ECLI:NL:RBZWB:2026:6147

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/6478 WIB
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet inburgering 2021Art. 13 Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG en TurkijeArt. 9 EVRMArt. 3.57 Vreemdelingenbesluit 2020Art. 8 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
24 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging inburgeringsplicht voor geestelijk bedienaar met tijdelijke verblijfsvergunning

Eiser, een Turkse staatsburger en geestelijk bedienaar met een tijdelijke verblijfsvergunning, werd door de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inburgeringsplichtig verklaard op grond van de Wet inburgering 2021. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, dat uiteindelijk kennelijk ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat de inburgeringsplicht terecht is opgelegd, mede omdat het bevorderen van integratie een dwingende reden van algemeen belang vormt die een uitzondering op de standstill-bepalingen van het associatieverdrag tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije rechtvaardigt. De rol van eiser als imam, met een voorbeeldfunctie binnen zijn gemeenschap, maakt het belangrijk dat hij kennis heeft van de Nederlandse taal en samenleving.

Eiser voerde aan dat de inburgeringsplicht niet geschikt, noodzakelijk en evenredig is, mede vanwege zijn tijdelijke verblijfsstatus en de combinatie met zijn werkzaamheden. De rechtbank volgt dit niet en stelt dat de wetgever maatwerk en ontheffingen mogelijk heeft gemaakt, en dat de inburgeringsplicht uitvoerbaar en doelmatig is. Ook is geen sprake van schending van de godsdienstvrijheid, omdat de plicht zich beperkt tot taal- en integratiecursussen.

Ten slotte oordeelt de rechtbank dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaargronden te onderbouwen, ondanks een communicatieprobleem over de termijn voor aanvulling. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiser terecht inburgeringsplichtig is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6478 WIB

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. Y. Seyran),
en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de inburgeringsplicht van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris terecht eiser inburgeringsplichtig heeft geacht.

Procesverloop

2. Namens de staatssecretaris Participatie en Integratie heeft de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) met een besluit van 16 juli 2025 (primair besluit) aan eiser medegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is op grond van de Wet inburgering 2021 en dat hij drie jaar de tijd heeft om in te burgeren. Eiser was het niet eens met dit besluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2.1.
DUO heeft eisers bezwaar pas op 1 september 2025 ontvangen, na afloop van de wettelijke bezwaartermijn. Daarom heeft DUO eiser met een brief van 5 september 2025 om een reactie gevraagd. Eiser heeft vervolgens betwist dat zijn bezwaar niet tijdig was, omdat het bezwaar tijdig (ook) per e-mail was ingediend. Met een e-mail van 15 oktober 2025, gericht aan “
[e-mailadres]”, heeft DUO eisers bezwaar alsnog tijdig geacht en heeft eiser een termijn van drie weken gekregen om nadere bezwaargronden te overleggen.
2.2.
Namens de staatssecretaris heeft DUO vervolgens met een besluit van 6 november 2025 (bestreden besluit) eisers bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Eiser is het ook met dit besluit niet eens en heeft daartegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Partijen hebben over en weer nog gereageerd op elkaars stukken.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris via een videoverbinding.
Feiten
3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft een verblijfsvergunning ‘voorganger of godsdienstleraar’ gehad, geldig van 5 januari 2012 tot 1 november 2014. Daarna heeft hij nog een verblijfsvergunning gehad tot 18 november 2016. Vanaf 16 november 2016 stond hij ingeschreven in de Registratie Niet-ingezetenen. Bij beschikking van 14 mei 2024 (datum machtiging voorlopig verblijf) is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning ‘667 Geestelijk Bedienaar niet-contemplatief’, geldig van 15 mei 2024 tot 1 mei 2027. Per 15 mei 2024 verblijft eiser dus rechtmatig in Nederland op grond van artikel 3.57 van het Vreemdelingenbesluit 2020.
