ECLI:NL:RBZWB:2026:5895

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
02-208215-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 27 SrArt. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontnemingsprocedure na procesafspraken in cocaïnehandel met geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel

Betrokkene is veroordeeld voor medeplegen van cocaïnehandel en gewoontewitwassen, waarbij procesafspraken zijn gemaakt en een gevangenisstraf van 3 jaar en 8 maanden is opgelegd. Het Openbaar Ministerie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim €1,1 miljoen, gebaseerd op een halve vermogensvergelijking zonder kasopstelling.

De verdediging betwistte deze berekening en stelde dat betrokkene slechts als tussenpersoon handelde met een maximaal voordeel van €79.000,00, of subsidiair een derde van het gevorderde bedrag. De rechtbank oordeelde dat de door het Openbaar Ministerie gehanteerde methode niet gevolgd kon worden vanwege het ontbreken van een kasopstelling en het risico op dubbeltellingen.

De rechtbank baseerde zich op artikel 36e, tweede lid, Sr en het bewezenverklaarde feit dat betrokkene betrokken was bij de handel in 200 kilo cocaïne. Uitgaande van een voordeel van €1.000 per kilo, stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €200.000,00. De vordering van het Openbaar Ministerie werd voor het overige afgewezen. Tevens werd de mogelijkheid van gijzeling bij niet-betaling bepaald.

Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €200.000,00 en wijst de hogere vordering van het Openbaar Ministerie af.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-208215-24 ontneming
Beslissing van de rechtbank van 2 juli 2026
in de ontnemingszaak tegen
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] ,
raadsman mr. W.S. de Zanger, advocaat te Laren.

1.De procedure

Betrokkene heeft met de officier van justitie procesafspraken gemaakt, welke door de meervoudige strafkamer bij vonnis van 11 september 2025 zijn gevolgd. Aan betrokkene is voor het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van
de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en medeplegen van gewoontewitwassen opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht (Sr) en een geldboete ter hoogte van € 100.000,- euro subsidiair 365 dagen hechtenis.
De officier van justitie heeft op 1 augustus 2025 ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.
Op 18 december 2025 heeft de rechtbank een schriftelijke voorbereidingsprocedure bevolen. In dat kader zijn er door de officier van justitie en de raadsman schriftelijke conclusies ingediend.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. L.A. Pronk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene heeft gehandeld in verdovende middelen en daarmee voordeel heeft genoten. De grondslag van de ontneming is gelegen in artikel 36e, derde lid, Sr waaruit – kortgezegd – volgt dat het voordeel is behaald met het plegen van een (ander) strafbaar feit. Uit de chats in de strafzaak van betrokkene is gebleken dat betrokkene in de periode van 25 mei 2020 tot en met 8 september 2020 de beschikking had over grote contante geldbedragen om ten behoeve van cocaïnehandel uitgaven te doen dan wel betalingen te verrichten. Uit financieel onderzoek is echter geen legale geldstroom gebleken die aannemelijk maakt dat (een deel van) deze geldbedragen een legale herkomst hebben.
Het Openbaar Ministerie stelt zich conform de berekening in het ontnemingsrapport op het standpunt dat sprake is van een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.159.500,00.

