Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het hinderlijk parkeren van een voertuig op de Prinsenkade te Breda op 23 september 2021. Betrokkene stelde dat de boete onterecht was omdat de gedraging plaatsvond tijdens het parkeren en na het einde van de huurovereenkomst, en verzocht om vernietiging van de beschikking en oplegging aan de daadwerkelijke huurder.
De kantonrechter stelde vast dat de huurovereenkomst op het moment van constatering van de overtreding was geëindigd, waardoor betrokkene als kentekenhouder verantwoordelijk bleef. Uit foto’s en verklaringen bleek dat het voertuig hinderlijk geparkeerd stond, waardoor de boete terecht was opgelegd.
Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan twee jaar, deels veroorzaakt door vertragingen bij de rechtbank, matigde de kantonrechter de boete met 50%. Tevens werd betrokkene een proceskostenvergoeding van € 934 toegekend. De beslissing van de officier van justitie werd dienovereenkomstig gewijzigd.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond, boete gematigd met 50% en proceskostenvergoeding toegekend.