ECLI:NL:RBZWB:2026:6393

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/02/447860/ KG ZA 26-229 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Stoof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs onrechtmatige gevaarzetting door overvliegende hockeyballen

Eiser woont naast het hoofdveld van de hockeyclub en klaagt over regelmatige overvliegende hockeyballen die in zijn tuin en op zijn woning terechtkomen, wat volgens hem een gevaarzettende situatie oplevert. Hij vordert een ordemaatregel die het gebruik van de zuidelijke helft van het hoofdveld beperkt.

De rechtbank beoordeelt in kort geding of het waarschijnlijk is dat eiser in een bodemprocedure gelijk krijgt. Hoewel het spoedeisend belang wordt erkend, is het bewijs van eiser onvoldoende. Hij baseert zich op een zelf opgesteld Excel-overzicht en foto's, maar zonder controleerbare toelichting en zonder melding van schade aan de hockeyclub.

De hockeyclub betwist dat ballen op het perceel van eiser terechtkomen en wijst op afstand, inrichting, toezicht en genomen voorzorgsmaatregelen. De rechtbank oordeelt dat nader feitenonderzoek nodig is om vast te stellen of gevaarzetting plaatsvindt, wat in kort geding niet mogelijk is.

Daarom wordt de vordering afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het voorlopige karakter van kort geding en het belang van gedegen bewijs in de bodemprocedure.

Uitkomst: De vordering tot beperking van het gebruik van het hockeyveld wegens gevaarzetting door overvliegende hockeyballen wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van onrechtmatig handelen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/447860 / KG ZA 26-229
Vonnis in kort geding van 9 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. R.H.U. Keizer,
tegen
[gedaagde partij],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. B.J.P.G. Roozendaal en mr. N. Boulhrir

1.De zaak in het kort

1.1.
[eisende partij] woont naast het sportpark waarop de hockeyvelden van [gedaagde partij] zijn gelegen. Zijn woning bevindt zich naast het hoofdveld. [eisende partij] stelt dat [gedaagde partij] jegens hem onrechtmatig handelt doordat er met regelmaat hockeyballen in zijn tuin en op zijn woning terechtkomen, zodat er sprake is van een gevaarzettende situatie. Hij vordert daarom een ordemaatregel die ziet op een beperkt gebruik van de zuidelijke helft van het hoofdveld.
De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. Die beslissing wordt hierna toegelicht.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 12,
- de aanvullende producties 13 t/m 17 van [eisende partij] ,
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 5,
- de mondelinge behandeling van 25 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van [eisende partij] ,
- de spreekaantekeningen van [gedaagde partij] .

3.De feiten

3.1.
[eisende partij] is sinds 1986 eigenaar en bewoner van de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). De woning ligt naast het [sportpark] ,
3.2.
[gedaagde partij] is sinds haar oprichting in 1931 gevestigd op het [sportpark] .
3.3.
De woning en achtertuin van [eisende partij] liggen gedeeltelijk naast en schuin achter het hoofdveld van [gedaagde partij] . Tussen het hoofdveld en de tuin van [eisende partij] bevinden zich een laag ijzeren hekwerk, een voetpad, een groenstrook, een heg van ca 3.00 tot 4,50 meter hoog en een schutting.
Ten zuiden van het hoofdveld ligt het perceel van eetgelegenheid [horecagelegenheid] (hierna: [horecagelegenheid] ). De situatie blijkt uit onderstaande foto.
3.4.
De schutting staat op het perceel van [eisende partij] op een afstand van ca 11 meter van het hoofdveld. De afstand tussen het hoofdveld en de woning van [eisende partij] is circa 21 meter. De dichtstbijzijnde goal op het hoofdveld staat op circa 40 meter afstand van de tuin van [eisende partij] en op circa 50 meter afstand van zijn woning.
3.5.
Op 4 december 2024 heeft een overleg plaatsgevonden tussen [gedaagde partij] en omwonenden van het sportpark, waaronder de exploitanten van [horecagelegenheid] en [eisende partij] (namens [vereniging] ). In dit overleg zijn problemen met overvliegende ballen besproken [1] . Daarbij is onder meer afgesproken dat door [gedaagde partij] (tijdelijk) beperkende voorzorgsmaatregelen worden genomen om het risico van overvliegende ballen te verminderen, en dat het gebruik van het veld zal worden gemonitord.
3.6.
Vervolgens heeft correspondentie plaatsgevonden tussen (de rechtsbijstand-verzekeraar van) [horecagelegenheid] en [eisende partij] en het bestuur van [gedaagde partij] . [2]
Hierin heeft [gedaagde partij] onder meer aangegeven welke (tijdelijke) maatregelen zij heeft genomen. [eisende partij] vond dat de maatregelen onvoldoende werden gehandhaafd en heeft daarop aan [gedaagde partij] een aangepast trainingsschema gestuurd waarbij de zuidelijke helft van het hoofdveld naast de woning en tuin van [eisende partij] kan worden ontzien.
3.7.
Bij brief van 30 april 2026 [3] heeft de advocaat van [eisende partij] aan [gedaagde partij] geschreven dat zij onvoldoende tegemoet is gekomen aan de (veiligheidsbelangen) van [eisende partij] , nu zij weigert het trainingsschema aan te passen aan het voorstel van [eisende partij] . Bij deze brief is aan [gedaagde partij] rechtsmaatregelen aangezegd.
3.8.
[gedaagde partij] heeft bij de gemeente Breda een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verhogen van het hekwerk aan de zuidzijde van het hoofdveld. De vergunning is op 11 mei 2026 verleend. [eisende partij] heeft daartegen een pro forma bezwaarschrift ingediend.
Tekst

