Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen
en [eiseres](eiseres), uit [plaats] ,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eisers ontvingen een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) die door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) is herzien over de periode januari tot en met oktober 2022. De herziening en terugvordering van € 616,67 volgde op een teruggave inkomstenbelasting die eiseres ontving over 2022.
Eisers voerden aan dat de teruggave voortkwam uit een afgekocht pensioen in november en december 2022 en dat deze niet als inkomen voor de AIO-aanvulling over de eerdere maanden mocht worden meegeteld. De Svb stelde dat de teruggave betrekking had op het gehele jaar 2022 en daarom naar rato moest worden toegerekend.
De rechtbank volgde de Svb en oordeelde dat de teruggave IB/PVV als inkomen moet worden toegerekend aan de maanden waarop deze betrekking heeft, in dit geval 10/12e deel voor de maanden januari tot en met oktober 2022. De terugvordering was daarmee terecht en eisers hadden geen dringende redenen aangevoerd om hiervan af te zien.
Het beroep van eisers werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eisers kregen geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de herziening en terugvordering van de AIO-aanvulling door de Sociale Verzekeringsbank.