ECLI:NL:RBZWB:2026:6075

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
BRE 24/7001
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep vennootschapsbelasting 2019

Belanghebbende B.V. heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 1 oktober 2025 waarin het beroep tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2019 niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van een machtiging, uittreksel uit het handelsregister en gronden.

De gemachtigde van belanghebbende heeft twee verzendbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat de stukken op regelmatige wijze aan de rechtbank zijn aangeboden. De rechtbank concludeert dat het verzet gegrond is omdat de verzuimen tijdig zijn hersteld en er geen omstandigheden zijn die het vermoeden van ontvangst ontzenuwen.

De eerdere uitspraak wordt vernietigd en het onderzoek wordt hervat in de stand van vóór die uitspraak. De inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten van € 233,50. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt en de procedure wordt hervat.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7001

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 op het verzet van

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. A. Bennenbroek),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2019 met [aanslagnummer] .V.96.
1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 1 oktober 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat geen machtiging, uittreksel uit het handelsregister en gronden zijn overgelegd. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Gemachtigde voert aan dat de gronden van het beroep, de machtiging en het uittreksel uit het handelsregister in dezelfde enveloppe aangetekend aan de rechtbank is verzonden. Gemachtigde heeft een kopie van de stukken met dagtekening 20 november 2024 overgelegd. De rechtbank heeft gemachtigde verzocht om een bewijs van verzending. Gemachtigde heeft twee verzendbewijzen overgelegd, omdat hij op 21 november 2024 twee enveloppen aan de rechtbank verzonden. Eén van de verzendbewijzen ziet op dit beroep.
2.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.3.
De rechtbank stelt vast dat zij in een ander beroep op 22 november 2024 stukken van gemachtigde heeft ontvangen. De rechtbank heeft echter geen stukken ontvangen die zien op dit beroep. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gemachtigde, gelet op de twee verzendbewijzen en de ontvangst van de stukken in het andere beroep, aannemelijk gemaakt dat de enveloppe met de gronden, machtiging en het uittreksel uit het handelsregister op regelmatige wijze op het adres van de rechtbank is aangeboden. De rechtbank ziet geen omstandigheden die het voormelde vermoeden van ontvangst ontzenuwen. Gemachtigde heeft de verzuimen tijdig hersteld. Het verzet is gegrond.

Conclusie en gevolgen

3. Uit de beoordeling van de gronden van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 1 oktober 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. Als voorlichting merkt de rechtbank op dat ook na de hervatting van het onderzoek het eindoordeel kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is.
3.1.
De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50. [2]

Beslissing

De rechtbank
 verklaart het verzet gegrond;
 veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5.