3.Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert primair aan dat de door het Openbaar Ministerie gehanteerde voordeelsberekening niet de meest aangewezen wijze is om het daadwerkelijk verkregen voordeel van betrokkene vast te stellen.
Het Openbaar Ministerie gaat in de berekening van het geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel uit van een zogenoemde ‘halve vermogensvergelijking’, waarbij de schatting wordt gebaseerd op vermeende uitgaven. Door alleen te kijken naar de uitgaven, wordt niet meegewogen dat bepaalde uitgaven/investeringen tot een voordeel leiden, dat vervolgens opnieuw wordt uitgegeven/geïnvesteerd. Deze wijze van vermogensvergelijking levert daarmee een groot risico op dubbeltelling op en is daarom volstrekt ontoereikend. Bovendien is op geen enkele wijze uitgegaan van een legaal beginvermogen of van legale inkomsten.
Ook de rol van betrokkene is van groot belang bij de berekening van het daadwerkelijk verkregen voordeel en is een andere dan waarvan het Openbaar Ministerie uitgaat. Betrokkene was enkel een tussenpersoon die handelde met andermans geld. Hij kon per transactie slechts een percentage, een commissie, rekenen. Betrokkene fungeerde als tussenpersoon bij de handel van circa 41,5 kilo cocaïne en ontving daarvoor gemiddeld commissie van € 1.000,00 per verhandelde kilogram of blok. Dit leidt tot een bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel van € 41.500,00. Daarnaast heeft betrokkene eenmalig een rol gespeeld bij het bewerken van 150 kilo cocaïne door als tussenpersoon te fungeren tussen de eigenaar en de mixer/drukker. Betrokkene heeft hiervoor een commissie ontvangen van € 250,00 per kilo cocaïne, wat leidt tot een totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel van € 79.000,00.
Het totaal aan daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel betreft dan ook maximaal € 79.000,00 (€ 41.500,00 + € 37.500,00).
De verdediging stelt subsidiair, indien de rechtbank toch zou uitgaan van de uitgegeven geldbedragen, dat uit de chats duidelijk volgt dat betrokkene niet de enige persoon was die over de geldbedragen beschikking had. Ook twee anderen gaven instructies of boden de overdracht van geldbedragen aan. Gelet op die aanwijzingen moet het bedrag van € 1.159.500,00 subsidiair door drieën worden gedeeld, zodat het aan betrokkene toe te rekenen voordeel hoogstens € 386.500,00 kan bedragen.

