Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het hinderlijk parkeren van een voertuig op de Nieuwe Prinsenkade te Breda op 23 september 2021. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, waarbij werd aangevoerd dat de gedraging plaatsvond tijdens het parkeren en niet bij constatering, en dat de boete onterecht aan betrokkene als kentekenhouder was opgelegd omdat de huurovereenkomst met de daadwerkelijke huurder was beëindigd.
De rechtbank stelde vast dat de huurovereenkomst op het moment van constatering was geëindigd, waardoor betrokkene als kentekenhouder verantwoordelijk bleef. Uit foto’s en de verklaring van de verbalisant bleek dat het voertuig hinderlijk geparkeerd stond, waardoor de boete terecht was opgelegd.
De procedure duurde ruim vier jaar, wat een grove overschrijding van de redelijke termijn betekent. De rechtbank matigde daarom de boete met 50%, een hogere compensatie dan de gebruikelijke 25% vanwege de extra overschrijding en deels stilzitten van de rechtbank. Tevens werd een proceskostenvergoeding van €934 toegekend aan betrokkene.
De beslissing van de officier van justitie werd gewijzigd, de boete werd verlaagd tot €50 plus administratiekosten, en het teveel betaalde bedrag werd terugbetaald. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond, boete gematigd met 50% wegens overschrijding redelijke termijn en proceskostenvergoeding toegekend.