Bestreden besluit
4. De staatssecretaris heeft aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Het doel van het associatieverdrag tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (het verdrag) was de geleidelijke toetreding van Turkije tot de Europese Unie (EU). Het verdrag kent zogenoemde ‘standstill-bepalingen’. Dat wil zeggen dat vanaf de inwerkingtreding van die bepalingen Nederland geen nieuwe beperkingen mag invoeren ten aanzien van rechten die in het verdrag zijn geregeld. Voor Turkse werknemers gold geen inburgeringsplicht. Standstill-bepalingen zijn echter niet absoluut. Een lidstaat mag nog steeds een nieuwe beperking invoeren als deze gerechtvaardigd is door een ‘dwingende reden van algemeen belang’. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Europese Hof) heeft ‘het bevorderen van integratie’ erkend als een dergelijke dwingende reden. [1] Deze uitspraak is voor de Nederlandse regering aanleiding geweest om vanaf 1 januari 2022 de inburgeringsplicht opnieuw in te voeren (datum inwerkingtreding nieuwe Wet inburgering 2021). De nieuwe inburgeringsplicht is in overeenstemming met jurisprudentie van het Europese Hof over de standstill-bepalingen en non-discriminatiebepalingen. Eiser heeft rechtmatig verblijf gekregen na 1 januari 2022 (namelijk 15 mei 2024). Dit maakt eiser inburgeringsplichtig. Dit is bevestigd door de Afdeling. [2]
Standpunten van partijen
5. Eiser heeft in beroep – samengevat – aangevoerd dat hij geen daadwerkelijke gelegenheid heeft gekregen om de rechtsgronden aan te vullen. De termijn voor aanvulling van de bezwaargronden heeft hem niet bereikt, nu het bericht niet naar het juiste e-mailadres van de gemachtigde van eiser is gestuurd. Hierdoor heeft eiser de bezwaargronden niet kunnen aanvullen en is het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard. Inhoudelijk voert eiser aan dat de inburgeringsplicht niet mag worden opgelegd. Hij heeft de Turkse nationaliteit en valt onder het toepassingsbereik van artikel 13 van Pro Besluit nr. 1/80 van het Associatiebesluit (standstill-bepaling). Onder het verdrag heeft eiser recht op het meest gunstige beleid dat reeds van toepassing was op de Turkse werknemers vóór de inwerkingtreding van de nieuwe Wet inburgering 2021 in 2022. Verder stelt eiser dat het bestreden besluit geen concrete beoordeling bevat van onder meer zijn verblijfspositie en functie. Eiser is niet toegelaten als gewone nieuwkomer met open en duurzaam verblijfsperspectief, maar als geestelijk voorganger, met een specifieke en in tijd afgebakende arbeidsopdracht. De inburgeringsplicht vormt voor eiser een nieuwe beperking ten opzichte van de situatie die gold ten tijde van de standstill. Zonder nadere motivering kon de staatssecretaris niet aannemen dat een volledige inburgeringsplicht in deze tijdelijke situatie geschikt, noodzakelijk en evenredig is. Eisers toelating is gekoppeld aan functie als imam en het positieve arbeidsmarktadvies voor de periode van 1 mei 2024 tot 1 mei 2027. De inburgeringstermijn loopt van 7 november 2025 tot 6 november 2028. Het traject sluit dus niet goed aan op de feitelijke verblijfs- en arbeidscontext. Ook zijn eisers werkzaamheden niet goed te combineren met een volledig inburgeringstraject. De staatssecretaris heeft de uitvoerbaarheid niet beoordeeld en ook niet of de verplichting in de praktijk nog bijdraagt aan integratie binnen beperkte periode. Daarbij is van belang dat eiser bij de afgifte van de mvv al moest aantonen dat hij is geslaagd voor het basisexamen inburgering buitenland. Eiser stelt tot slot dat de vrijheid van godsdienst had moeten worden meegewogen op grond van artikel 9 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