4.Het oordeel van de rechtbank

Juridische grondslag
De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie de ontneming heeft gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr.
Uit dit artikel volgt de mogelijkheid om een verplichting tot een betaling van een geldbedrag aan de Staat op te leggen aan een persoon die is veroordeeld voor een misdrijf dat volgens de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. De verplichting kan worden opgelegd als aannemelijk is dat het bewezenverklaarde misdrijf, of andere strafbare feiten, op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de persoon wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De rechtbank overweegt dat ontnemingsvorderingen op grond van artikel 36e, derde lid, Sr, hoewel niet wettelijk verplicht, in de regel zijn gestoeld op een kasopstelling. Middels deze abstracte berekeningsmethode wordt gekeken naar de vermogensontwikkeling van een veroordeelde over een bepaalde periode, meestal vanaf zes jaar voorafgaand aan het misdrijf. Naast de vaststelling van een beginsaldo worden alle legale inkomsten en uitgaven in deze periode geïnventariseerd. Op deze wijze wordt een totaalbeeld verkregen van de vermogenspositie van een veroordeelde. Vermogensvermeerderingen of uitgaven die niet met de geïnventariseerde inkomsten kunnen worden verantwoord, worden vervolgens als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt.
Het Openbaar Ministerie heeft haar ontnemingsvordering niet gebaseerd op een dergelijke kasopstelling, maar enkel op de geldbedragen die betrokkene blijkens de chats in de periode van 25 mei 2020 tot en met 18 september 2020 heeft betaald. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie gesteld dat in de berekening geen rekening is gehouden met de kosten van de cocaïnehandel omdat deze kosten in de visie van het Openbaar Ministerie in een eerder stadium zijn gemaakt. En er is, om dubbeltellingen te voorkomen, een onderscheid gemaakt in vermoedelijk ontvangen geld en vermoedelijk uitgegeven geld, waarbij uitsluitend laatstbedoelde bedragen als wederrechtelijk verkregen voordeel zijn aangemerkt. Legale geldstromen zijn in deze berekening niet meegenomen omdat uit financieel onderzoek niet is gebleken dat deze bestaan.
De rechtbank stelt vast dat er aldus geen totaalbeeld is verkregen van de (legale) inkomsten en (feitelijke) uitgaven van betrokkene in deze periode. De rechtbank is in navolging van de verdediging van oordeel dat deze wijze van vermogensberekening daarom niet gevolgd kan worden vanwege het risico op dubbeltellingen. Het is namelijk niet zeker dat een deel van de betrokken bedragen, is verkregen (als winst) uit eerdere betalingen. De stelling van het Openbaar Ministerie dat er geen risico op dubbeltellingen bestaat omdat de kosten die in rechtstreeks verband staan met het begaan van de andere strafbare feiten (als bedoeld in lid 3) al in een eerder stadium zijn gemaakt en hier al vanaf zijn gehaald, overtuigt niet. Ook de omstandigheid dat de contante gelden die betrokkene volgens de chats ontving niet zijn meegenomen in de berekening om te voorkomen dat dat zou leiden tot dubbeltellingen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om dit risico te kunnen uitsluiten.
Nu (voldoende gegevens voor) een kasopstelling en daarmee inzicht in de (totale) vermogensontwikkeling van betrokkene ontbreekt, zal de rechtbank de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet baseren op artikel 36, derde lid, Sr.
Uit het tweede lid van artikel 36e Sr volgt dat de ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd aan de veroordeelde die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde feit of andere strafbare feiten, indien er voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
De rechtbank baseert haar beslissing op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr en overweegt daartoe als volgt.
Zoals hiervoor al is overwogen is betrokkene bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 september 2025 voor onder meer de handel in cocaïne veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf. Uit het vonnis in de hoofdzaak blijkt dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de bijlage bij dit vonnis, het oordeel dat betrokkene voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr heeft genoten.
4.1.
Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
In de strafzaak tegen betrokkene is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of vervoeren van in totaal ongeveer 200 kilogram cocaïne. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat betrokkene de aanschaf van cocaïne, de spullen waarmee de cocaïne moest worden gemixt en de verkoop van de gemixte cocaïne regelde. Ook regelde betrokkene de grote geldbedragen die hiermee gemoeid waren en het transport van dat geld. Getracht werd hierbij om uit het zicht van politie en justitie te blijven door te communiceren via cryptotoestellen. De rechtbank neemt op grond van dit vonnis (zie ECLI:NL:HR:2025:288) en de verklaring van betrokken ter zitting als uitgangspunt dat betrokkene betrokken is bij de handel in 200 kilo cocaïne.
De verdediging stelt in de conclusie van dupliek dat betrokkene met deze handel per kilo cocaïne respectievelijk € 1.000,00 (voor de verkoop van 50 kilo) en € 250,00 (voor het bewerken van 150 kilo) heeft verdiend. De rol die daarbij in de ontnemingsprocedure wordt geschetst, komt echter niet (geheel) overeen met de rol die betrokkene volgens het – onherroepelijke – vonnis in de strafzaak heeft gespeeld. Blijkens dit vonnis is de rol van betrokkene groter en van meer gewicht dan tijdens de zitting in de ontnemingsprocedure is geschetst. Dit maakt dat de rechtbank aannemelijk acht dat de verdiensten van betrokkene hoger waren dan in de ontnemingsprocedure is gesteld. Nu het dossier echter geen aanknopingspunten bevat om de exacte verdiensten van betrokkene (per verhandelde kilo cocaïne) vast te stellen, zal de rechtbank – in het voordeel van betrokkene – uitgaan van een bedrag van € 1.000,00 wederrechtelijk verkregen voordeel per kilo cocaïne. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de rechtbank ambtshalve bekend is dat dergelijke bedragen vaker worden genoemd als voordeel uit handel in blokken cocaïne. De rechtbank ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de grootte van de rol van betrokkene in de handel in blokken cocaïne, onvoldoende aanleiding om (deels) uit te gaan van een lager bedrag, zoals door de verdediging is bepleit.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op:
200 x € 1.000,00 = € 200.000,00.
4.2.
Vaststelling ontnemingsbedrag
De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 200.000,00 en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.
Gijzeling
Ingevolge artikel 36e, elfde lid, Sr kan gijzeling door de rechtbank tot maximaal drie jaar worden bevolen.

5.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36e Sr.

6.Beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 200.000,00(tweehonderdduizend euro);
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 200.000,00(tweehonderdduizend euro)ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag ten hoogste kan worden gevorderd op
1.095dagen;
- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter,
en mr. P.A.M. Wijffels en mr. L.E. van Oploo, rechters,
in tegenwoordigheid van, griffier, J.H. Cornelissen
en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 juli 2026.
mr. L.E. van Oploo en J.H. Cornelissen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.