Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het zodanig parkeren van een voertuig dat gevaar of hinder voor het verkeer werd veroorzaakt op de Beverweg te Breda op 8 oktober 2021. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, waarbij werd aangevoerd dat de gedraging plaatsvond tijdens het parkeren en niet op het moment van constatering, en dat de boete onterecht aan hem als kentekenhouder werd opgelegd omdat de huurovereenkomst met de daadwerkelijke gebruiker was beëindigd.
De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst op het moment van constatering was geëindigd, waardoor betrokkene als kentekenhouder verantwoordelijk bleef. Uit foto’s en verklaringen bleek dat het voertuig hinderlijk geparkeerd stond, waardoor de boete terecht was opgelegd. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, wat aanleiding gaf tot matiging van de boete met 50%.
Daarnaast werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag aan zekerheidstelling terug te betalen. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete is gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete is met 50% gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.