6. De staatssecretaris is in het verweerschrift gebleven bij het bestreden besluit. De staatssecretaris stelt dat een geestelijk bedienaar inburgeringsplichtig is op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inburgering 2021. [3] Een geestelijk bedienaar wordt vanwege de bijzondere maatschappelijke positie inburgeringsplichtig. Dit is een weloverwogen keuze. Hoewel er een tijdelijke vergunning is afgegeven, hoeft dit niet te betekenen dat deze in de toekomst wellicht niet wordt verlengd. Naar aanleiding van rechtspraak van het Europese Hof [4] stelt de staatssecretaris dat de inburgeringsplicht voor Turkse nieuwkomers de toets uit de rechtspraak kan doorstaan. Het bevorderen van integratie is een dwingende maatregel van algemeen belang. Over de geschiktheid van het opleggen van de inburgeringsplicht overweegt de staatssecretaris dat het legitieme doel is de succesvolle integratie van Turkse nieuwkomers in de Nederlandse samenleving. Het afleggen van inburgeringsexamens, waarbij kennis van de Nederlandse taal en samenleving wordt verwacht, is een geschikte maatregel om dit doel te bereiken. Eiser heeft door zijn arbeid als imam veel invloed op gelovigen, ook als hij maar een paar jaar blijft, dus is het belangrijk dat hij weet hoe de Nederlandse samenleving werkt, dat hij de Nederlandse taal gebruikt en bekend is met de Nederlandse normen en waarden. Over de noodzakelijkheid van het opleggen van de inburgeringsplicht overweegt de staatssecretaris dat dit voor eiser als imam temeer noodzakelijk is, omdat hij een richtinggevende rol heeft bij de wijze waarop de leden van zijn geloofsgemeenschap aan de maatschappij deelnemen. De inburgeringsplicht biedt de mogelijkheid voor een ontheffing of vrijstelling in bepaalde situaties. Ook dient de gemeente rekening te houden met de persoonlijke situatie bij de vaststelling van het Persoonlijk Plan Inburgering (PIP). Eiser is als imam gewend om te studeren en de exameneisen voor het inburgeringsexamen zijn niet zo hoog. Over de evenredigheid van het opleggen van de inburgeringsplicht overweegt de staatssecretaris dat in het PIP rekening wordt gehouden met de bijzondere individuele omstandigheden. Verder biedt de Wet inburgering 2021 mogelijkheden tot maatwerk, onder meer door ontheffing, een lager passend niveau van inburgeren, financiële regelingen en het zelf bepalen of en op welke wijze inburgeringsonderwijs wordt gevolgd. Ook heeft eiser al een inburgeringexamen in het buitenland moeten afleggen op niveau A1, waardoor hij al enige kennis heeft van de Nederlandse taal, heeft hij in het verleden enige tijd in Nederland verbleven en is het een keuze van eiser om te komen werken bij een religieuze organisatie in Nederland. Gelet hierop is de inburgeringslast niet onevenredig zwaar. De staatssecretaris verwijst naar rechtspraak van de rechtbank Den Haag [5] , waarin is geoordeeld dat de herinvoering van de inburgeringsplicht buitenland voor Turkse staatsburgers, in het bijzonder geestelijk bedienaren, niet in strijd is met de standstill-bepaling in artikel 13 van Pro het Associatiebesluit 1/80. Over de vrijheid van godsdienst overweegt de staatssecretaris dat de inburgeringsplicht het kernrecht vrijheid van godsdienst (artikel 9 van Pro het EVRM) ongemoeid laat, omdat het een cursus is in het kader van de introductie in de Nederlandse samenleving en in het aanleren van de Nederlandse taal en niet een cursus met een godsdienstige en geestelijke inhoud. Als de inburgeringsplicht een inbreuk op het recht op godsdienstvrijheid zou maken, is voor deze inbreuk een rechtvaardiging, nu deze plicht uit een wet in formele zin (artikel 3 van Pro de Wet inburgering 2021) volgt en daarmee voldoet aan de eis van artikel 9, tweede lid, van het EVRM, namelijk het bestaan van een wettelijke grondslag. Over de verblijfsduur, doelmatigheid en uitvoerbaarheid overweegt de staatssecretaris dat een band van eiser met Nederland aan de orde is, omdat eiser een verblijfsvergunning voor drie jaar heeft en hij eerder in Nederland verbleef. Het is niet ondenkbeeldig dat het verblijf in Nederland zal worden verlengd. Niet gebleken is dat de inburgeringsplicht moeilijk uitvoerbaar is in combinatie met eisers fulltime religieuze werkzaamheden. Ook andere inburgeraars moeten (fulltime) werk combineren met inburgeringsonderwijs en het maken van examens. Eiser zal gewend zijn om te studeren en teksten uit het hoofd te leren. Ook kan eiser zelf bepalen wanneer hij het onderwijs (online) volgt en zelfstudie verricht. Veel moskeeorganisaties helpen actief mee met taalonderwijs en integratie.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris eiser terecht inburgeringsplichtig heeft geacht, zo is al aangekondigd in overweging 1. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is eiser terecht inburgeringsplichtig geacht?
