ECLI:NL:RBZWB:2026:5734

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
10071743 \ MB VERZ 22-792
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen verkeersboete wegens hinderlijk parkeren met matiging boete

Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het zodanig parkeren van een voertuig dat gevaar of hinder voor het verkeer kon ontstaan op de Beverweg te Breda op 8 oktober 2021. Betrokkene stelde dat de boete onterecht was omdat de gedraging plaatsvond tijdens de huurperiode van een huurder, niet tijdens het moment van constatering, en dat de boete onterecht aan hem als kentekenhouder werd opgelegd.

De rechtbank oordeelde dat de huurovereenkomst op het moment van constatering was geëindigd, waardoor betrokkene als kentekenhouder verantwoordelijk bleef. Uit foto’s en verklaringen bleek dat het voertuig hinderlijk geparkeerd stond, waardoor de boete terecht was opgelegd. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden met ruim twee jaar.

Gezien deze grove overschrijding matigde de rechtbank de boete met 50%. Tevens werd betrokkene een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter. De beslissing van de officier van justitie werd dienovereenkomstig gewijzigd en het teveel betaalde bedrag aan zekerheidstelling werd terugbetaald.

Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete is gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete is gematigd met 50% vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 10071743 \ MB VERZ 22-792
CJIB-nummer: [cjib-nummer]
uitspraakdatum: 9 juni 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene] B.V.
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. M. Lagas (Appjection B.V.)

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is eerder behandeld op de zitting van 13 januari 2023. De kantonrechter heeft de behandeling van de zaak toen aangehouden in afwachting van een arrest van het hof. De zaak is vervolgens behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Namens gemachtigde is mr. T.F.V. Fleuren verschenen. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd, Beverweg te Breda op 8 oktober 2021 om 11:37 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging is verricht op het moment dat de scooter wordt geparkeerd en niet wanneer de gedraging wordt geconstateerd. De boete is in dit geval ook na het eindigen van de huur opgelegd. Betrokkene heeft als kentekenhouder een huurovereenkomst overgelegd waarin de huurder wordt aangemerkt die ten tijde van de gedraging de huurder was. Dat is degene die het voertuig heeft geparkeerd, ofwel de laatste huurder voordat de boete is opgelegd. Er is sprake van een bedrijfsmatige aangegane huurovereenkomst van minder dan drie maanden. Niet wettelijk is bepaald dat de geboortedatum van de huurder dient te worden vermeld. Gelet op de AGV zal een minimum aan gegevens van de huurder worden aangeleverd. Verzocht wordt de beschikking te vernietigen en de beschikking opnieuw op te leggen aan de betreffende huurder. Gemachtigde heeft verzocht om de toewijzing van proceskostenvergoeding.
Ter zitting heeft gemachtigde aangevoerd dat de discussie inhoudelijk nergens meer om gaat, aangezien het hof heeft bepaald dat het een civiele kwestie betreft, omdat de algemene voorwaarden van betrokkene niet voldoende duidelijk waren. Daarom zijn de algemene voorwaarden inmiddels aangepast, waardoor een gebruiker akkoord gaat met het doorlopen van de overeenkomst tot de eerstvolgende gebruiker het voertuig huurt. Daarbij is de laatste gebruiker telkens dus verantwoordelijk. Het verzoek op de uitzondering van art. 8 Wahv Pro is daarom niet meer aan de orde. De inhoudelijke beroepsgrond is afhankelijk van de foto’s waarmee telkens kan worden beoordeeld of sprake is van hinderlijk parkeren. Doordat deze foto ontbreekt in het dossier was een intrekking voor de zitting niet meer mogelijk. Daarom dient ter zitting te worden gekeken naar de foto.
Ten aanzien van deze zaak is het standpunt van gemachtigde na het ter zitting inzien van de foto dat inderdaad te zien is dat het voertuig hinderlijk geparkeerd staat. Primair wordt gelet op dat het een inmiddels oude zaak uit 2021 betreft verzocht om vernietiging. Subsidiair wordt, conform de uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant, verzocht om een matiging van 50% en meer subsidiair om een matiging van 25% conform de vaste lijn.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren, omdat de gedraging op basis van de foto’s voldoende kan worden vastgesteld. Omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%. Voor een hogere matiging ziet de zittingsvertegenwoordiger geen aanleiding.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter stelt vast dat het beroep op de uitzondering van artikel 8 Wahv Pro niet aan de orde is aangezien het hof hier inmiddels een arrest over heeft gewezen (ECLI:NL:GHARL:2022:11123) waaruit blijkt dat de verhuurder zich alleen kan disculperen als de huurovereenkomst op het exacte moment van vaststelling van de gedraging nog loopt. In deze zaak is de huurovereenkomst op het moment van vaststelling van de gedraging afgelopen, waardoor betrokkene verantwoordelijk is voor de gedragingen die met het voertuig zijn verricht.
Het verweer richt zich op de vraag of daadwerkelijk sprake is van hinder. Uit de foto’s in combinatie met de verklaring van de verbalisant blijkt voldoende dat sprake is van hinder, waardoor de boete terecht is opgelegd aan betrokkene als kentekenhouder.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.
Omdat sprake is van een grove overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 50%. Daarbij is van belang dat het gerechtshof Arnhem/Leeuwarden heeft geoordeeld dat bij de overschrijding van een termijn van berechting van twee jaar de betrokkene in beginsel gecompenseerd dient te worden met een matiging van 25% op de opgelegde sanctie. Uit het gebruik van de woorden “in beginsel” volgt dat hier van afgeweken kan worden. Bij het oplopen van de overschrijding van de redelijke termijn van berechting dient de mate van compensatie naar het oordeel van de kantonrechter ook op te lopen. Nu in deze zaak de redelijke termijn van twee jaar overschreden is met ruim twee jaar, en deze termijn deels te wijten is aan het stilzitten van de rechtbank, zal de kantonrechter de opgelegde sanctie matigen met 50%.
Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskostenvergoeding
Omdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift 1 punt + zitting 1 punt = 2 punten x gewicht 0,5 x € 934,- = € 934,00.

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 50, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: