ECLI:NL:RBZWB:2026:6353

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 24/7465
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep omgevingsvergunning bouw drie woningen

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 15 oktober 2024, waarbij een omgevingsvergunning werd verleend voor de bouw van drie woningen. Het beroep richtte zich met name op het behoud van vijf openbare parkeerplaatsen nabij het bouwplan.

Tijdens de zitting op 28 november 2025 heeft het college een nieuwe situatietekening getoond waaruit bleek dat de vijf parkeervakken behouden konden blijven. Het college heeft vervolgens op 20 januari 2026 besloten deze tekening als onderdeel van de omgevingsvergunning toe te voegen. Hierdoor hebben verzoekers hun beroep ingetrokken.

De rechtbank heeft het verzoek van verzoekers om het college te veroordelen in de proceskosten toegewezen, omdat het college geheel aan hun verzoek is tegemoetgekomen. Het college had geen bijzondere omstandigheden aangevoerd om af te wijken van de hoofdregel dat bij gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming proceskosten worden vergoed. De proceskostenvergoeding bedraagt €1.868,- en het college is tevens verplicht het griffierecht van €371,- te vergoeden.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.868,- en het griffierecht van €371,- aan verzoekers.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7465

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] B.V. en anderen, uit [plaats], verzoekers

(gemachtigde: A.H. van Leeuwen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, verweerder.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V. uit [plaats],
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekers om een veroordeling van het college in de door hen gemaakte proceskosten. Verzoekers hebben dit verzoek gedaan bij de intrekking van hun beroep. Dat beroep was gericht tegen het besluit van het college van 15 oktober 2024 over een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van drie woningen aan de [straat] in [plaats]. Verzoekers hebben het beroep ingetrokken omdat het college op 20 januari 2026 het besluit heeft gewijzigd. Het college heeft namelijk aan de verleende omgevingsvergunning een verduidelijkende tekening toegevoegd als onderdeel van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft hierop niet gereageerd.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is het college aan verzoekers tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het college geheel of gedeeltelijk aan verzoekers is tegemoetgekomen.
4.1.
Verzoekers hebben op 1 november 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 15 oktober 2024. Het beroep is op 28 november 2025 op zitting behandeld. Ter zitting is besproken dat het beroep niet zozeer is gericht tegen de bouw van de drie woningen, maar dat het belang van verzoekers met name is gelegen in het behoud van vijf openbare parkeerplaatsen. Ter zitting heeft het college een tekening getoond die is gemaakt nadat de situatie opnieuw is opgemeten. Het college heeft toegelicht dat daaruit blijkt dat de vijf parkeervakken ten zuiden van het bouwplan behouden kunnen blijven. Besproken is ook dat, als het college de nieuwe tekening aan de verleende omgevingsvergunning toevoegt als onderdeel van de omgevingsvergunning, de behandeling van het beroep mogelijk niet hoeft te worden doorgezet. Het college heeft op 20 januari 2026 bevestigd dat het heeft besloten om de op de zitting getoonde situatietekening aan de omgevingsvergunning toe te voegen, als onderdeel uitmakend van de verleende omgevingsvergunning.
4.2.
Ter zitting heeft het college, vooruitlopend op een eventuele intrekking van het beroep, toegelicht dat het niet bereid is om de door verzoekers gemaakte proceskosten te vergoeden, omdat de toegezegde wijziging niet voortkomt uit een geconstateerd gebrek, maar uitsluitend is bedoeld om aan verzoekers tegemoet te komen.
4.3.
Met het toevoegen van de tekening aan het bestreden besluit als onderdeel van de omgevingsvergunning is het college aan verzoekers tegemoetgekomen. De rechtbank ziet daarin reden om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Uitgangspunt is dat bij gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. In wat het college heeft aangevoerd, is geen bijzondere omstandigheid gelegen op grond waarvan hierop een uitzondering moet worden gemaakt. Het gegeven dat onverplicht en bij wege van coulance tegemoet is gekomen, levert in beginsel namelijk niet een dergelijke bijzondere omstandigheid op. [3]
Welk bedrag aan proceskosten moet het college aan verzoekers vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekers krijgen een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van verzoekers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Krijgen verzoekers een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het college verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht van € 371,- te vergoeden. [4] Verzoekers moeten zich hiervoor dan ook tot het college wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 13 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 1 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2491.
4.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.