Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
“Ja want je moet de koe in de categorie zetten die het dichtst bij de werkelijkheid komt zetten”.Toen zij vervolgens per e-mail vroeg of zij dit antwoord goed had begrepen, kreeg zij als reactie:
“Het antwoord van mijn collega klopt, (…)”. Deze uitlatingen konden naar het oordeel van de rechtbank bij eiser en zijn echtgenote redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van RVO over hun concrete situatie. De minister heeft ter zitting aangevoerd dat de medewerkers van het klantcontactcentrum in de eerste lijn hun antwoorden bewust algemeen formuleren, zodat hieraan geen vertrouwen kon worden ontleend. De minister heeft erop gewezen dat ook in dit geval is medegedeeld dat de dieren moeten worden ingedeeld
“in de categorie waarvan de omschrijving overeenkomt of het dichtstbij uw situatie komt”.Die werkwijze heeft in dit geval, waarin door de echtgenote van eiser een concrete vraag aan RVO werd gesteld, naar het oordeel van de rechtbank alleen maar voor onduidelijkheid gezorgd. Die onduidelijkheid komt in dit geval naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van RVO en kan niet aan eiser worden tegengeworpen. Het gaat bovendien niet om algemene voorlichting of uitlatingen over een ander geval of jegens derden. Daarbij is verder van belang dat eiser naar het oordeel van de rechtbank te goeder trouw heeft gehandeld en zelf niet deskundig is, aangezien hij voor zijn mestboekhouding gebruik maakt van de diensten van een adviseur. RVO is in dit geval de deskundige instantie waar eiser zijn echtgenote haar vraag terecht heeft voorgelegd. Ter zitting heeft eiser verklaard dat als zij een ontkennend antwoord van RVO hadden gekregen, hij de administratie met terugwerkende kracht had kunnen aanpassen. De minister heeft dat niet weersproken.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van €194,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van in totaal