ECLI:NL:RBZWB:2026:6149

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/792 OPIUMW
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 2 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 8:88 AwbArt. 4:84 Awb
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk tegen sluiting woning op grond van Opiumwet wegens ontbreken procesbelang

Eisers zijn eigenaren van een woning die door de burgemeester voor twee maanden is gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de aanwezigheid van grote hoeveelheden harddrugs en attributen voor drugshandel. Eisers betwisten de sluiting en hebben bezwaar gemaakt, dat door de burgemeester is afgewezen. Vervolgens hebben zij beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat eisers geen actueel en reëel belang hebben bij de uitkomst van de procedure. De woning was reeds gesloten van 24 november 2025 tot 24 januari 2026, waardoor het voorkomen van sluiting niet meer aan de orde is. Daarnaast is niet aannemelijk dat eisers huurinkomsten zijn misgelopen, aangezien de huurovereenkomst met de jongste zoon was beëindigd en geen andere huurder is aangetoond.

Eisers stelden ook een principieel belang bij toetsing van het besluit aan het EU-recht, maar de rechtbank stelt dat dit formele belang onvoldoende is voor procesbelang en dat het besluit niet in strijd is met EU-recht. Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatigheid wordt afgewezen omdat het besluit niet onrechtmatig is en er geen schade is aangetoond.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Eisers krijgen geen vergoeding van griffierecht, proceskosten of schadevergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de sluiting van de woning wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/792 OPIUMW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser](eiser) en
[eiseres], (eiseres), uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de burgemeester van de gemeente Tilburg, de burgemeester

(gemachtigde: mr. W. Muijs).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de sluiting van de woning van eisers op grond van de Opiumwet. Eisers zijn het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eisers niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Procesverloop

