ECLI:NL:RBZWB:2026:5547

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446027 / FA RK 26-1319
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 1:253a BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor hulpverlening minderjarigen ondanks mogelijke intrekking door ouder

Partijen zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag over drie minderjarige kinderen, waarvan twee betrokken zijn bij een hulpverleningstraject. De vrouw verzoekt de rechtbank om vervangende toestemming te verkrijgen voor het aanmelden en behandelen van de minderjarigen in diverse hulptrajecten, omdat de man zijn toestemming mogelijk kan intrekken, wat de continuïteit van de hulpverlening zou bedreigen.

De man heeft tijdens de zitting mondeling toestemming gegeven voor de hulpverlening, maar uit zijn eerdere gedragingen blijkt dat hij zijn toestemming heeft ingetrokken. De rechtbank weegt het belang van de minderjarigen en oordeelt dat de gegeven toestemming onvoldoende waarborgen biedt voor de continuïteit van de noodzakelijke hulp.

Daarom verleent de rechtbank de vrouw vervangende toestemming die van kracht wordt indien de man zijn toestemming intrekt, zodat de hulpverlening zonder onderbreking kan doorgaan. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming aan de vrouw voor hulpverlening aan minderjarigen om continuïteit te waarborgen ondanks mogelijke intrekking door de man.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/446027 / FA RK 26-1319
datum uitspraak: 12 juni 2026
beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv Pro
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.A.M. van Weely te Waalwijk,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M.W.F. van Wijk te Helmond,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] (alleen in de bodem);
-
[minderjarige 2] ,geboren op [geboortedag 2] 2012 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
-
[minderjarige 3] ,geboren op [geboortedag 3] 2014 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de minderjarigen.

