ECLI:NL:RVS:2024:3580
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.M. Willems
- V.V. Essenburg
- Rechtspraak.nl
Niet inburgeringsplicht voor Turkse vreemdeling met rechtmatig verblijf vóór 2022
Appellant, een Turkse staatsburger, kreeg op 5 november 2021 een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf bij zijn echtgenote en haalde zijn verblijfsvergunning op 17 januari 2022 op. De staatssecretaris stelde dat appellant inburgeringsplichtig is omdat hij de verblijfsvergunning na 31 december 2021 had opgehaald en stuurde hem brieven waarin dit werd medegedeeld.
Appellant betwistte de inburgeringsplicht, stellende dat Turkse staatsburgers die vóór 31 december 2021 rechtmatig verblijf verkregen, niet inburgeringsplichtig zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brieven geen besluiten zouden zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de brieven wel besluiten zijn omdat zij rechtsgevolgen inhouden, zoals mogelijke boetes en intrekking van verblijfsvergunningen bij niet-naleving. Verder is de datum van rechtmatig verblijf bepalend en niet de datum van ophalen van het verblijfsdocument. Appellant verkreeg rechtmatig verblijf op 3 december 2021, waardoor hij niet inburgeringsplichtig is.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 29 november 2022, herroept de brieven en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Appellant is niet inburgeringsplichtig omdat hij rechtmatig verblijf verkreeg vóór 1 januari 2022.