2. Eisers zijn eigenaar van de woning aan het [adres] , maar wonen zelf elders.
2.1
Op het adres van deze woning stond [jongste zoon van eisers] , de jongste zoon van eisers, ingeschreven vanaf 28 november 2019 tot 16 april 2025 [1] . Het dossier bevat verder een brief van 10 december 2024 waarmee eisers de huurovereenkomst met hun jongste zoon opzeggen tegen 30 juni 2025. Vanaf 16 april 2025 heeft de oudste zoon van eisers, [oudste zoon van eisers] , op het adres ingeschreven gestaan.
2.2
Uit een bestuurlijke rapportage van 24 juni 2025 blijkt dat de politie op 29 maart 2025, na een melding over de productie en aanwezigheid van drugs, een onderzoek heeft ingesteld in de woning. In de woning werden de volgende middelen in beslag genomen:
- 19.198,96 gram aan XTC-pillen (indicatief 48.425 pillen);
- 150,55 gram cocaine;
- 775,85 gram ketamine;
- 4.029,52 gram amfetamine;
- 997,30 gram MDMA;
- 34,96 gram methamfetamine;
- 50 stuks LSD.
De politie heeft verder een groot aantal dozen, een machine om conservenblikken dicht te persen, verzendlabels, printers en een laptop aangetroffen. Ook heeft de politie een op het dak van de woning aangetroffen man aangehouden, die niet stond ingeschreven op het adres maar na fouillering wel de sleutels van de woning bleek te hebben.
2.3.
Met een brief van 14 juli 2025 heeft de burgemeester aan eisers medegedeeld dat hij voornemens is de woning en het erf aan het [adres] voor vier maanden te sluiten. Eisers hebben een zienswijze tegen het voornemen ingediend.
2.4.
Met een besluit van 24 september 2025 (primair besluit) heeft de burgemeester de woning aan het [adres] voor de duur van twee maanden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
2.5.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Het (aanvullend) bezwaarschrift telt 80 pagina’s, waarvan 75 pagina’s hoofdzakelijk bestaan uit verwijzingen naar Europese rechtspraak. Ook hebben zij de voorzieningenrechter van deze rechtbank gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 18 november 2025 het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. [2]
2.6.
Uit het dossier volgt dat de woning aan het [adres] van
24 november 2025 tot 24 januari 2026 gesloten is geweest.
2.7.
De burgemeester heeft met een besluit van 29 december 2025 (bestreden besluit) het bezwaar van eisers ongegrond verklaard, waarmee de burgemeester dus bij zijn besluit tot sluiting is gebleven. Eisers zijn het ook met het bestreden besluit niet eens en hebben hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Partijen hebben over en weer nog op elkaars stukken gereageerd.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep van eisers op 27 mei 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de burgemeester.
Bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft de burgemeester het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. De burgemeester stelt bevoegd te zijn om tot sluiting van de woning met bijbehorend erf over te gaan. Gelet op de verscheidenheid van de aangetroffen drugs, de hoeveelheid aangetroffen drugs en de aangetroffen attributen kan de aangetroffen drugs niet anders zijn bestemd dan voor de verkoop, aflevering of verstrekking (vermoedelijk per post). De eigenaar van het pand hoeft niet zelf de overtreder te zijn. Het besluit op grond van artikel 13b van de Opiumwet is gericht op het pand en niet op de persoon. De burgemeester stelt dat de sluiting van de woning niet in strijd is met het eigendomsrecht en/of het Unierecht. De tijdelijke inperking van eigendomsrechten is door de formele wetgever mogelijk gemaakt in de Opiumwet. Verder stelt de burgemeester dat de sluiting van de woning een geschikt en noodzakelijk middel is. Er had niet met een minder ingrijpende maatregel kunnen worden volstaan, want er is geen sprake van een geringe overschrijding van de toegestane hoeveelheid drugs. Zowel de persoon die volgens de bestuurlijke rapportage op het dak van de woning werd aangetroffen met de sleutel in bezit als de zoon van eisers die op moment waarop drugs zijn aangetroffen op het adres in de basisregistratie personen stond ingeschreven zijn gekend met de Opiumwet. De afgelopen vijf jaar zijn er 52 uiteenlopende incidenten vastgelegd met betrekking tot de woning, waaronder een aangetroffen hennepkwekerij, heling, gestolen goederen, hondenbijtincidenten en overlast. Het kan haast niet anders dan dat de woning een rol speelt in de keten van drugshandel. De woning is gelegen in een voor drugscriminaliteit kwetsbare omgeving. Een zichtbare sluiting heeft een sterke signaalfunctie, die naast een preventieve werking ook de aantrekkingskracht op andere criminele activiteiten tegengaat. Tijdsverloop maakt niet dat sluiting niet (meer) geschikt en noodzakelijk is. Tussen moment van constateren (29 maart 2025) en het moment van sluiting (24 november 2025) zitten acht maanden. Dit is geen onredelijk tijdsverloop. Er is al langere tijd sprake van recidive, feitelijke handel in of vanuit de woning en bekendheid daarvan in kringen van handelaren en gebruikers van verdovende middelen. Ook de aangetroffen attributen wijzen op drugshandel. De burgemeester acht de sluiting van de woning niet onevenredig. Er is geen sprake van het ontbreken van verwijtbaarheid is. Gelet op de voorgeschiedenis (hennepkwekerij in de woning in 2021) lag het op de weg van eisers om meer controles uit te voeren dan wel toezicht te houden op het gebruik van de woning. Een sluiting van twee maanden is niet onevenwichtig in verhouding tot de mate van verwijtbaarheid. Bovendien paste op grond van beleid een sluiting van vier maanden bij deze tweede constatering, maar heeft de burgemeester, gelet op het tijdverloop en het feit dat eisers hun constatering bij de politie hebben gemeld, de sluiting verkort naar twee maanden. De oudste zoon van eisers heeft geen zienswijze ingediend en van bijzondere binding met de woning is niet gebleken. Bovendien staat niet vast dat de oudste zoon daadwerkelijk in de woning woonde en was hij geen partij in de bezwaarprocedure. De gevolgen voor eisers zijn enkel van financiële aard. Zij hebben niet onderbouwd dat zij maandelijks € 800,- aan huurinkomsten mislopen door de sluiting. Ook is niet gebleken dat eisers door de sluiting in financiële nood komen of dat de woning door de sluiting niet zou kunnen worden verkocht. De gevolgen van de sluiting zijn dus niet onevenredig. De last onder bestuursdwang – de woningsluiting – is een herstelsanctie en dus niet opgelegd om te straffen. Nu er terecht een last onder bestuursdwang is opgelegd, is de burgemeester geen schadevergoeding aan eisers verschuldigd.
Standpunten van partijen