4.Het geschil

4.1.
[eisende partij] vordert als voorlopige voorziening, samengevat, [gedaagde partij]
te verbieden om de zuidelijke helft van het aangrenzende hockeyveld te gebruiken voor trainingen en oefenwedstrijden en [gedaagde partij] te gebieden om teams die te gast zijn voorafgaand aan competitiewedstrijden te laten opwarmen op de noordelijke helft van het aangrenzende hockeyveld en om teams van [gedaagde partij] die thuis spelen te laten opwarmen op de zuidelijke helft van het aangrenzende hockeyveld, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.
4.2.
[eisende partij] legt aan zijn vordering onrechtmatig handelen door [gedaagde partij] ten grondslag en stelt daartoe het volgende. [gedaagde partij] laat het (zuidelijk deel van) het hoofdveld gebruiken voor trainingen, oefenwedstrijden en het opwarmen van gastteams voorafgaand aan competitiewedstrijden terwijl daarbij de kans reëel is dat hockeyballen in de richting van het woonperceel van [eisende partij] worden geslagen of gescoopt, en in zijn achtertuin en/of op het achterdak van zijn woning terecht komen. Hierdoor is sprake van een gevaarzettende situatie want [eisende partij] is in zijn tuin niet alert op het gevaar van overvliegende hockeyballen, zodat de gevolgen daarvan ernstig kunnen zijn. Bovendien is de afgelopen jaren het gebruik van het hoofdveld behoorlijk geïntensiveerd en is het toezicht afgenomen, waardoor steeds meer ballen over het hekwerk vliegen. Verhoging van het hekwerk biedt voor [eisende partij] geen oplossing omdat dit alleen geldt voor de zuidkant van het hoofdveld. De gevaarzettende situatie kan door [gedaagde partij] worden voorkomen omdat het trainingsschema onbezwaarlijk kan worden aangepast, zoals door [eisende partij] is uitgewerkt. Nu [gedaagde partij] dat weigert handelt zij in strijd met hetgeen volgens de ongeschreven regels in het maatschappelijk verkeer betaamt.
4.3.
Volgens [gedaagde partij] is er van onrechtmatig handelen jegens [eisende partij] geen sprake. Zij betwist dat er vanaf het hoofdveld hockeyballen in de tuin van [eisende partij] terechtkomen en dat is volgens haar ook niet aannemelijk. Bovendien heeft zij aan haar maatschappelijke zorgplicht voldaan door in afwachting van de plaatsing van het hogere hekwerk voorzorgsmaatregelen te treffen (aangepaste veldindelingen en trainingsvormen, verplicht toezicht door trainers en het vragen van aandacht voor de situatie bij de leden van de vereniging).

