Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5368

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
BRE 22/4395
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.81 Wet IB 2001Art. 3.146 Wet IB 2001Art. 3.84 Wet IB 2001Art. 10 Wet LBArt. 11 Wet LB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling belastingaanslag en vrijstellingen fiscaal loon piloot in Noorwegen

Belanghebbende, een piloot werkzaam in Noorwegen, maakte bezwaar tegen de door de inspecteur vastgestelde aanslag inkomstenbelasting 2018 en de daarbij behorende belastingrente. De inspecteur had het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 73.453, hoger dan de door belanghebbende opgegeven € 58.799. De discussie betrof met name de vraag of bepaalde loonbestanddelen terecht tot het belastbare loon waren gerekend en of vrijstellingen van toepassing waren.

De rechtbank onderzocht per loonpost of de inspecteur terecht het loon had vastgesteld en of vrijstellingen van toepassing waren. Voor een post van € 245 werd geoordeeld dat deze, ondanks onduidelijkheid over de aard, als loon uit dienstbetrekking moest worden aangemerkt. Voor verzekeringspremies (Loss of License-verzekering en groepsverzekering) oordeelde de rechtbank dat deze niet onder de vrijstellingen van de Wet LB vielen. Voor de reiskostenvergoeding stelde de rechtbank vast dat het door belanghebbende overgelegde kostenonderzoek onvoldoende was om de gerichte vrijstelling toe te passen.

De rechtbank concludeerde dat de aanslag en belastingrente niet te hoog waren vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter V.A. Burgers op 18 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2018 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4395

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 augustus 2022.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.453. Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur € 714 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Feiten