4. Eisers hebben in beroep in de kern aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het Europees recht en dat hun eigendomsrecht is geschonden. Eisers hebben, bij monde van hun gemachtigde ter zitting, gesteld dat deze beroepsprocedure wordt gevoerd om later bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te kunnen gaan procederen en dat zij geen nationale (voorzieningen)rechter zijn tegengekomen die het Europees recht respecteert. Volgens eisers blijft procesbelang te allen tijde bestaan bij het negeren van EU-rechtspraak en onrechtmatige rechtspraak. Hierbij verwijzen eisers naar een groot aantal Europeesrechtelijke uitspraken, waaruit volgens eisers volgt dat de nationale wetgeving discriminatoir is. Zij moesten op basis van onrechtmatige wetgeving het vrije eigendomsrecht op dwangmatige wijze afstaan en discriminerende nationale wetgeving mag niet tegen een burger worden ingezet. Eisers achten de gehele afsluiting van het pand onrechtmatig. De burgemeester heeft bovendien niet alle 52 incidenten die in/bij de woning zouden hebben plaatsgevonden vermeld in het besluit, wat wel had gemoeten. Ook was er geen bewijs voor het verhandelen van de gevonden goederen (drugs). Dat het sluiten van een woning met bijbehorend erf als een geschikt middel mag worden gezien, doet niet ter zake. De woning was al eerder met een bord/sticker gesloten en gereinigd van alle misstanden. Ook ontbreekt functioneel daderschap, waardoor mag worden gesproken van een bestraffende maatregel. De sluiting van de woning had direct bij het aantreffen van de drugs in maart 2025 moeten plaatsvinden en niet pas in november 2025. Gezien het tijdsverloop tussen het reinigen en het sluiten van de woning, legde het bestreden besluit een onevenredige last op eisers. Eisers hebben ook verwezen naar het recht om gehoord te worden, waarbij een pleitnota niet mag worden geweigerd op grond van EU-rechtspraak. Eisers verzoeken de rechtbank om de burgemeester te veroordelen tot compensatie van gemiste huurpenningen gedurende twee maanden óf tot een schadevergoeding van € 5.150,- per dag waarvan eisers het recht uit verschillende wet- en regelgeving [3] afleiden zolang de nationale wet parallel loopt met de EU-rechtsregels.
5. De burgemeester heeft in beroep primair bestreden dat eisers procesbelang hebben. Verder is hij gebleven bij het bestreden besluit en heeft aan de hand van de motivering in het bestreden besluit en in een reactie op de beroepsgronden aangevoerd dat hij bevoegd was om de woning met bijbehorend erf te sluiten. Het bestreden besluit is niet genomen op basis van discriminerende wetgeving. Anders dan eisers hebben aangevoerd, speelt in dit soort zaken de vraag of iemand als functioneel dader kan worden gezien geen rol. De sluiting van de woning met bijbehorend erf is niet in strijd met het eigendomsrecht en/of het Unierecht. Bovendien was de sluiting een geschikt en noodzakelijk middel en maakt tijdsverloop niet dat dit anders is. Tot slot is de sluiting van de woning niet onevenredig.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
6. Op basis van het dossier en wat met partijen is besproken ter zitting ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of er hier (nog) sprake is van procesbelang. Deze vraag beantwoord de rechtbank ontkennend. Hierna leg de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat hiervan de gevolgen zijn.
7. Procesbelang is het belang dat een eiser heeft bij de uitkomst van een procedure. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [4] heeft een partij procesbelang bij een oordeel over zijn beroep als komt vast te staan dat die partij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk. Daarbij gaat het erom of het doel dat de eiser voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft degene die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
8. De rechtbank overweegt dat bij een woningsluiting het procesbelang erin zou kunnen zijn gelegen om de sluiting te voorkomen. In dit geval is de woning aan het [adres] van 24 november 2025 tot 24 januari 2026 gesloten geweest. Daarom kan in dit punt geen procesbelang zijn gelegen voor eisers.
9. Een andere mogelijke reden om procesbelang aan te kunnen nemen kan zijn het mislopen van huurinkomsten door de woningsluiting. In dit geval acht de rechtbank niet aannemelijk dat er ten tijde van de woningsluiting sprake was van een huursituatie op grond waarvan eisers als verhuurder huurinkomsten hebben misgelopen. Hoewel eisers in beroep zonder enige onderbouwing hebben gesteld dat zij € 800,- per maand aan huurinkomsten zijn misgelopen, volgt uit het dossier dat de huurovereenkomst tussen eisers als verhuurder en hun jongste zoon als huurder al ruim voor de woningsluiting was beëindigd, namelijk per 1 juli 2025 en dat hij al geruime tijd daarvoor was uitgeschreven van het adres. Eisers hebben geen huurovereenkomst of ander bewijsstuk overgelegd waaruit volgt dat er sprake was van een andere huurder, zoals bijvoorbeeld de oudste zoon, waardoor eisers als gevolg van de woningsluiting eventuele huurinkomsten zouden zijn misgelopen. De burgemeester heeft aan de oudste zoon heeft ook het voornemen en het besluit tot sluiting aan de oudste zoon toegezonden, maar hij heeft hier nimmer op gereageerd. Daarom kan ook hierin geen procesbelang zijn gelegen voor eisers.
10. Eisers hebben bij monde van hun gemachtigde eerst ter zitting gesteld dat procesbelang is gelegen in misgelopen opbrengst bij de verkoop van de woning, veroorzaakt door de woningsluiting. Eisers hebben inmiddels de woning verkocht en stellen dat de woning tienduizenden euro’s minder heeft opgebracht dan wanneer de woning niet zou zijn gesloten door de burgemeester. Voor deze enkele stelling van eisers ziet de rechtbank geen begin van aannemelijkheid in het dossier. Voor zover eisers hieraan een verzoek tot schadevergoeding hebben gekoppeld, stuit dat verzoek dan ook hierop af. Dit kan dus niet leiden tot het aannemen van een procesbelang.
11. De rechtbank overweegt verder dat uit de omstandigheid dat eisers een principiële uitspraak van deze rechtbank wensen over de rechtmatigheid van het bestreden besluit in relatie tot het EU-recht en EU-rechtspraak op zichzelf niet zorgt voor een actueel en reëel belang bij een inhoudelijke beoordeling van dit beroep. Een louter formeel of principieel belang is volgens vaste rechtspraak namelijk niet voldoende om van procesbelang te kunnen spreken. Bovendien is de rechtbank niet gebleken dat bij de bestreden besluitvorming in deze procedure het recht van de Europese Unie ten uitvoer wordt gebracht. Alles wat eisers met betrekking tot het EU-recht en EU-rechtspraak aanvoeren, kan alleen daarom al niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.
Het schadevergoedingsverzoek
12. Eisers hebben de rechtbank verzocht om de burgemeester te veroordelen tot compensatie van gemiste huurpenningen gedurende twee maanden óf tot een schadevergoeding van € 5.150,- per dag die eisers conform overweging 4 uit verschillende wet- en regelgeving afleiden. De rechtbank overweegt dat de bestuursrechter op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt niet dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Er is geen begin van aannemelijkheid dat eisers schade hebben geleden, zodat het belang bij toetsing van het bestreden besluit ontbreekt. Het verzoek om schadevergoeding van eisers wordt dan ook afgewezen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten of een schadevergoeding.