5.De beoordeling

Algemeen kader
5.1.
In een kort geding wordt aan de voorzieningenrechter gevraagd om een (spoed)maatregel te nemen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is vanwege het voorlopige karakter van een kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. In een kort geding beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling of het waarschijnlijk is dat in de bodemprocedure een beslissing zal worden genomen die in het voordeel van de eisende partij zal zijn. Als dat voldoende waarschijnlijk is, kan de maatregel die daarop vooruit loopt, in een kort geding worden toegewezen. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. De beoordeling in dit kort geding is dus een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Spoedeisend belang
5.2.
Een vordering in een kort geding kan bovendien alleen worden toegewezen als de eisende partij daarbij een spoedeisend belang heeft. Hiervan is sprake als er onmiddellijke maatregelen nodig zijn en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
5.3.
Hoewel [gedaagde partij] het spoedeisend belang van [eisende partij] heeft betwist, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vordering naar zijn aard spoedeisend is. [eisende partij] vordert namelijk dat er een einde wordt gemaakt aan een onrechtmatige toestand, bestaande uit overvliegende hockeyballen wat leidt tot gevaarzetting.
Onrechtmatig handelen
5.4.
Het is in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en dus onrechtmatig om een ander bloot te stellen aan een groter risico dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord is en waarop een normaal mens bedacht moet zijn. Of iemand meer risico heeft genomen dan redelijkerwijs verantwoord is, moet worden beoordeeld aan de hand van de in de jurisprudentie ontwikkelde gezichtspunten. Leidend daarin is het Kelderluik-arrest van de Hoge Raad. [4] Hieruit volgt dat het antwoord op de vraag of gevaarzetting onrechtmatig is, met name afhangt van de volgende factoren:
  • de mate van waarschijnlijkheid dat anderen niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht nemen,
  • hoe groot de kans is dat daaruit ongevallen ontstaan,
  • hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn, en
  • in hoeverre het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk is.
5.5.
Op grond van het bepaalde in artikel 150 Rv Pro rusten de stelplicht en bewijslast van de gestelde gevaarzettende situatie op [eisende partij] .
5.6.
[eisende partij] voert aan dat hij sinds december 2024 het gebruik van het hoofdveld heeft gemonitord en dat hij als gevolg daarvan in een Excel-bestand heeft bijgehouden wanneer hockeyballen op zijn perceel terecht zijn gekomen [5] . Hieruit blijkt volgens hem dat in 2025 minimaal 10 hockeyballen in op zijn perceel zijn beland. Hij stelt dat er dus sprake is van structureel overvliegende hockeyballen op zijn perceel van zeker 1 per maand. [eisende partij] wijst er op dat uit hetzelfde overzicht volgt dat er in dezelfde periode maar liefst 141 hockeyballen op het perceel van [horecagelegenheid] terecht zijn gekomen. [eisende partij] meent dat hieruit blijkt dat geen sprake is van enkele op zichzelf staande incidenten, maar van het structureel overvliegen van hockeyballen, die klaarblijkelijk ook niet worden tegengehouden door het vijf meter hoge hekwerk dat zich aan de zuidkant van het hoofdveld bevindt. Voorts verwijst [eisende partij] naar het gespreksverslag van 4 december 2024 [6] , het nieuwsbericht van [gedaagde partij] van 10 april 2025 [7] , het nieuwsbericht van [gedaagde partij] van 15 september 2025 [8] en de door [gedaagde partij] overgelegde foto’s van ballen die in de tuin van [eisende partij] zijn aangetroffen [9] .
5.7.
[gedaagde partij] betwist dat er hockeyballen van het hoofdveld overvliegen naar het perceel van [eisende partij] . Zij stelt dat het hoofdveld slechts door een beperkt aantal teams wordt gebruikt voor trainingen en wedstrijden. Er wordt rekening gehouden met de oefeningen, de speelrichting en tijdens de trainingen is altijd een trainer aanwezig. Volgens [gedaagde partij] is het gelet op de feitelijke inrichting ter plaatse ook ongeloofwaardig dat er hockeyballen vanaf het hoofdveld op het achterdak van de woning van [eisende partij] en in zijn tuin zouden belanden. [gedaagde partij] wijst op de afstand tussen het hoofdveld en het perceel van [eisende partij] , de speelrichting en de hoogte van de erfafscheiding van [eisende partij] .
