ECLI:NL:RBZWB:2026:5508

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/02/438948 / HA ZA 25-474
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Scheffers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 6:127 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onregelmatige onmiddellijke opzegging duurovereenkomst leidt tot schadevergoeding

De zaak betreft een langdurige handelsrelatie tussen [eisende partij] B.V. en Pure Fishing Netherlands B.V. (PFN) die sinds 2013 samenwerkten. PFN beëindigde de samenwerking per direct op 17 april 2025, wat door [eisende partij] werd betwist als onregelmatig. De rechtbank stelde vast dat PFN wel degelijk de contractspartij was en dat er sprake was van een duurovereenkomst.

De rechtbank oordeelde dat de onmiddellijke opzegging niet was toegestaan en dat een opzegtermijn van vijf maanden redelijk was gezien de omstandigheden, waaronder de afhankelijkheid van [eisende partij] van PFN voor circa 40% van haar omzet. PFN had onvoldoende gemotiveerd betwist dat [eisende partij] schade had geleden door het wegvallen van de Pure Fishing-producten.

De schade werd begroot op €111.625, gebaseerd op de misgelopen brutowinst over de redelijke opzegtermijn. Verrekening met openstaande facturen van andere concernentiteiten werd afgewezen omdat deze aparte rechtspersonen zijn. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd eveneens afgewezen. PFN werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding, wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: PFN is veroordeeld tot betaling van €111.625 schadevergoeding wegens onregelmatige onmiddellijke opzegging van de duurovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/438948 / HA ZA 25-474
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eisende partij] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. B.A.J. van Lammeren,
tegen
PURE FISHING NETHERLANDS B.V.,
te Breda,
gedaagde partij,
hierna te noemen: PFN,
advocaat: mr. N.E. Hemstra.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eisende partij] is een onderneming die zich bezighoudt met de verkoop van hengelsportartikelen. PFN is onderdeel van het ‘Pure Fishing’-concern dat verschillende hengelsportproducten verkoopt. Partijen werkten sinds 2013 samen. Een groot deel van de omzet van [eisende partij] kwam voort uit de verkoop van Pure Fishing-producten. Op 17 april 2025 heeft PFN de samenwerking met [eisende partij] per direct opgezegd. Volgens [eisende partij] was deze opzegging onregelmatig. Hij vordert daarom een schadevergoeding. PFN betwist dat zij de contractspartij van [eisende partij] was en overigens ook dat de opzegging niet toegestaan was. De rechtbank oordeelt dat PFN inderdaad de contractspartij van [eisende partij] was en dat zij de samenwerking niet per direct had mogen beëindigen. De rechtbank begroot de schade wel op een lager bedrag dan [eisende partij] vordert. Hieronder legt de rechtbank dit oordeel uit.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025 met de daarin genoemde stukken;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 maart 2026 met de daarin genoemde stukken;
- de spreekaantekeningen van mr. B.A.J. van Lammeren namens [eisende partij] ;
- de spreekaantekeningen van mr. F.M.R. den Hartog namens PFN.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eisende partij] is een onderneming die zich bezighoudt met de detailhandel in hengelsportproducten via een webshop en een fysieke winkel in [plaats] .
3.2.
PFN is onderdeel van het Pure Fishing concern dat handelt in hengelsportuitrusting. PFN houdt zich bezig met de distributie, verkoop en promotie van Pure Fishing producten in de Benelux.
3.3.
Sinds 2013 doet [eisende partij] zaken met PFN in die zin dat zij haar bestellingen voor Pure Fishing producten mailde aan PFN, waarop PFN de bestellingen bevestigde aan [eisende partij] . Daarnaast hadden [eisende partij] en PFN contact over onder andere betalingscondities, de nieuwe catalogus van Pure Fishing producten en bonusregelingen.
3.4.
De Pure Fishing producten worden geleverd door andere entiteiten binnen het Pure Fishing concern, namelijk Pure Fishing Europe S.A.S. (hierna: Pure Fishing SAS) uit Frankrijk en sinds 2021 ook Svendsen Sport A/S (hierna: Svendsen) uit Denemarken. De facturen voor de aan [eisende partij] geleverde Pure Fishing producten staan op naam van deze entiteiten, maar werden per e-mail verstuurd aan [eisende partij] door PFN.
3.5.
[eisende partij] was een van de grotere klanten van Pure Fishing in Nederland.
3.6.
