.

Artikel 7:1, eerste lid Awb

1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij:
a. het besluit in bezwaar of in administratief beroep is genomen,
b. het besluit aan goedkeuring is onderworpen,
c. het besluit een goedkeuring of een weigering daarvan inhoudt,
d. het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4,
e. het besluit is genomen op basis van een uitspraak waarin de bestuursrechter met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onderdeel a, heeft bepaald dat afdeling 3.4 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft,
f. het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit,
g. het besluit is genomen op grond van een voorschrift als genoemd in de bij deze wet behorende Regeling rechtstreeks beroep dan wel het besluit anderszins in die regeling is omschreven.

Artikel 8:3, eerste lid Awb

1. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit:
a. inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel,
b. inhoudende de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel,
c. inhoudende de goedkeuring van een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel of de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel.

Artikel 8:88 Awb Pro

1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
het niet tijdig nemen van een besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd.

Artikel 4:126 van Pro de Awb (geldend vanaf 01-01-2024)

1. Indien een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, kent het bestuursorgaan de benadeelde desgevraagd een vergoeding toe.
2. Schade blijft in elk geval voor rekening van de aanvrager voor zover:
a. hij het risico van het ontstaan van de schade heeft aanvaard;
b. hij de schade had kunnen beperken door binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen, die tot voorkoming of vermindering van de schade hadden kunnen leiden;
c. de schade anderszins het gevolg is van een omstandigheid die aan de aanvrager kan worden toegerekend of
d. de vergoeding van de schade anderszins is verzekerd.
3. Indien een schadeveroorzakende gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid tevens voordeel voor de benadeelde heeft opgeleverd, wordt dit bij de vaststelling van de te vergoeden schade in aanmerking genomen.
4. Het bestuursorgaan kan een vergoeding toekennen in andere vorm dan betaling van een geldsom.

Voetnoten

1.Centrale Raad van Beroep 22 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2242 (r.o. 4.2) en Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1049 (r.o. 4).
2.Artikel 2.5, zevende lid van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken juli 2026.