Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
Feiten
“ [post 1] ”voor een bedrag van 105,42 Noorse Kronen,
“ [post 2] ”voor een bedrag van 2.695,58 Noorse Kronen en
“ [post 3] ”voor een bedrag van 288,75 Noorse Kronen vermeld.
“ [post 4] ”voor een bedrag van 542 (juli), 937 (augustus) respectievelijk 873 (november) Noorse Kronen vermeld.
Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
“ [post 4] ”van in totaal 2.352 Noorse Kronen, omgerekend € 245, terecht tot het loon heeft gerekend en om de vraag of sprake is van een gerichte vrijstelling [1] of vrijgesteld loon [2] met betrekking tot de volgende loonbestanddelen:
“ [post 4] ,door de inspecteur ten onrechte tot het loon is gerekend. Het is belanghebbende niet duidelijk wat deze post inhoudt. Belanghebbende wijst erop dat de post niet op de jaaropgaaf 2018 staat vermeld. Verder bevreemd het belanghebbende dat de post maar op een beperkt aantal loonstroken is vermeld. Volgens belanghebbende zijn de bedragen onder de noemer
“ [post 4] ”nooit aan hem uitbetaald.
“ [post 4] ”op een aantal loonstroken staan vermeld terecht tot het loon gerekend. De rechtbank stelt vast dat partijen geen duidelijkheid hebben kunnen verschaffen over de precieze aard van deze post. Vast staat evenwel dat de post voorkomt op door de werkgever opgemaakte loonstroken. Tegen die achtergrond acht de rechtbank aannemelijk dat sprake is van een uit de dienstbetrekking voortvloeiend voordeel. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd op basis waarvan aannemelijk is dat de vermelde bedragen hem niet op enigerlei wijze ten goede zijn gekomen. De enkele omstandigheid dat de post niet afzonderlijk op de jaaropgaaf staat vermeld kan verschillende oorzaken hebben en wil nog niet zonder meer zeggen dat het naar Nederlandse maatstaven geen loonbestanddeel vormt.
“ [post 2] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Primair voert belanghebbende aan dat de premies zijn betaald voor een verzekering die kan worden getypeerd als ongevallenverzekering. Deze verzekering geeft volgens belanghebbende recht op een aanspraak die is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Subsidiair voert belanghebbende aan dat de verzekering recht geeft op een aanspraak die naar aard en strekking overeenkomst met aanspraken als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB, zodat de vrijstelling artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB van toepassing is. De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd bestreden.
“ [post 3] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Primair voert belanghebbende aan dat de premies zijn betaald voor een verzekering die kan worden getypeerd als voltijds groepsverzekering voor – kort gezegd – arbeidsongevallen, arbeidsziekte, vrije tijd letsel en overige ziekte. Deze verzekering geeft volgens belanghebbende recht op een aanspraak die is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Subsidiair voert belanghebbende aan dat de verzekering recht geeft op een aanspraak die naar aard en strekking overeenkomst met aanspraken als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB, zodat de vrijstelling artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB van toepassing is.
“ [post 1] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Het is belanghebbende niet precies duidelijk wat deze post inhoudt. Belanghebbende denkt dat het gaat om een verzekering die prioriteit geeft in de wachtrij wanneer een behandeling of gezondheidszorg noodzakelijk is. Volgens belanghebbende is daarop de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB van toepassing.