8. Eiser is geestelijk bedienaar (imam) en heeft een tijdelijke verblijfsvergunning in Nederland. Dit maakt eiser in beginsel inburgeringsplichtig, zo volgt uit artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet inburgering 2021. De staatssecretaris heeft in het verweerschrift ter nadere toelichting er terecht erop gewezen dat het inburgeringsplichtig stellen van eiser als geestelijk bedienaar een bewuste keuze is geweest van de wetgever, juist vanwege de rol die een geestelijk bedienaar heeft voor gelovigen en hun deelname aan de maatschappij. Dat eiser een tijdelijke verblijfsvergunning heeft gekregen voor drie jaar, maakt niet dat deze vergunning in de toekomst niet zou kunnen worden verlengd en maakt het voorgaande dus niet anders.
9. Eerder gold voor Turkse werknemers geen inburgeringsplicht. Dit is in 2022 gewijzigd. Op basis van de standstill-bepaling in artikel 13 van Pro het Associatiebesluit stelt eiser dat er geen nieuwe beperkingen mogen worden ingevoerd over de toegang tot werkgelegenheid van werknemers van wie verblijf op Nederlands grondgebied legaal is. De standstill-bepalingen zijn echter niet absoluut. Een lidstaat mag dus een nieuwe beperking invoeren als dit gerechtvaardigd is door een dwingende reden van algemeen belang. Uit rechtspraak [6] van het Europese Hof volgt dat het ‘bevorderen van integratie’ een dwingende reden kan zijn om af te wijken van de standstill-bepalingen uit het verdrag. De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit terecht verwezen naar een uitspraak van de Afdeling [7] , waarin is overwogen dat uit artikel 3 van Pro de Wet inburgering 2021 een inburgeringsplicht volgt voor Turkse staatsburgers die vanaf 1 januari 2022 een rechtmatig verblijf hebben verkregen in Nederland. Eiser heeft als Turks staatsburger vanaf 15 mei 2024 rechtmatig verblijf in Nederland verkregen, dus is hij inburgeringsplichtig. De rechtbank overweegt verder dat uit de door de staatssecretaris genoemde rechtspraak van de rechtbank Den Haag [8] volgt dat het inburgeringsplichtig achten van geestelijk bedienaren niet in strijd is met het discriminatieverbod.
Is het opleggen van de inburgeringsplicht aan eiser geschikt, noodzakelijk en evenredig?
10. Eiser heeft in beroep betoogd dat de staatssecretaris zonder nadere motivering niet in het bestreden besluit heeft mogen aannemen dat een volledige inburgeringsplicht geschikt, noodzakelijk en evenredig is. De staatssecretaris heeft in beroep gereageerd op deze eerst in beroep aangevoerde grond van eiser. Dat de staatssecretaris eerst in beroep nader is ingegaan op deze aspecten, betekent op zichzelf nog niet dat het bestreden besluit gebrekkig is.