2. Belanghebbende stond in 2018 in de Basisregistratie personen ingeschreven op een Nederlands adres.
2.1.
Belanghebbende is vanaf 10 oktober 2017 als piloot in loondienst werkzaam voor [werkgever] AS. Zijn standplaats is in 2018 [standplaats] in Oslo (Noorwegen).
2.2.
In het kader van internationale gegevensuitwisseling heeft de Nederlandse belastingdienst van de Noorse fiscale autoriteit gegevens ontvangen waaruit blijkt dat belanghebbende in 2018 een bedrag van in totaal 795.794 Noorse Kronen, omgerekend € 82.921, van [werkgever] AS heeft ontvangen.
2.3.
Verder heeft de inspecteur een renseignement ontvangen van [stichting] waaruit blijkt dat belanghebbende in 2018 € 575 heeft ontvangen.
2.4.
Belanghebbende heeft aangifte IB voor het jaar 2018 gedaan naar belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.799, volledig bestaande uit resultaat uit overige werkzaamheid. Verder heeft belanghebbende aangegeven gedurende heel 2018 niet verplicht verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen.
2.5.
De inspecteur heeft bij brief van 6 oktober 2021 zijn voornemen aan belanghebbende kenbaar gemaakt om af te wijken van de aangifte in verband met de gerenseigneerde inkomensgegevens.
2.6.
Belanghebbende heeft daarop gereageerd en onder meer de loonstroken voor alle maanden van 2018 en de jaaropgaaf 2018 van [werkgever] AS overgelegd.
2.7.
De inspecteur heeft vervolgens aan belanghebbende een herzien voornemen tot afwijking van de aangifte IB 2018 gestuurd.
2.8.
De inspecteur heeft vervolgens de aanslag IB 2018 – in afwijking van de aangifte en conform zijn herziene voornemen – vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.453, bestaande uit een loon van € 72.728 en een resultaat uit overige werkzaamheid van € 575.
2.9.
Op alle overgelegde loonstroken voor het jaar 2018 staan de posten
“ [post 1] ”voor een bedrag van 105,42 Noorse Kronen,
“ [post 2] ”voor een bedrag van 2.695,58 Noorse Kronen en
“ [post 3] ”voor een bedrag van 288,75 Noorse Kronen vermeld.
2.10.
Op de loonstroken voor de maanden juli, augustus en november van het jaar 2018 staat de post
“ [post 4] ”voor een bedrag van 542 (juli), 937 (augustus) respectievelijk 873 (november) Noorse Kronen vermeld.
2.11.
Op de jaaropgaaf staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
Beskrivelse
Beløp
Ant.
Trekkpl.
Detaljer
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
Utgiftsgodtgjørelse
[naam]
15 170
Nei
[naam]
4 124
Ja
Reise kost
57 927
Ja
Reise kost med overnatting ps hotell
59 631
99
Nei
2.12.
In de Collective Agreement no. 544 van [werkgever] AS die ziet op de periode 1 november 2011 tot 31 oktober 2020 (de cao) staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
Clause 10 - Travel and subsistence provisions
Sub-clause 1 Personnel shall be compensated for extra expenses linked to board and lodging in accordance with sub-clauses 2-9 below.
Sub-clause 2 Hotel accommodation
(…)
Sub-clause 3 The Company shall pay a daily allowance in accordance with Annex D in connection with official travel, flying and training.
Sub-clause 4 In the case of foreign travel, standard Norwegian government subsistence allowances shall be paid if these are higher than the subsistence allowance specified in Annex D.
Sub-clause 5 The allowance amount shall be calculated per day (24 hours) from the ordered time of appearance at the base until check-out at the base. (…)
Sub-clause 6 The Company shall cover special expenses incurred in connection with the performance of duties, provided that these are documented by means of a bill or receipt and certified by the Pilot Manager or a person authorised by him or her.
(…)”
En:
Clause 11 - Insurance cover
(…)
Sub-clause 1Loss of License (LOL)
The Company is at all times obliged to maintain LOL insurance for all pilots who have not reached the age of 62 years and who earn income that gives rise to pension benefits. The policy shall cover all medical (somatic and psychological) conditions relevant to the pilot’s medical certificate (issued by an aviation medical examiner). The insurance premium shall be paid in full by the Company. Payment under such insurance shall be made upon loss of the pilot’s licence as a result of such a medical condition.
When the pilot has received an order from the aviation authorities declaring a permanent loss of his or her pilot’s licence, he or she shall send a copy of the medical order to the Company without undue delay.
The Company shall, without undue delay and no later than upon giving notice of termination of employment, inform the insurance company/companies with which the Company has taken out LOL insurance of the medical order.
Section 13(2) and (3) of the Working Environment Act shall apply in such cases.
The Loss of License payout sum, specified as multiples of G (the base amount under the national insurance scheme), is as follows:
Up to and including
52 years
30
53 years
27
54 years
24
55 years
21
56 years
18
57 years
15
58 years
12
59 years
9
60 years
6
61 years
3
From the age of
62 years
(From the age of 62 years onwards, employees shall not be taxed on the benefit provided by the scheme.)
In addition, a lump-sum payment shall be made via operations equal to 1.65 x salary grade (current annual salary as at the payment date). This amount shall not be reduced in line with age.
(…)
Sub-clause 3Group insurance
The Company maintains full-time group insurance via an insurance company, which covers: (…)”
En:
Annex D - Salary and allowances
Salary, subsistence allowance and other allowances shall be paid on the 25th of each month, as follows:
A: Salary shall be paid for the current month.
B: Subsistence allowance and other documented expenses shall be paid/reimbursed in arrears in accordance with completed and certified forms.
(…)
IV GENERAL ALLOWANCES
To be adjusted by the same %age as the salary scale applicable as of 1 November 2017.
Telephone allowance:
NOK 342 per month to cover a landline subscription.
Each captain shall receive a mobile telephone allowance of NOK 338 per month, provided that all captains have their own mobile telephone that can be used for duty purposes, including availability during ground stops.
Uniform allowance:
Payable at NOK 1,258 per month.
The above allowances shall be adjusted according to the employment percentage worked by the pilot.
Uniform cleaning:
Expenses shall be covered as billed.
Glasses:
Costs shall be covered in accordance with sub-clause 1.2 if ordered by an aviation medical examiner.
Passport and visa:
Covered as billed.
Rate of subsistence
allowance per 1/1 day
(24-hour period):
NOK 825

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslag IB 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking niet tot een te hoog bedrag vastgesteld
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