1.Het procesverloop

1.1.
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 10 maart 2026 ontvangen verzoekschrift (bodem en provisioneel verzoek) van
mr. Van Weely namens de vrouw, met bijlagen;
  • de brief van mr. Van Weely van 27 mei 2026, met bijlagen;
  • de brief van mr. Van Wijk van 1 juni 2026, met bijlagen.
1.2.
Het provisionele verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 2 juni 2026. Bij die behandeling is de vrouw verschenen, met haar advocaat. Ook de man is verschenen.
Mr. Van Wijk is niet verschenen, zoals hij in zijn brief van 1 juni 2026 van tevoren heeft aangekondigd. Tot slot was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
1.3.
Voor de zitting heeft de rechtbank met de minderjarigen gesproken over het verzoek. Daarnaast hebben de minderjarigen de rechtbank een brief geschreven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat de minderjarigen hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Het tussen partijen aanhangige geschil in het bodemverzoek is bij de rechtbank ingeschreven onder het kenmerk: C/02/446031 FA RK 26-1322.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van het Gerecht in Eerste aanleg van Curaçao van [datum] 2018 is de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 18 mei 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2.
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn tijdens het huwelijk van partijen geboren.
2.3.
De minderjarigen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.4.
Partijen hebben samen het gezag over de minderjarigen.
2.5.
Bij beschikking van deze rechtbank van 18 april 2025 is bepaald dat, voor zover nodig onder wijziging van het tussen de ouders overeengekomen ouderschapsplan, dat de inhoud van de aangehechte pagina’s uit de UHA-rapportage d.d. 29 november 2024 onderdeel uitmaakt van de beschikking.
2.6.
De man, de vrouw en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar vervangende toestemming te verlenen om de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan te melden en te laten behandelen in de hulptrajecten zoals vermeld in het lichaam van het verzoekschrift onder 3.1.1., de aanbieders nader te bepalen, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in het belang van de genoemde minderjarigen wenselijk voorkomt.
3.2.
Onder 3.1.1 van het verzoekschrift is vermeld dat door de hulpverlening vanuit de gemeente Waalwijk, Afdeling WijZ, voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de navolgende hulptrajecten zijn geadviseerd:
Hulptrajecten voor [minderjarige 2] :
  • Psycho Motorische Therapie (PMT);
  • Schoolmaatschappelijk Ondersteuner (SMO).
Hulptrajecten voor [minderjarige 3] :
  • Psycho-educatie;
  • Speltherapie (PMT);
  • AMO Actieve Opvang;
  • Schoolmaatschappelijk Ondersteuner (SMO).
3.3.
De man heeft geen verweer gevoerd en heeft alsnog mondeling toestemming verleend voor de hiervoor genoemde behandelingen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
Ingevolge artikel 223 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hangt onderhavig verzoek samen met de verzoeken in de hoofdzaak. Ter beantwoording van de vraag of plaats is voor toewijzing van het verzoek, dient de rechtbank daarnaast te beoordelen of de vrouw een voldoende (spoedeisend) belang heeft bij de verzochte voorlopige voorzieningen. Ter onderbouwing hiervan stelt de vrouw dat het van groot belang is dat de hulpverlening voor de minderjarigen nu snel wordt opgestart. Het bevreemdt de rechtbank dat het verzoek pas in maart 2026 is ingediend, omdat de gemeente Waalwijk al in een e-mailbericht van 23 oktober 2025 inzichtelijk heeft gemaakt welke hulpverlening nodig is voor de minderjarigen. Desalniettemin acht de rechtbank het in het belang van de minderjarigen dat zij zo spoedig mogelijk de juiste hulp krijgen. De rechtbank is daarom van oordeel dat van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de bodemprocedure afwacht en dus dat sprake is van een voldoende spoedeisend belang. De vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezagsuitoefening aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt.
4.4.
Op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge toelichting ter zitting staat verder voldoende vast dat hulpverlening voor de minderjarigen noodzakelijk is. Ter zitting is gebleken dat de man alsnog mondeling zijn toestemming heeft verleend voor de verzochte hulpverlening. Ter onderbouwing waarom hij dit niet eerder heeft gedaan, geeft de man aan dat hij het niet eens is met de manier waarop de vrouw en de gemeente Waalwijk met hem communiceren. De man begrijpt dat de minderjarigen hulp nodig hebben en hij staat achter de geadviseerde behandelingen, maar vindt dat hij nergens van op de hoogte wordt gesteld. Door de vrouw wordt hem enkel gevraagd om toestemming te geven, maar de man weet vaak niet waarvoor dat is. De man heeft op de zitting desgevraagd volmondig toestemming gegeven voor het inzetten van de hiervoor onder 3.2 genoemde hulptrajecten voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De rechtbank houdt de man ook aan deze gedane toezegging, omdat dit in het belang van de minderjarigen is.
4.5.
Ondanks de mondelinge toestemming van de man, heeft de vrouw de rechtbank verzocht haar vervangende toestemming te verlenen voor het inschakelen van hulpverlening ten behoeve van de minderjarigen, voor het geval de man die toestemming op enig moment intrekt. Dit heeft hij volgens de vrouw in het verleden ook gedaan.
4.6.
De rechtbank overweegt dat de gegeven toestemming, gelet op de omstandigheden van het geval, onvoldoende waarborgen biedt voor de continuïteit van de noodzakelijke hulpverlening aan de minderjarigen. Het is van groot belang dat de minderjarigen tijdig de hulp ontvangen die zij nodig hebben en dat een eenmaal gestart hulpverleningstraject niet wordt onderbroken als gevolg van een wijziging van standpunt van een van de ouders. De minderjarigen mogen niet de nadelige gevolgen ondervinden van een eventuele intrekking van de toestemming door de man. De rechtbank acht het daarom in het belang van de minderjarigen aangewezen de vrouw toch, ondanks de toestemming van de man, vervangende toestemming te verlenen voor het inschakelen en continueren van de noodzakelijke hulpverlening, welke toestemming van kracht wordt indien en zodra de man - onverhoopt - zijn toestemming intrekt. Op die wijze wordt gewaarborgd dat de hulpverlening zonder onderbreking kan worden voortgezet.
4.7.
De rechtbank zal deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van de minderjarigen is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
4.8.
Omdat partijen ex-echtgenoten van elkaar zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verleent aan de vrouw, voor het geval dat de man zijn toestemming alsnog intrekt, toestemming ter vervanging van de alsdan ontbrekende toestemming van de man om de minderjarigen:
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2012 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2014 te [geboorteplaats] ,
aan te melden voor en te laten behandelen in de hierboven onder 3.2. bedoelde hulptrajecten;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026 in aanwezigheid van Akkermans-Bruijs, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch.