ECLI:NL:RBZWB:2026:5527

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/3494
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 220 GemeentewetArt. 220c GemeentewetArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Motiveringsbeginsel geschonden bij uitspraak op bezwaar OZB, beroep gegrond verklaard

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) van de gemeente Oisterwijk. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde vast op € 815.000 en legde de OZB-aanslag van € 808,48 op. Het bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat de uitspraak op bezwaar niet deugdelijk was gemotiveerd omdat de heffingsambtenaar niet op de door belanghebbende aangevoerde grieven over de geleverde gemeentelijke diensten was ingegaan, maar zich uitsluitend richtte op de WOZ-waarde. Hierdoor werd het motiveringsbeginsel geschonden en was belanghebbende genoodzaakt beroep in te stellen.

Hoewel het beroep gegrond werd verklaard en de uitspraak op bezwaar werd vernietigd, liet de rechtbank de rechtsgevolgen van die uitspraak in stand. De rechtbank benadrukte dat de OZB een algemene belasting is en niet afhankelijk is van de mate van profijt van gemeentelijke diensten. Belanghebbende kreeg een proceskostenvergoeding en het griffierecht werd vergoed, maar een korting op de OZB werd afgewezen.

De uitspraak onderstreept het belang van een deugdelijke motivering in bestuursrechtelijke besluiten en bevestigt dat de OZB niet kan worden verminderd op grond van vermeende tekortkomingen in gemeentelijke dienstverlening.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van het motiveringsbeginsel, de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3494 OZB

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 5 juni 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] (de woning) op 1 januari 2024 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 815.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) van de gemeente Oisterwijk voor het jaar 2025 opgelegd (de aanslag OZB).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en zijn echtgenote en, namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde] .

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de woning.
2.1.
De heffingsambtenaar heeft de aanslag OZB opgelegd tot een bedrag van € 808,48.

Beoordeling door de rechtbank

3. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag OZB moet worden verminderd, omdat hij niet de diensten geleverd krijgt die hij van de gemeente zou mogen verwachten. Belanghebbende wijst hierbij met name op defecte of ontbrekende straatverlichting, ondeugdelijke hemelwaterafvoer, de afstand tot de plaats waar het afval wordt opgehaald, de aanwezigheid van berenklauw achter het perceel, en het niet woonrijp opleveren van de wijk. Verder wijst belanghebbende erop dat de uitspraak op bezwaar alleen ziet op de WOZ-waarde, terwijl het bezwaar niet gericht was tegen de WOZ-waarde.
4. De rechtbank overweegt dat artikel 220, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet bepaalt dat ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken onder de naam onroerende-zaakbelastingen een belasting kan worden geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar van onroerende zaken het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. Ingevolge artikel 220c van de Gemeentewet is de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar.
4.1.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de beslissing op bezwaar moet berusten op een deugdelijke motivering die uiterlijk bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. De heffingsambtenaar is in de uitspraak op bezwaar in het geheel niet ingegaan op de door belanghebbende aangevoerde grieven die zijn gericht tegen de OZB, maar is uitsluitend ingegaan op de vraag of de WOZ-waarde al dan niet te hoog is vastgesteld. Eerst in de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar in het verweerschrift een standpunt ingenomen over het betoog van belanghebbende omtrent de OZB. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak op bezwaar niet deugdelijk gemotiveerd en is belanghebbende hierdoor gedwongen om beroep in te stellen. De rechtbank zal het beroep om deze reden gegrond verklaren en de uitspraak op bezwaar vernietigen. De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand kunnen blijven.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de WOZ-waarde van de woning € 815.000 bedraagt. Gelet op deze WOZ-waarde en het in 2025 in de gemeente Oisterwijk geldende tarief voor de OZB van 0,0992% [1] voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen, heeft de heffingsambtenaar de aanslag OZB tot het juiste bedrag opgelegd. Zoals de heffingsambtenaar ter zitting heeft toegelicht, is er geen mogelijkheid om voor de te betalen OZB een korting te verlenen. Belanghebbende heeft enkel gesteld dat een dergelijke korting op basis van landelijk beleid mogelijk zou zijn, maar heeft deze stelling niet onderbouwd.
4.3.
De OZB is geen profijtbelasting, maar een algemene belasting waarvan de opbrengsten in de algemene middelen vallen. Het staat de gemeente vrij om de opbrengsten van deze algemene belasting vrijelijk aan te wenden voor specifieke doeleinden. De wijze waarop deze aanwending wordt vormgegeven, mag de gemeente zelf bepalen. Het is niet relevant in hoeverre belanghebbende profiteert van de besteding van de opbrengsten. De omstandigheid dat de gemeente volgens belanghebbende nalaat om bepaalde diensten aan hem te verlenen, brengt dus niet mee dat de OZB ten onrechte is opgelegd of verminderd moet worden.
4.4.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aanslag OZB terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.

Conclusie

5. Het beroep is gegrond en de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd, maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.
5.1.
Een deel van de door belanghebbende opgevoerde kosten heeft betrekking op de bezwaarfase. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een vergoeding van deze kosten, omdat een verzoek om vergoeding van deze kosten dient te worden gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. [2]
5.2.
Met betrekking tot de beroepsprocedure komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn reiskosten. De rechtbank stelt de vergoeding van de reiskosten vast op € 15,60. De rechtbank merkt hierbij op dat de reiskosten van de partner van belanghebbende niet voor vergoeding in aanmerking komen. Belanghebbende heeft voorts recht op een vergoeding voor de verletkosten die hij heeft gemaakt om de zitting bij te kunnen wonen. De rechtbank stelt deze vergoeding vast op € 157,62 (3 uur à € 52,54 per uur). De proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 173,22.
5.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de overige door belanghebbende opgevoerde kosten. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voorziet in een proceskostenvergoeding voor de eigen tijd die een belanghebbende heeft besteed aan het opstellen van processtukken en het bestuderen van een zaak. [3] Ook de tijd die belanghebbende heeft besteed aan het voeren van correspondentie komt niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, met instandlating van de rechtsgevolgen;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 173,22 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 5, onderdeel b, van de Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2025 van de gemeente Oisterwijk.
2.Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
3.Hoge Raad 21 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7940.