ECLI:NL:RBZWB:2026:5542

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/331
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 ParticipatiewetArt. 32 ParticipatiewetArt. 47a ParticipatiewetArt. 47b ParticipatiewetArt. 54 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering AIO-aanvulling wegens teruggave inkomstenbelasting

Eisers ontvingen een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) die door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) is herzien over de periode januari tot en met oktober 2022. De herziening en terugvordering van € 616,67 volgde op een teruggave inkomstenbelasting die eiseres ontving over 2022.

Eisers voerden aan dat de teruggave voortkwam uit een afgekocht pensioen in november en december 2022 en dat deze niet als inkomen voor de AIO-aanvulling over de eerdere maanden mocht worden meegeteld. De Svb stelde dat de teruggave betrekking had op het gehele jaar 2022 en daarom naar rato moest worden toegerekend.

De rechtbank volgde de Svb en oordeelde dat de teruggave IB/PVV als inkomen moet worden toegerekend aan de maanden waarop deze betrekking heeft, in dit geval 10/12e deel voor de maanden januari tot en met oktober 2022. De terugvordering was daarmee terecht en eisers hadden geen dringende redenen aangevoerd om hiervan af te zien.

Het beroep van eisers werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eisers kregen geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de herziening en terugvordering van de AIO-aanvulling door de Sociale Verzekeringsbank.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/331 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser](eiser)
en [eiseres](eiseres), uit [plaats] ,
samen eisers,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Utrecht(Svb; kantoor [locatie] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening van het recht van eisers op een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) en gedeeltelijke terugvordering. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het recht van eisers op de AIO-aanvulling terecht is herzien en deels teruggevorderd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Svb terecht de AIO-aanvulling van eiseres heeft herzien en gedeeltelijk heeft teruggevorderd. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers ontvingen een AIO-aanvulling. Met het besluit van 17 juni 2024 (primair besluit) heeft de Svb het recht van eisers op de AIO-aanvulling herzien over de periode van januari 2022 tot en met oktober 2022. Daarbij is bepaald dat eisers een bedrag van € 616,67 aan de Svb moeten terugbetalen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 28 november 2024 op het bezwaar van eisers is de Svb bij dat primaire besluit gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde (en tevens dochter) van eisers en mr. A. Marijnissen namens de Svb.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. Eisers ontvingen een AIO-aanvulling. Vanaf 14 oktober 2022 heeft eiseres recht op pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Bij besluit van 20 juli 2022 heeft de Svb aan eisers medegedeeld dat de AIO-aanvulling wordt beëindigd per 1 november 2022, omdat hun gezamenlijke inkomsten vanaf die datum hoger zijn dan het normbedrag voor gehuwden van € 1.660,36.
3.1.
De Belastingdienst heeft aan eisers allebei een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslag IB/PVV) over het jaar 2022 opgelegd. Eiser ontvangt daarin een teruggave van € 217,00 en eiseres een teruggave van € 523,00.
3.2.
Met het primaire besluit heeft de Svb het recht op een AIO-aanvulling van eisers over de maanden januari 2022 tot en met oktober 2022 herzien en € 616,67 van hen teruggevorderd. Eisers maken bezwaar tegen het door eiseres terug te betalen bedrag van (10/12 x € 523,00 =) € 435,84. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Standpunt eisers
4. Eisers voeren in beroep aan dat de teruggave heffingskorting in de aanslag IB/PVV van eiseres geheel voortkomt uit het afgekochte pensioen, dat is ontvangen van twee pensioenfondsen in de periode november en december 2022. Omdat eiseres in die maanden geen beroep op bijstand heeft gedaan, behoort het aanvullende inkomen volgens eisers niet bij de middelen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, sub b, van de Participatiewet. De Svb heeft geen menselijke maat toegepast en ten onrechte de pensioenafkoop verdeeld over het gehele jaar 2022. Als het pensioen in de toekomst in delen was uitgekeerd, dan had dit niet geleid tot een terugvordering. Door het terugvorderen van 10/12e deel van de teruggave IB/PVV ontvangen eisers over de periode januari tot en met oktober 2022 te weinig AIO-aanvulling. Volgens eisers is de terugvordering onrechtvaardig en moet deze door de Svb worden teruggedraaid.
Standpunt Svb
5. De Svb stelt zich op het standpunt dat de teruggave inkomstenbelasting van eiseres over het jaar 2022 aangemerkt moet worden als inkomen als bedoeld in artikel 32 van Pro de Participatiewet. De teruggave heeft betrekking op het gehele jaar en dient daarom evenredig toe te worden gerekend aan het aantal maanden waarop deze teruggave betrekking heeft.
Wettelijk kader
6. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank dient te beoordelen of de Svb op goede gronden de AIO-aanvulling van eisers over de maanden januari 2022 tot en met oktober 2022 (periode in geding) heeft herzien en de te veel verstrekte AIO-aanvulling ten bedrage van € 616,67 van eisers heeft teruggevorderd.
7.1.
De AIO-aanvulling betreft een aanvulling op het inkomen van eisers tot de hoogte van de bijstandsnorm. Deze aanvulling is dus afhankelijk van de hoogte van het inkomen van eisers.
7.2.
Artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de Participatiewet bepaalt dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
7.3.
Artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in Pro aanmerking genomen middelen voor zover deze een (voorlopige) teruggave van inkomstenbelasting betreffen en betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
7.4.
De rechtbank stelt voorop dat de afgekochte pensioenen zijn ontvangen in november en december 2022 en geen invloed hebben gehad op de AIO-aanvulling in de periode ervoor. Deze ontvangen inkomsten worden namelijk niet in mindering gebracht op de AIO-aanvulling.
7.5.
Volgens vaste jurisprudentie [1] moet de teruggave IB/PVV over het jaar 2022 op grond van artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet als inkomen worden toegerekend aan de periode waarop deze teruggave betrekking heeft en dient dit per maand te geschieden.
7.6.
De Svb heeft op grond van artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie in dit geval terecht de teruggave IB/PVV als inkomen aangemerkt dat betrekking heeft op het gehele jaar 2022. Eisers hebben echter slechts 10 maanden (van januari 2022 tot en met oktober 2022) een AIO-aanvulling gehad. De Svb moest daarom bij de vaststelling van het inkomen van eisers rekening houden met het bedrag van de teruggave door het naar evenredigheid toe te rekenen aan het aantal maanden waarop deze teruggave betrekking heeft. De Svb heeft dus terecht 10/12e deel van de teruggave in aanmerking genomen als inkomen.
7.7.
De terugvordering ziet op een correctie van de AIO-aanvulling van eisers naar aanleiding van achteraf door hen ontvangen middelen. De Svb kon pas rekening houden met die bedragen op het moment dat eisers de teruggaven hadden ontvangen, dus op het moment dat zij daarover konden beschikken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Svb terecht de over de maanden januari 2022 tot en met oktober 2022 te veel ontvangen AIO-uitkering (€ 616,67) heeft teruggevorderd op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, onder 1º jo. artikel 47b van de Participatiewet. Eisers hebben geen gronden aangevoerd tegen de hoogte van het teruggevorderde bedrag.
7.8.
De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat zij door de terugvordering over de periode van januari tot en met oktober 2022 te weinig AIO-aanvulling hebben ontvangen. Zij hebben namelijk op basis van de bij aanvang van het jaar 2022 beschikbare gegevens de AIO-aanvulling gekregen waar zij recht op hadden. Als de achteraf ontvangen teruggave bij aanvang van het jaar bekend was geweest, hadden zij de maandelijkse delen hiervan als inkomen ontvangen en dus recht op minder AIO-aanvulling gehad.
7.9.
Eisers verwijzen daarnaast naar een in beroep overgelegd besluit van 2 november 2018, waarin toepassing van het beleid van de Svb er in beginsel toe zou leiden dat 6/12e deel van de opgelegde aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 zou worden meegenomen. In dat besluit is echter afgeweken van het beleid waardoor de aanslag voor het gehele jaar gecompenseerd is. De Svb heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat toen weliswaar is afgeweken van het beleid, nog daargelaten of dat juist was, maar dat ook sprake was van een andere situatie waarin het enige inkomen de AIO-aanvulling was. In dit geval is echter sprake van een optelsom van inkomensbronnen. De Svb hoefde naar het oordeel van de rechtbank in deze omstandigheden geen aanleiding te zien om in dit geval af te wijken van het hiervoor weergegeven kader.
7.10.
In de Participatiewet is verder opgenomen dat bij de aanwezigheid van dringende redenen de Svb geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan afzien. [2]
7.11.
De CRvB heeft zijn uitleg van het begrip ‘dringende redenen’ bij herziening en terugvordering verruimd. [3] De Raad heeft hierbij overwogen dat hij de dringende reden voortaan ziet als een open norm waarbinnen het bestuursorgaan, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan.
7.12.
Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zich in dit geval dringende redenen voordoen als hiervoor bedoeld, nu zij niet hebben geconcretiseerd welke onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen de terugvordering heeft. Dat de terugbetaling zuur uitpakt voor eisers is voorstelbaar, maar dit is onvoldoende om op grond van een dringende reden af te zien van terugvordering.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en er niets verandert voor eisers. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 22 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 31, eerste lid, eerste volzin
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Artikel 32, eerste lid
1. Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in Pro aanmerking genomen middelen voorzover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van Pro de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Artikel 47a
1. De Sociale verzekeringsbank heeft tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan:
a. alleenstaanden en alleenstaande ouders die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt;
b. gehuwden, van wie beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt dan wel van wie één echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
2. De artikelen 1 tot en met 6, hoofdstuk 2, met uitzondering van artikel 18, hoofdstuk 3, de paragrafen 5.1 en 5.2, hoofdstuk 6 en de artikelen 79, 80 en 81 zijn van toepassing op de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, door de Sociale verzekeringsbank, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.
Artikel 47b (voor zover hier van belang)
Voor de toepassing van artikel 47a, eerste lid, wordt in de artikelen 54 en 58, eerste, tweede, vierde, vijfde, zevende en achtste lid, voor ‘het college’ telkens gelezen: de Sociale verzekeringsbank.
Artikel 54, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, tweede en achtste lid
2. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand:
a. anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
b. in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;
c. voortvloeit uit gestelde borgtocht;
d. ingevolge artikel 52 bij Pro wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;
e. anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of
f. anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:
1° de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is
verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken;
2° bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming.
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.Zie onder andere de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2865, en van 20 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:441 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:CRVB:2020:441).
2.Artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet.
3.CRvB 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2194.