Op 31 oktober 2024 hebben [eisende partij] en PFN afspraken gemaakt over betalingscondities. [eisende partij] heeft ervoor gekozen dat facturen binnen een betaaltermijn van 7 dagen (in plaats van de reguliere 30 dagen) zouden worden betaald met een korting van 3%.
3.7.
PFN heeft een systeem waarbij als er sprake is van een betaalachterstand, bestellingen geblokkeerd worden.
3.8.
In maart en april 2025 ontstond tussen [eisende partij] en PFN – onder meer vanwege blokkades door het systeem vanwege een betalingsachterstand – een discussie, waarbij er bij [eisende partij] sprake was van toenemende frustratie en medewerkers van PFN het contact met [eisende partij] steeds meer als onprettig ervoeren.
3.9.
Deze situatie leidde ertoe dat PFN op 17 april 2025 de samenwerking met [eisende partij] heeft beëindigd. Die beëindiging is bij e-mail van 18 april 2025 aan [eisende partij] bevestigd.
3.10.
Bij brief van 16 juni 2025 van de advocaat van [eisende partij] heeft [eisende partij] PFN aansprakelijk gesteld voor de schade die [eisende partij] lijdt door de beëindiging van de samenwerking. PFN heeft aansprakelijkheid afgewezen.

4.Het geschil

4.1.
[eisende partij] vordert – samengevat – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a.
a) primair
i) een verklaring voor recht dat [eisende partij] bevoegd is openstaande Pure FishingSAS-facturen en Svendsen-facturen te verrekenen met haar schadevordering op PFN;
ii) PFN te veroordelen tot betaling aan [eisende partij] van € 411.717 aan schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 18 april 2025;
subsidiair
PFN te veroordelen tot betaling aan [eisende partij] van € 471.674 aan schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 18 april 2025;
b) PFN te veroordelen tot betaling aan [eisende partij] van € 3.833,56 aan buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;
c) PFN te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.
4.2.
[eisende partij] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Tussen [eisende partij] en PFN bestond een duurovereenkomst. Partijen doen sinds 2013 zaken met elkaar. PFN heeft die duurovereenkomst op 17 april 2025 zonder opzegtermijn en daarom onregelmatig, opgezegd. [eisende partij] lijdt hierdoor schade. Zij is een groot deel van haar omzet verloren en ook de vindbaarheid van haar webshop is – omdat zij Pure Fishing-producten heeft moeten verwijderen – aangetast. Haar onderneming is niet meer rendabel en zij heeft moeten besluiten om deze te staken. Er staan nog een aantal Pure Fishing SAS- en Svendsen-facturen open. Hoewel dit aparte entiteiten zijn, is er gedurende de samenwerking altijd door de verschillende entiteiten heen gekeken. [eisende partij] heeft zich daarom beroepen op verrekening met haar schadevordering.
4.3.
PFN voert verweer. PFN concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.4.
PFN voert het volgende aan. PFN heeft slechts gehandeld als agent voor haar principalen, Pure Fishing SAS en Svendsen. De koopovereenkomsten kwamen tot stand met de principalen en niet met PFN. PFN betwist daarnaast dat sprake is van een duurovereenkomst en dat de opzegging onregelmatig was. PFN wijst er op dat [eisende partij] al gedurende een langere periode haar betalingsverplichtingen niet nakwam en bovendien op een intimiderende en vervelende manier richting werknemers communiceerde. PFN betwist ook de door [eisende partij] gestelde geleden schade. Verder stelt PFN zich op het standpunt dat [eisende partij] niet kan verrekenen, omdat Pure Fishing SAS en Svendsen andere entiteiten zijn.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

PFN is de contractspartij van [eisende partij]
5.1.
De eerste vraag die partijen verdeeld houdt, is wie de contractspartij van [eisende partij] was. [eisende partij] stelt zich op het standpunt dat zij altijd met PFN zaken heeft gedaan. Dat was haar aanspreekpunt en dat was de partij met wie zij afspraken maakte. Volgens PFN was zij slechts bemiddelaar en sloot [eisende partij] koopovereenkomsten met haar principalen, Pure Fishing SAS en Svendsen. [eisende partij] had dit volgens PFN ook kunnen weten. Facturen stonden namelijk op naam van de principalen en dit stond ook in de algemene voorwaarden in de catalogus die [eisende partij] ontving. Verder heeft PFN er op zitting op gewezen dat [eisende partij] in haar eigen systemen Pure Fishing en Svendsen als aparte leveranciers heeft vermeld.
5.2.
Het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst is afhankelijk van hetgeen partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Daarbij sluit de omstandigheid dat de wederpartij wist dat ten behoeve van een opdrachtgever werd gehandeld, niet uit dat in eigen naam een overeenkomst is gesloten. [1] Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort ook de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn. [2]
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat PFN de contractspartij van [eisende partij] is geweest. Ter zitting heeft PFN verklaard dat zij nooit expliciet richting [eisende partij] heeft aangegeven dat zij slechts bemiddelde namens Pure Fishing SAS en Svendsen. [eisende partij] heeft gesteld – en PFN heeft niet betwist – dat alle communicatie altijd via PFN liep. [eisende partij] heeft nooit direct contact gehad met Pure Fishing SAS en Svendsen. Dit blijkt ook uit de e-mailcorrespondentie die is overgelegd. Alle (e-mail)correspondentie, inclusief de e-mail van 18 april 2025 waarin de opzegging is bevestigd, is gevoerd met (medewerkers van) PFN. Bestellingen werden gestuurd naar en geaccepteerd door PFN en PFN verzond vervolgens ook de facturen aan [eisende partij] . Betalingsafspraken voor deze facturen werden eveneens met PFN gemaakt. Gelet hierop heeft [eisende partij] mogen afleiden dat PFN haar contractspartij was.
5.4.
Er zijn onvoldoende omstandigheden gesteld waaruit [eisende partij] had moeten afleiden dat niet PFN, maar Pure Fising SAS en Svendsen haar contractuele wederpartijen waren. Dat de facturen op naam stonden van deze entiteiten is in het licht van de overige (hiervoor genoemde) omstandigheden onvoldoende. Dat de facturen op naam van andere entiteiten staan, sluit namelijk niet uit dat PFN handelde in eigen naam voor anderen of dat PFN de bestellingen doorzette naar andere entiteiten binnen het concern die van PFN mochten factureren. Voor de toegestuurde catalogi met daarin de algemene voorwaarden van Pure Fishing SAS en Svendsen geldt hetzelfde. Uit het feit dat [eisende partij] in haar systemen Pure Fishing en Svendsen apart heeft vermeld, kan – anders dan PFN stelt – niet worden afgeleid dat voor [eisende partij] duidelijk was dat zij met deze entiteiten handelde. Svendsen was voorheen een apart bedrijf, maar is in 2020 samengegaan met Pure Fishing. Vanaf dat moment was PFN ook voor Svendsen-producten het aanspreekpunt van [eisende partij] . [eisende partij] heeft verklaard dat zij na de overname simpelweg haar systemen niet heeft aangepast.
Er is sprake van een duurovereenkomst
5.5.
Het volgende beslispunt is of de bestendige handelsrelatie moet worden gekwalificeerd als een duurovereenkomst of een reeks opeenvolgende losse overeenkomsten. Volgens [eisende partij] is sprake van een duurovereenkomst. Zij wijst daarbij met name op de lange duur en de duurzaamheid van de handelsrelatie (vanaf 2013). Het duurzame karakter van de samenwerking volgt daarbij volgens [eisende partij] onder ander uit de (jaarlijkse) (prijs- en betalings)afspraken, wekelijkse voorraad-updates vanuit PFN, bonusregelingen, de (periodieke) verstrekking van promotiematerialen en catalogussen, betalingskorting en de structurele communicatie. [eisende partij] plaatste haar bestellingen per e-mail zonder dat er gebruik werd gemaakt van offertes en zonder dat er verkoopvoorwaarden van toepassing werden verklaard.
5.6.
PFN wijst er op dat er geen sprake was van een exclusieve relatie. PFN heeft meer klanten zoals [eisende partij] , die zij niet anders behandelt. Er was ook geen sprake van jaarlijks terugkerende afspraken; zo was er geen sprake van een vaste orderomvang, vaste levertijden of vaste prijzen. Betaalafspraken wisselden jaarlijks. [eisende partij] kan Pure Fishing-producten bovendien nog inkopen bij de Belgische groothandel Arca NV. Verder verkoopt [eisende partij] ook diverse andere merken.
5.7.
Onder omstandigheden kan een duurzame handelsrelatie worden gekwalificeerd als een duurovereenkomst. Of dat zo is, is (opnieuw) afhankelijk van de vraag wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven daarbij niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen. [3]
5.8.
Naar het oordeel van de rechtbank was tussen [eisende partij] en PFN sprake van een duurovereenkomst in de zin van een raamovereenkomst op grond waarvan [eisende partij] bij PFN Pure Fishing-producten tegen betaling kon inkopen. Redengevend daarvoor is dat partijen al sinds 2013 op een structurele en duurzame basis met elkaar zaken doen. Het gaat daarbij om meer dan enkele losse bestellingen. Hoewel het soort producten en het aantal per bestelling verschilt, staat vast dat [eisende partij] met grote regelmaat Pure Fishing-producten bij PFN afnam en dat deze producten een aanzienlijk deel van haar omzet vertegenwoordigden. Ook voor PFN was [eisende partij] een belangrijke klant. PFN heeft ter zitting verklaard dat [eisende partij] in de top 20 klanten van Nederland zat en dat de opzegging ook PFN geraakt heeft. Verder staat vast dat partijen veelvuldig contact met elkaar hadden en jaarlijks de voorjaarsbestelling (de grootste bestelling in verband met het hengelsportseizoen) met elkaar doornamen en daarover (betaal)afspraken maken. Daarnaast spraken partijen met elkaar over kortingen en zijn er ook bonusregelingen afgesproken die afhankelijk waren van de behaalde omzet. Dat partijen geen exclusiviteit afspraken en dat PFN ook andere klanten hetzelfde behandelt, maakt niet dat er daarom geen duurovereenkomst tot stand is gekomen.
Opzegging door PFN had niet op deze wijze gemogen
5.9.
Uit vaste rechtspraak volgt dat duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd in beginsel opzegbaar zijn, maar dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat. Ook kunnen deze meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. [4]
5.10.
PFN heeft de samenwerking met [eisende partij] op 17 april 2025 met onmiddellijke ingang opgezegd. Volgens [eisende partij] had PFN een opzegtermijn moeten hanteren van 18 maanden. [eisende partij] wijst daarbij onder meer op de samenwerking van ruim 12 jaar, de investeringen die [eisende partij] heeft gedaan om zich (online) te positioneren als verkoper van Pure Fishing-producten en het feit dat [eisende partij] commercieel afhankelijk was van PFN aangezien Pure Fishing-producten circa 40% van haar omzet vertegenwoordigden. PFN betwist dat een opzegtermijn had moeten worden gegeven. Volgens PFN was [eisende partij] niet van haar afhankelijk. [eisende partij] verkoopt nog andere A-merken en kan Pure Fishing-producten ook inkopen bij de Belgische groothandel Arca NV. Bovendien kon de opzegging niet als verrassing komen, omdat [eisende partij] al gedurende een langere periode een betaalachterstand had en aanstootgevende e-mails bleef sturen naar medewerkers van PFN.
5.11.
De rechtbank oordeelt dat PFN de samenwerking niet per direct had mogen opzeggen, maar ook geen opzegtermijn van 18 maanden hoefde te hanteren. Gelet op de eisen van de redelijkheid en billijkheid was in dit geval een opzegtermijn van vijf maanden redelijk geweest. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden beslissend:
  • Gelet op wat [eisende partij] daarover heeft gesteld (circa 40% van haar omzet) en de omvang van de bestellingen die [eisende partij] bij PFN plaatste, is voldoende aannemelijk dat [eisende partij] in zijn bedrijfsvoering (deels) afhankelijk was van de leveringen van PFN. Ook voor PFN had duidelijk moeten zijn dat [eisende partij] tijd nodig zou hebben om haar bedrijfsvoering aan te passen. Naar eigen zeggen was [eisende partij] een van hun grootste klanten en had de opzegging ook op hen effect.
  • PFN heeft aan het begin van het hengelsportseizoen opgezegd.
  • [eisende partij] heeft onvoldoende weersproken dat – en ook niet onderzocht of – zij Pure Fishing-producten bij groothandels zoals Arca NV had kunnen bestellen. Daarnaast is het niet zo dat er geen alternatieve A-merken zijn. PFN heeft op haar beurt echter onvoldoende weersproken dat het [eisende partij] tijd zou kosten om zich te positioneren met andere merken.
  • De samenwerking tussen partijen verliep stroef. PFN noemt de door [eisende partij] gestuurde e-mails ‘intimiderend’. Hoewel de e-mails van [eisende partij] – zoals zij zelf ook toegeeft – niet vriendelijk waren, waren deze niet dusdanig onheus dat ze een onmiddellijke opzegging rechtvaardigen. Wel is te begrijpen dat PFN vanwege de verstoorde verhouding de samenwerking met [eisende partij] wilde beëindigen.
5.12.
Anders dan PFN stelt, mocht zij niet per direct opzeggen (dan wel opschorten) vanwege een betaalachterstand. Op zitting is duidelijk geworden dat [eisende partij] weliswaar in het verleden betaalachterstanden heeft gehad, maar dat op het moment van de opzegging nauwelijks een bedrag openstond. Dat er op dit moment facturen van Pure Fishing SAS en Svendsen aan [eisende partij] openstaan, heeft er vooral mee te maken dat [eisende partij] betalingen heeft gestorneerd ná de opzegging.
PFN moet aan [eisende partij] een schadevergoeding van € 111.625,00 betalen
5.13.
Omdat PFN per direct heeft opgezegd, terwijl zij een opzegtermijn van vijf maanden had moeten hanteren, moet zij de schade vergoeden die [eisende partij] heeft geleden doordat er geen opzegtermijn is gehanteerd.
5.14.
PFN betwist allereerst dat [eisende partij] schade heeft geleden door de opzegging. Volgens PFN had [eisende partij] de producten in kunnen kopen bij Arca NV. [eisende partij] betwist dat zij het gehele assortiment Pure Fishing-producten bij Arca NV kan inkopen, bovendien stelt [eisende partij] dat dit, omdat Arca NV een tussenhandelaar is, niet tegen dezelfde inkoopprijzen zal zijn. [eisende partij] stelt verder dat zij niet ervan op de hoogte was dat zij Pure Fishing producten bij Arca NV zou kunnen kopen.
5.15.
De rechtbank overweegt allereerst dat het aannemelijk is dat [eisende partij] schade heeft geleden. Als onvoldoende gemotiveerd betwist staat vast dat de producten die [eisende partij] bij PFN afnam – en van de ene op de andere dag niet meer kon inkopen – een aanzienlijk deel (circa 40%) van haar omzet vertegenwoordigden. Verder merkt de rechtbank op dat PFN bij de opzegging niet heeft gemeld dat [eisende partij] haar producten in het vervolg bij Arca NV kon inkopen. Dit heeft zij pas voor het eerst gemeld bij brief van haar advocaat van 18 juli 2025, [5] drie maanden na de opzegging. Het had PFN – ook in het kader van de redelijkheid en billijkheid die tussen contractspartijen geldt – [6] gesierd om dit direct bij de opzegging te melden indien zij meent dat daarmee de schade voor [eisende partij] beperkt had kunnen worden. Kennelijk was dit geen algemeen bekende informatie aangezien Arca NV in haar catalogus – zoals onbetwist is gesteld – niet alle Pure Fishing-producten heeft opgenomen, maar Arca NV deze volgens PFN wel kan inkopen. [eisende partij] heeft daarnaast gesteld dat Arca NV geen realistisch alternatief was, omdat Arca als groothandel niet de kortingen zal verstrekken die [eisende partij] bij PFN verkreeg. [eisende partij] zou daarmee niet dezelfde marges kunnen realiseren. PFN heeft dit betwist, maar niet gemotiveerd. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat PFN onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [eisende partij] schade heeft geleden door de opzegging per direct van PFN. Het feit dat [eisende partij] mogelijk ook (bepaalde) producten bij Arca kan inkopen, heeft de rechtbank bovendien meegenomen in het bepalen van de lengte van de redelijke opzegtermijn.
5.16.
[eisende partij] begroot zijn schade op de misgelopen brutowinst over de maanden die PFN als opzegtermijn had moeten hanteren. [eisende partij] stelt dat de gemiddelde brutowinst die zij misloopt uit de verkoop van Pure Fishing-producten over de periode van een jaar afgerond € 230.000,00 is. Over de periode half april tot en met half oktober, het hoogseizoen, is de gemiddelde winst afgerond € 133.950,00. [eisende partij] heeft ter onderbouwing van deze bedragen verwezen naar omzet-/margelijsten uitgesplitst per leverancier over de periode 2020 tot en met 2024. [7] Deze lijsten heeft zij gehaald uit haar systemen. PFN betwist deze schadepost. Zij kan de berekening niet volgen. Verder laat [eisende partij] volgens PFN na toe te lichten waarom zij aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van de gemiddelde brutowinst en waarom de gemiddelde brutowinst over de afgelopen vijf jaar het aanknopingspunt zou moeten zijn. De hoogte van de winst kan immers ieder jaar sterk fluctueren.
5.17.
De rechtbank kan de berekening van [eisende partij] wel volgen. Dat niet met zekerheid vast te stellen is dat in een volgend jaar een gelijkwaardige brutowinst zal worden gehaald, is inherent aan het feit dat de rechtbank bij de bepaling van de schade uit zal moeten gaan van een hypothetische situatie. De rechtbank is van oordeel dat de gemiddelde brutowinst uit het verleden een geschikt en objectief middel is om de schade te begroten. PFN heeft de juistheid van de cijfers van [eisende partij] niet betwist. De rechtbank zal daarom van deze cijfers uitgaan. Omdat PFN een opzegtermijn van vijf maanden (in het hoogseizoen) had moeten hanteren, zal de rechtbank de schade begroten op € 133.950,00 / zes maanden x vijf maanden = € 111.625,00.
5.18.
[eisende partij] heeft verder gesteld dat zij schade heeft omdat haar omzet van andere, niet Pure Fishing, producten met 10% is gedaald. PFN betwist dit en [eisende partij] heeft dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. [eisende partij] heeft enkel gesteld maar in het geheel niet onderbouwd dat haar omzet van andere merken is gedaald. Dit deel van de schadevordering wordt daarom afgewezen. Hetzelfde geldt voor de door [eisende partij] gestelde gemiste bonussen. Ook die schadepost is door PFN betwist. [eisende partij] heeft nagelaten te stellen welke bonusregeling in 2025 gold en waarom zij daarvoor in aanmerking kwam.
Wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding
5.19.
[eisende partij] vordert de wettelijke rente over de schadevergoeding vanaf 18 april 2025 (de dag na de opzegging). PFN heeft deze datum betwist. De schadevorderingen zijn volgens PFN gedeeltelijk toekomstige schade. [eisende partij] heeft daar vervolgens niet meer op gereageerd. De rechtbank zal daarom de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro toewijzen zoals subsidiair gevorderd, vanaf de dag van de dagvaarding.
Geen verrekening
5.20.
[eisende partij] beroept zich op verrekening van zijn schadevordering met de openstaande facturen van Pure Fishing SAS en Svendsen. [eisende partij] stelt dat het formeel aparte rechtspersonen zijn, maar dat zij deel uitmaken van dezelfde groep vennootschappen. Partijen hebben volgens [eisende partij] gedurende de samenwerking feitelijk altijd door de verschillende entiteiten ‘heengekeken’. [eisende partij] heeft ook nooit contact gehad met Pure Fishing SAS en Svendsen. [eisende partij] wijst er daarnaast op dat PFN als reden voor de opzegging de te late betaling aan Pure Fishings SAS en Svendsen heeft genoemd. Het handelen van [eisende partij] ten opzichte van Pure Fishing SAS en Svendsen ziet PFN dus als een handelen van [eisende partij] jegens PFN. Volgens [eisende partij] is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als zij niet de openstaande facturen met haar schadevordering zou mogen verrekenen. PFN betwist dat er door verschillende entiteiten is ‘heengekeken’. Verrekening is volgens haar niet mogelijk.
5.21.
Verrekening is op grond van artikel 6:127 lid 2 BW Pro alleen mogelijk als partijen over en weer elkaars schuldenaar en schuldeiser zijn. Hiervoor is vastgesteld dat [eisende partij] een schadevordering heeft op PFN. [eisende partij] heeft daarnaast een schuld aan Pure Fishing SAS en Svendsen. Dit zijn aparte rechtspersonen. Verrekening is daarom in beginsel niet mogelijk. Van deze regeling kan contractueel worden afgeweken, maar gesteld noch gebleken is dat partijen een afwijkende afspraak hebben gemaakt. De omstandigheden die [eisende partij] stelt zijn onvoldoende om van artikel 6:127 lid 2 BW Pro af te wijken en maken niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als [eisende partij] niet kan verrekenen. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.
Geen buitengerechtelijke incassokosten
5.22.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. [eisende partij] heeft niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eisende partij] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.
PFN moet de proceskosten betalen
5.23.
PFN is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.274,35
5.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt PFN tot betaling aan [eisende partij] van een schadevergoeding van € 111.625,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt PFN in de proceskosten van € 11.274,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als PFN niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt PFN tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877,
2.HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615, r.o. 3.2.
3.HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2213, r.o. 3.4.
4.Zie onder meer HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, r.o. 3.5.1 en HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, r.o. 3.6.2.
5.Productie 23 [eisende partij] .
6.Artikel 6:2 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
7.Producties 14 en 24 [eisende partij] .