ECLI:NL:RBZWB:2026:6385

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/1892
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27e AWR
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen conserverende aanslag inkomstenbelasting 2021 en revisierente

Belanghebbende, die in 2021 naar Thailand emigreerde, kreeg een conserverende aanslag IB/PVV opgelegd door de inspecteur vanwege niet-ingediende aangifte. De aanslag betrof pensioenaanspraken bij ABP en PFZW en een lijfrenteverzekering bij RVS. De inspecteur schatte de waarde van deze aanspraken en legde revisierente op.

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag en stelde dat de aanslag onredelijk hoog was omdat de pensioenuitkeringen al waren ingegaan. De inspecteur kwam gedeeltelijk tegemoet door de lijfrenteaanspraak uit de aanslag te verwijderen. De rechtbank oordeelde dat de aanslag gebaseerd was op een redelijke schatting en dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde dat de aanslag onjuist was.

De rechtbank stelde echter vast dat de aanslag te hoog was vastgesteld vanwege de lijfrenteaanspraak en vernietigde de uitspraak op bezwaar. De revisierentebeschikking werd dienovereenkomstig verminderd. Tevens werd bepaald dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden. De procedure richtte zich ook op uitstel van betaling, waarvoor reeds uitstel was verleend.

Uitkomst: Het beroep tegen de conserverende aanslag IB/PVV 2021 en revisierentebeschikking is gegrond verklaard en de aanslag en revisierente zijn verminderd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1892

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (Thailand), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 24 maart 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een conserverende aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (de conserverende aanslag) naar een bedrag van € 133.696. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur revisierente van € 55.685 (de revisierentebeschikking) in rekening gebracht.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende (gedeeltelijk) gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de conserverende aanslag en revisierentebeschikking verminderd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur: mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] Belanghebbende heeft door middel van een digitale beeldverbinding aan de zitting deelgenomen.

Feiten

2. Belanghebbende is per 3 december 2021 geëmigreerd naar Thailand en had op dat moment een pensioenaanspraak bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) en het Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW). Daarnaast heeft belanghebbende in het verleden uitgaven voor inkomensvoorzieningen gedaan ten behoeve van een lijfrenteverzekering bij de Rotterdamse Verzekerings Sociëteit (RVS)
2.1.
Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van een aangifte IB/PVV 2021. Er is geen aangifte door belanghebbende ingediend.
2.2.
Per brieven van 12 januari en 21 april 2024 is aan belanghebbende verzocht informatie aan te leveren in verband met een op te leggen conserverende aanslag voor het
jaar 2021. Belanghebbende heeft niet gereageerd op deze brieven.
2.3.
De inspecteur heeft met dagtekening 12 december 2024 de conserverende aanslag opgelegd, waarin hij de pensioenaanspraken bij het ABP en het PFZW naar een geschatte waarde in het economische verkeer van € 260.843 en de lijfrenteaanspraak bij het RVS naar een geschatte waarde van € 17.585 heeft betrokken.
2.4.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de conserverende aanslag IB/PVV 2021. De inspecteur is gedeeltelijk aan het bezwaar van belanghebbende tegemoetgekomen en heeft de conserverende aanslag berekend over een te conserveren inkomen van € 241.966 (pensioenaanspraken) en € 17.585 (lijfrente). De beschikking revisierente is dienovereenkomstig verminderd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de conserverende aanslag IB/PVV 2021 en de beschikking revisierente terecht en tot de juiste hoogte zijn vastgesteld. De rechtbank doet dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de conserverende aanslag IB/PVV 2021 en de beschikking revisierente terecht maar tot een te hoog bedrag vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

Omkering en verzwaring bewijslast
4. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). [1]
4.1.
De inspecteur stelt dat sprake is van omkering en verzwaring gelet op het verloop van het aangifteproces waarbij er geen aangifte is gedaan over het jaar 2021. Dat is door belanghebbende ook niet betwist. Dit betekent dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Er is daarom sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast.
Redelijke schatting
4.2.
Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de conserverende aanslag onjuist is.
4.3.
Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat belanghebbende niet langer gerechtigd is tot de lijfrenteaanspraak bij de RVS en dat het te conserveren inkomen daarom met € 17.585 dient te worden verminderd. De rechtbank volgt partijen hierin. Het beroep is in zoverre gegrond.
4.4.
De inspecteur is voor wat betreft de schatting van de waarde in het economische verkeer van de pensioenaanspraken bij het ABP en PFZW uitgegaan van de in 2021 ontvangen uitkeringen van deze pensioenfondsen en de leeftijd van belanghebbende. De inspecteur heeft ter onderbouwing van de schatting een overzicht van de in 2021 door het ABP en PFZW uitgekeerde bedragen overgelegd. Gelet op de door de inspecteur geschetste aanknopingspunten acht de rechtbank niet onredelijk dat de inspecteur voor het vaststellen van de conserverende aanslag IB/PVV 2021 aansluiting heeft gezocht bij de in 2021 door de pensioenfondsen uitgekeerde bedragen en de leeftijd van belanghebbende. De conserverende aanslag IB/PVV 2021 is naar het oordeel van de rechtbank gebaseerd op een redelijke, niet willekeurige schatting.
Tegenbewijs
4.5.
Het is aan belanghebbende om te doen blijken dat en in hoeverre de schatting van de inspecteur onjuist is. Belanghebbende stelt dat de conserverende aanslag onredelijk hoog is vastgesteld. Volgens belanghebbende is de uitkering van de pensioenaanspraken al ingegaan en kan er daarom geen sprake meer zijn van een verboden handeling zoals het afkopen van het pensioen. De conserverende aanslag dient daarom volgens belanghebbende te worden vernietigd.
4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met de enkele stelling dat de aanslag tot een onredelijk hoog bedrag is vastgesteld niet aan zijn bewijslast voldaan. Belanghebbende heeft daarvoor geen bewijs geleverd. Dat de uitkering van de pensioenaanspraken al zou zijn ingegaan doet niet af aan de mogelijkheid van de inspecteur om een conserverende aanslag op te leggen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat belangbelanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Dit betekent dat de conserverende aanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
Uitstel van betaling
4.7.
Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat het belang van de procedure met name ziet op het uitstel van betaling van de conserverende aanslag en beschikking revisierente. De inspecteur heeft bevestigd dat momenteel door de ontvanger uitstel van betaling is verleend voor de conserverende aanslag en dat na verloop van tien jaren na het opleggen van de conserverende aanslag om kwijtschelding van de conserverende aanslag en beschikking revisierente kan worden verzocht bij de ontvanger.
Revisierente
4.8.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de revisierentebeschikking. Belanghebbende stelt dat de revisierente nooit kan worden geïnd omdat er geen verboden handeling zoals het afkopen van de pensioenaanspraken kan plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank is de revisierente terecht en tot de juiste hoogte in rekening gebracht nu de conserverende aanslag terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld. De rechtbank vermindert de revisierentebeschikking wel overeenkomstig de vermindering van de conserverende aanslag.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De conserverende aanslag IB/PVV 2021 en de beschikking revisierente zijn tot een te hoog bedrag vastgesteld. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond.
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de conserverende aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 tot een conserverende aanslag berekend naar een te conserveren inkomen van
€ 241.966.
  • vermindert de revisierentebeschikking dienovereenkomstig;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier op 10 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Voetnoten

1.Artikel 27e, eerste lid, van de AWR.