11. Gelet op de uitgebreide toelichting van de staatssecretaris, acht de rechtbank het opleggen van de inburgeringsplicht hier geschikt. De staatssecretaris heeft afdoende toegelicht dat het doel van de inburgeringsplicht is de succesvolle integratie van Turkse nieuwkomers in de Nederlandse samenleving. Eiser heeft als imam veel invloed op gelovigen en heeft een voorbeeldfunctie en richtinggevende rol vanuit die functie. Daarom is het belangrijk dat hij kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse normen en waarden heeft. Verder acht de rechtbank met de staatssecretaris het opleggen van de inburgeringsplicht hier noodzakelijk en volgt daarin de toelichting die de staatssecretaris in beroep heeft gegeven. Eiser heeft namelijk als imam een richtinggevende rol bij de wijze waarop leden van zijn geloofsgemeenschap aan de maatschappij deelnemen. Bovendien biedt de inburgeringsplicht in bepaalde situaties een mogelijkheid voor ontheffing of vrijstelling en wordt door de gemeente bij de vaststelling van het PIP rekening gehouden met eisers persoonlijke situatie. De rechtbank acht het opleggen van de inburgeringsplicht ook evenredig. Zoals de staatssecretaris terecht in beroep heeft toegelicht, wordt in het PIP rekening gehouden met bijzondere individuele omstandigheden. Ook biedt de Wet inburgering 2021 maatwerk, waarvan meerdere voorbeelden in het verweerschrift zijn benoemd. Eiser heeft verder het inburgeringsexamen in het buitenland moeten afleggen op niveau A1 en heeft in het verleden al enige tijd in Nederland verbleven, waardoor hij al enige kennis heeft van de Nederlandse taal. Bovendien was het eisers keuze om te komen werken bij een religieuze organisatie in Nederland. De rechtbank acht in die situatie de inburgeringsplicht evenredig. In overweging 9 heeft de rechtbank al overwogen dat de herinvoering van de inburgeringsplicht buitenland voor Turkse staatsburgers, in het bijzonder geestelijk bedienaren, niet in strijd is met de standstill-bepaling in artikel 13 van Pro het associatiebesluit.
Is eisers inburgeringsplicht doelmatig en uitvoerbaar?
12. Uit het dossier volgt dat eiser een verblijfsvergunning heeft verkregen voor drie jaar, dat hij eerder in Nederland heeft verbleven en dat een zekere band met Nederland aan de orde is. Het wordt niet ondenkbaar geacht dat eisers verblijf in Nederland zal worden verlengd. De rechtbank is niet gebleken dat de inburgeringsplicht voor eiser moeilijk uitvoerbaar is in combinatie met zijn fulltime religieuze werkzaamheden. Voor iedere inburgeraar geldt dezelfde verplichting van het combineren van werk met inburgeringsonderwijs en het maken van examens. De staatssecretaris heeft in het verweerschrift tips gegeven aan eiser om het inburgeren makkelijker te maken, zoals het volgen van onlineonderwijs en hulp van de moskeeorganisatie vragen bij taalonderwijs en integratie. Dit maakt de inburgeringsplicht uitvoerbaar. Al met al heeft de wetgever het van groot maatschappelijk belang geacht dat voor eiser als imam de inburgeringsplicht geldt. De inburgeringsplicht van een geestelijk bedienaar draagt bij aan een duurzame integratie van hemzelf en van anderen en daarmee is de inburgeringsplicht ook doelmatig.
Is er sprake van strijd met de vrijheid van godsdienst?
13. De rechtbank volgt eiser niet in zijn beroepsgrond dat sprake is van strijd met de vrijheid van godsdienst op grond van artikel 9 van Pro het EVRM. De inburgeringsplicht laat de vrije keuze van godsdienstbeleving namelijk ongemoeid, nu de inburgeringsplicht ‘slechts’ een introductie in de Nederlandse taal en Nederlandse samenleving
Geen gelegenheid tot aanvulling van de gronden van bezwaar?
14. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij geen daadwerkelijke gelegenheid heeft gehad tot aanvulling van de bezwaargronden. De rechtbank overweegt dat eisers bezwaarschrift al een bezwaargrond bevatte. Eiser was dus niet in verzuim en hoefde dus geen termijn te krijgen waarbinnen hij gronden van bezwaar kon indienen. Dat de staatssecretaris hem die termijn wel wilde geven maar dat de e-mail hem niet heeft bereikt vanwege het gebruik van een onjuist e-mailadres, betekent niet dat de staatssecretaris niet kon overgaan tot het nemen van het bestreden besluit. Het lag op de weg van eiser om aanvullende gronden in te dienen als hij vond dat dit nodig was dan wel na te gaan hoe lang hij hier nog de tijd voor had. Eiser is ook niet in zijn belangen te zijn geschaad, nu hij in beroep nogmaals de mogelijkheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen de inburgeringsplicht naar voren te brengen.
15. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt dat het bestreden besluit voldoende zorgvuldig en voldoende gemotiveerd wordt geacht.
16. Tot slot overweegt de rechtbank dat eiser zich over de details van de invulling van zijn inburgeringsplicht dient te wenden tot de gemeente wanneer hij zijn PIP krijgt.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG en Turkije
Artikel 13:
De Lid-Staten van de Gemeenschap en Turkije mogen geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.
Wet inburgering 2021
Artikel 3. Inburgeringsplichtig
1. Inburgeringsplichtig is de vreemdeling, die rechtmatig verblijf verkrijgt in de zin van artikel 8, onderdelen a en c, van de Vreemdelingenwet 2000, die 16 jaar of ouder is en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, en:
a. anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft; of
b. geestelijke bedienaar is.
2. In afwijking van het eerste lid is niet inburgeringsplichtig:
a. de persoon die onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;
b. het familielid van de persoon, bedoeld in onderdeel a, dat onderdaan is van een derde staat en dat uit hoofde van richtlijn 2004/38/EG, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, gerechtigd is Nederland binnen te komen en er te verblijven;
c. de vreemdeling die ingevolge de wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie of een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte heeft voldaan aan een inburgeringsvereiste om de status van langdurig ingezetene in de zin van richtlijn 2003/109/EG van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 16), gewijzigd door Externe link:richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten (PbEU 2011, L 132) te verkrijgen;
d. de persoon die anderszins op grond van bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen inburgeringsplicht kan worden opgelegd.
3. De inburgeringsplicht ontstaat niet met terugwerkende kracht.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het voortduren van de inburgeringsplicht in geval van tijdelijke beëindiging van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het tijdelijke doel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, waarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij het verblijfsrecht van tijdelijke aard, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van het Europese Hof van 12 april 2016, ECLI:EU:C:2016:247, onder 55 en 56 (zaak Caner Genc).
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3580, onder 7.
3.Dit was ook het geval onder de Wet inburgering 2007. Zie Kamerstukken Tweede Kamer vergaderjaar 2005-2006, 30 308, nr. 3, p. 38, en Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2019-2020, 35 483, nr. 3, p. 17.
4.Zie de uitspraken van het Europese Hof van 7 november 2013, ECLI:EU:C:2013:725 (zaak Demir), van 12 april 2016, ECLI:EU:C:2016:247, onder 55 en 56 (zaak Caner Genc), van 7 juli 2015, ECLI:EU:C:2015:453 (zaak K. en A.), en van 2 september 2021, ECLI:EU:C:2021:660 (zaak B. tegen Denemarken).
5.Zie de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 9 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:1715, en van 17 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7842.
6.Zie de uitspraak van het Europese Hof van 12 april 2016, ECLI:EU:C:2016:247, onder 55 en 56 (zaak Caner Genc).
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3580, overweging 7.
8.Zie de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 9 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:1715, en van 17 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7842.