Beslissing

  • De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 8 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Artikel 5:1
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Artikel 5:21
Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Opiumwet
Artikel 2
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben;
D. te vervaardigen.
Artikel 13b
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
Cocaïne, amfetamine, MDMA en metamfetamine staan vermeld op lijst I.
Beleidsregels artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid)
Indien in woningen of op bij woningen behorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs), met een handelshoeveelheid van > 0,5 gram, en/of (een) voorwerp(en) en/of stof(fen) als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, van de Opiumwet voorhanden is/zijn, is sprake van een ernstig geval en volgt bij een 1ste constatering een sluiting van 1 maand. Bij een 2de overtreding van de Opiumwet in een woning of bij woningen behorende erven binnen vijf jaar na de eerste constatering, vindt er een sluiting plaats van 2 maanden. Bij een 3de constatering van overtreding van de Opiumwet binnen vijf jaar na de tweede constatering, vindt er een sluiting van
4 maanden plaats.
Indien in woningen of op bij woningen behorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) met een hoeveelheid van > 1000 gram en/of > 2000 pillen is er sprake van een zeer ernstig geval waarbij de sanctie wordt opgelegd die hoort bij de 2de of volgende constatering.
Indien in woningen of op bij woningen behorende erven drugshandel en of drugsproductie wordt voorbereid ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs), waarbij blijkt dat de aanwezige voorwerp(en) en/of stof( fen ) gebruikt kan/kunnen worden voor de vervaardiging of handel van > 1000 gram en/of > 2000 pillen is er sprake van een zeer ernstig geval waarbij de sanctie wordt opgelegd die hoort bij de 2de of volgende constatering.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8043, r.o. 2.4.4.
2.Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8043.
3.Eisers hebben in dit kader genoemd: hoofdstuk 6 (artikel 137) van de Algemene Plaatselijke Verordening Tilburg 2025, artikelen 41 en 47 van het Handvest van grondrechten van de Europese Unie en artikel 19 van Pro het Verdrag betreffende de Europese Unie.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2508.