[gedaagde partij] voert aan dat het Excel-document door [eisende partij] zelf is opgesteld en dat enig bewijs van de juistheid daarvan ontbreekt. Bovendien staat in het Excel bestand dat er in 2025 geen 10 maar 6 hockeyballen op het perceel van [eisende partij] zouden zijn beland, verspreid over vier momenten, waarvan twee gelegen in een weekend, wat betekent dat die geen verband kunnen houden met trainingen op het hoofdveld.
Tot 2024 had [gedaagde partij] alleen contact met [eisende partij] over uiteenlopende zaken met betrekking tot de exploitatie van het [sportpark] omdat [eisende partij] voorzitter is van de vereniging “ [vereniging] ”. [eisende partij] woont al veertig jaar in de woning en er is niet eerder sprake geweest van letsel of schade. [eisende partij] heeft dit voor 2024 ook niet eerder kenbaar gemaakt aan [gedaagde partij] . [gedaagde partij] was wel in gesprek met [horecagelegenheid] om maatregelen te nemen ter voorkoming van de hinder. [gedaagde partij] is in verband daarmee voornemens het hekwerk aan de zuidzijde van het hoofdveld te verhogen. Dit voornemen, en de getroffen voorzorgsmaatregelen zoals afgesproken in het overleg van 4 december 2024, houden echter geen erkenning jegens [eisende partij] in. Dit geldt ook voor de nieuwsberichten op de website.
[gedaagde partij] ziet dan ook geen aanleiding om het door [eisende partij] opgestelde trainingsschema te hanteren. Het gedeeltelijk buiten gebruikstellen van het hoofdveld is bezwaarlijk omdat dit een verstrekkende beperking van het reguliere gebruik van de accommodatie betekent, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestaat. Bovendien komen bij de planning meer factoren bij kijken dan waar [eisende partij] rekening mee heeft gehouden en kunnen deze volgend seizoen ook weer veranderen.
5.8.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in het Excel bestand van [eisende partij] staat vermeld dat in 2025 6 ballen op zijn perceel zouden zijn beland. Het bestand is door hemzelf opgemaakt en de juistheid daarvan is niet te controleren. [eisende partij] verwijst ook naar door hem overgelegde foto’s, waarop tientallen ballen te zien zijn. Zonder enige toelichting, die ontbreekt, kan echter niet worden vastgesteld waar en wanneer de ballen zijn aangetroffen en waar en wanneer de betreffende foto’s zijn gemaakt. Dit is vooral belangrijk omdat [eisende partij] ter zitting heeft gesteld dat door hem ook hockeyballen op andere plaatsen in de omgeving van zijn perceel worden geraapt en dat deze ook zijn weergegeven op de foto’s. Ook is niet gebleken dat [eisende partij] op enig moment schade bij [gedaagde partij] heeft gemeld. [eisende partij] stelt weliswaar in 2020/2021 schade te hebben geleden aan zijn auto en caravan als gevolg van overvliegende hockeyballen, maar dit is bij [gedaagde partij] niet bekend en [eisende partij] heeft niets overgelegd waaruit dit blijkt. Overigens wordt vastgesteld dat zelfs als die schade zou zijn geleden inmiddels weer (bijna) vijf jaren zijn verstreken.
5.9.
De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat bij deze stand van zaken en gelet op het verweer van [gedaagde partij] eerst nader feitenonderzoek moet plaatsvinden om vast te stellen of hockeyballen vanuit het hoofdveld van [gedaagde partij] op het perceel van [eisende partij] terecht (kunnen) komen en of daardoor sprake is van gevaarzetting. Zoals onder 5.1 overwogen, is voor een dergelijk nader feitenonderzoek in dit kort geding geen ruimte. De voorzieningenrechter komt hierdoor niet toe aan toetsing van de onder 5.3 genoemde criteria. Dit betekent dat in deze procedure niet aannemelijk is gemaakt dat [gedaagde partij] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] zodat de vorderingen van [eisende partij] moeten worden afgewezen. Een afweging van de belangen van partijen leidt niet tot een ander oordeel.
Proceskosten
5.10.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals
vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.101,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart voormelde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Stoof en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.

Voetnoten

1.Productie 6 bij dagvaarding
2.Producties 7 t/m 10 bij dagvaarding
3.Productie 12 bij dagvaarding
4.HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079
5.Productie 4 bij dagvaarding
6.Productie 6 bij dagvaarding
7.Productie 13 bij dagvaarding
8.Productie 11 bij dagvaarding
9.Productie 17 bij dagvaarding