ECLI:NL:RBZWB:2026:5826

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/5026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuningBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit omvang maatwerkvoorziening beschermd wonen en toekenning hoger pgb

Eiser ontving een maatwerkvoorziening beschermd wonen met een persoonsgebonden budget (pgb) voor 14 uur per week. Na een nieuwe indicatie werd een lagere ondersteuning van 10,5 uur per week toegekend, waartegen eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.

De rechtbank oordeelt dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door niet duidelijk te motiveren waarop de vermindering van de ondersteuning is gebaseerd en geen normenkader te hanteren. Ook is onvoldoende rekening gehouden met het zorgmomentenoverzicht van eiser en ontbreekt transparantie in de bezwaarprocedure.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft. Uit finale geschilbeslechting kent de rechtbank een pgb toe voor 17,15 uur per week, gebaseerd op het zorgmomentenoverzicht van eiser.

Daarnaast krijgt eiser het griffierecht en een proceskostenvergoeding van €2.534,- toegewezen. Het college wordt veroordeeld tot betaling van deze kosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en een pgb van 17,15 uur per week toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5026 WMO15

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg(het college)
(gemachtigde: mr. N.C.J.P. Melsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser toegekende maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Eiser is het niet eens met de omvang van de door het college toegekende ondersteuning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft bij besluit van 18 december 2023 een maatwerkvoorziening beschermd wonen arrangement 3 (ondersteund wonen 2) toegekend gekregen voor zeven etmalen per week. Het college heeft een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024. De gemiddelde omvang van de ondersteuning was daarmee 14 uur per week. Eiser koopt hiermee zorg in bij [zorgcentrum] in [woonplaats] , waar hij zijn eigen woonruime huurt.
2.1.
Omdat de indicatie afliep, heeft eiser zich weer gemeld bij het college. Op 14 januari 2025 heeft er een keukentafelgesprek plaatsgevonden. In het Plan van Aanpak is geconcludeerd dat eiser voor de periode van 1 februari 2025 tot en met 31 januari 2026 in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen arrangement 2 (ondersteund wonen 1) voor zeven etmalen per week tot een bedrag van € 692,31 per week. De gemiddelde omvang van de ondersteuning is daarmee 10,5 uur per week. Eiser heeft het Plan van Aanpak enkel voor gezien ondertekend. Met het retourneren daarvan is de aanvraag ingediend.
2.2.
Met een besluit van 12 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het college conform het Plan van Aanpak de maatwerkvoorziening beschermd wonen toegekend. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.3.
Met het besluit van 21 augustus 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, de ouders van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunt eiser
3. Eiser heeft aangevoerd dat het college ten onrechte niet zelf in kaart heeft gebracht welke ondersteuning hij naar aard en omvang nodig heeft (stap 3 van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep). [1] In bezwaar heeft eiser een zorgmomentenoverzicht overgelegd waaruit blijkt dat hij wekelijks 17,15 uur begeleiding van [zorgcentrum] ontvangt. Het college is hierin gaan strepen, maar onduidelijk is op basis waarvan dit is gebeurd aangezien er geen normenkader is gebruikt. Verder wijst eiser erop dat het college in het verweerschrift stelt dat het Plan van Aanpak is opgesteld door een Toegangsmedewerker die ook cliëntondersteuner is bij MEE. Volgens eiser kunnen deze functies vanuit het oogpunt van onafhankelijkheid niet tegelijkertijd worden vervuld. Daarnaast is het besluit in bezwaar door een bezwaarmedewerker volledig heroverwogen, maar deze persoon heeft volgens eiser niet de zorginhoudelijke kennis en deskundigheid om de omvang van de benodigde ondersteuning vast te stellen. Eiser voert ook aan dat de bezwaarprocedure van het college niet transparant is. Er is een adviescommissie, maar een verslag van de behandeling van de zaak door de commissie en het advies van de commissie ontbreken in het dossier.
Oordeel van de rechtbank
4. Blijkens het bestreden besluit heeft het college voor de vaststelling van de aard en omvang van de door eiser benodigde ondersteuning het door eiser in bezwaar overgelegde zorgmomentenoverzicht als uitgangspunt genomen. Aan de hand van de dagrapportages van [zorgcentrum] is de indicatie vervolgens op een aantal punten in minuten naar beneden bijgesteld, namelijk bij het aansturen bij persoonlijke hygiëne, boodschappen doen, was ophangen en opvouwen, verzorgen van het ontbijt en het aanleren van vaardigheden om administratie en financiën zelfstandig te beheren.
5. De rechtbank stelt vast dat voor alle van de onder 4. genoemde taken geldt dat onduidelijk is hoe het college aan de toegekende minuten is gekomen. Er is geen navraag gedaan bij [zorgcentrum] . Bij de taken aansturen bij persoonlijke hygiëne, was ophangen en opvouwen, verzorgen van het ontbijt en het aanleren van vaardigheden om administratie en financiën zelfstandig te beheren staat slechts dat het college meent dat het aantal toegekende minuten voldoende moet zijn. Deze bewoordingen zijn naar het oordeel van de rechtbank te algemeen. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.
5.1.
Reeds hierom is het beroep gegrond. De overige door eiser aangevoerde beroepsgronden behoeven geen verdere bespreking. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft. Uit een oogpunt van finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat eiser voor de periode van 1 februari 2025 tot en met 31 januari 2026 in aanmerking komt voor een pgb voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen met een gemiddelde omvang van de ondersteuning van 17,15 uur per week. De rechtbank heeft zich hierbij gebaseerd op het door eiser overgelegde zorgmomentenoverzicht. Het primaire besluit zal worden herroepen voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft.
6. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser het griffierecht terug. Hij krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet de proceskostenvergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 666,- voor de bezwaarfase (1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 1) en € 1.868,- voor de beroepsfase (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in beroep met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank stelt de totale kosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft;
  • herroept het primaire besluit voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft;
  • verstrekt aan eiser voor de periode van 1 februari 2025 tot en met 31 januari 2026 een pgb voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen met een gemiddelde omvang van de ondersteuning van 17,15 uur per week en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.534,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:441, r.o. 4.1.1.