4. Partijen houdt verdeeld of de inspecteur het (belaste) fiscaal loon bij de aanslag IB 2018 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Meer specifiek gaat het om de vraag of de inspecteur de post
“ [post 4] ”van in totaal 2.352 Noorse Kronen, omgerekend € 245, terecht tot het loon heeft gerekend en om de vraag of sprake is van een gerichte vrijstelling [1] of vrijgesteld loon [2] met betrekking tot de volgende loonbestanddelen:
Totaal bedrag
Omgerekend naar euro’s
Reise kost
NOK 108.558
€ 12.247
[post 2]
NOK 32.347
€ 3.362
[post 3]
NOK 3.465
€ 361
[post 1]
NOK 1.265
€ 132
4.1.
De rechtbank zal het geschil hierna per post beoordelen.
Post “ [post 4] ”
4.2.
Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 2.352 Noorse Kronen, omgerekend € 245, op de loonstroken vermeld onder de noemer
“ [post 4] ,door de inspecteur ten onrechte tot het loon is gerekend. Het is belanghebbende niet duidelijk wat deze post inhoudt. Belanghebbende wijst erop dat de post niet op de jaaropgaaf 2018 staat vermeld. Verder bevreemd het belanghebbende dat de post maar op een beperkt aantal loonstroken is vermeld. Volgens belanghebbende zijn de bedragen onder de noemer
“ [post 4] ”nooit aan hem uitbetaald.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in samenhang met artikel 10 Wet Pro LB loon al hetgeen is dat uit een dienstbetrekking wordt genoten. Het genietingstijdstip van de looninkomsten is op grond van artikel 3.146, eerste lid, van de Wet IB 2001 mede het tijdstip waarop het loon is ontvangen dan wel het loon vorderbaar en inbaar is geworden.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de bedragen die onder de noemer
“ [post 4] ”op een aantal loonstroken staan vermeld terecht tot het loon gerekend. De rechtbank stelt vast dat partijen geen duidelijkheid hebben kunnen verschaffen over de precieze aard van deze post. Vast staat evenwel dat de post voorkomt op door de werkgever opgemaakte loonstroken. Tegen die achtergrond acht de rechtbank aannemelijk dat sprake is van een uit de dienstbetrekking voortvloeiend voordeel. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd op basis waarvan aannemelijk is dat de vermelde bedragen hem niet op enigerlei wijze ten goede zijn gekomen. De enkele omstandigheid dat de post niet afzonderlijk op de jaaropgaaf staat vermeld kan verschillende oorzaken hebben en wil nog niet zonder meer zeggen dat het naar Nederlandse maatstaven geen loonbestanddeel vormt.
Post [post 2]
4.5.
Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 32.347 Noorse Kronen, omgerekend € 3.362, op de loonstroken vermeld onder de noemer
“ [post 2] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Primair voert belanghebbende aan dat de premies zijn betaald voor een verzekering die kan worden getypeerd als ongevallenverzekering. Deze verzekering geeft volgens belanghebbende recht op een aanspraak die is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Subsidiair voert belanghebbende aan dat de verzekering recht geeft op een aanspraak die naar aard en strekking overeenkomst met aanspraken als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB, zodat de vrijstelling artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB van toepassing is. De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd bestreden.
4.6.
De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn primaire stelling. In artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB is opgenomen dat aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval vrijgesteld zijn van de heffing van loonbelasting. Uit de beschikbare gegevens (zie 2.12) volgt dat het gaat om door de werkgever betaalde premies voor een zogenoemde ‘Loss of License-verzekering’. Deze verzekering geeft – kort gezegd – aanspraak op een uitkering bij verlies van een vliegbrevet. Dat is naar het oordeel van de rechtbank geen aanspraak als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Dat een verlies van vliegbrevet onder omstandigheden het gevolg kan zijn van invaliditeit, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders want het kan ook een scala aan andere oorzaken hebben.
4.7.
De rechtbank volgt belanghebbende evenmin in zijn subsidiaire stelling. In artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB is opgenomen dat aanspraken die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken als bedoeld in onderdeel e, vrijgesteld zijn van heffing van loonbelasting. Aanspraken als bedoeld in onderdeel e zijn aanspraken ingevolge de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet. Belanghebbende maakt – tegenover de stelling van de inspecteur – niet aannemelijk dat de ‘Loss of License-verzekering’ een risico dekt dat in het Nederlandse sociale verzekeringsstelsel ook door een werknemersverzekering wordt gedekt.
4.8.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur een bedrag van in totaal 32.347 Noorse Kronen, omgerekend € 3.362, terecht niet heeft vrijgesteld van het loon.
Post [post 3]
4.9.
Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 3.465 Noorse Kronen, omgerekend € 361, op de loonstroken vermeld onder de noemer
“ [post 3] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Primair voert belanghebbende aan dat de premies zijn betaald voor een verzekering die kan worden getypeerd als voltijds groepsverzekering voor – kort gezegd – arbeidsongevallen, arbeidsziekte, vrije tijd letsel en overige ziekte. Deze verzekering geeft volgens belanghebbende recht op een aanspraak die is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Subsidiair voert belanghebbende aan dat de verzekering recht geeft op een aanspraak die naar aard en strekking overeenkomst met aanspraken als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB, zodat de vrijstelling artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB van toepassing is.
4.10.
Belanghebbende stelt dat deze vergoeding van de werkgever niet als loon kan worden aangemerkt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, met verwijzing naar de collective agreement, lag het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van belanghebbende om meer inzicht te verstrekken over de vraag wat hier nou precies is afgesproken en waar deze vergoeding op ziet. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank tot de conclusie dat de inspecteur terecht de vrijstelling niet heeft toegepast.
Post [post 1]
4.11.
Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 1.265 Noorse Kronen, omgerekend € 132, op de loonstroken vermeld onder de noemer
“ [post 1] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Het is belanghebbende niet precies duidelijk wat deze post inhoudt. Belanghebbende denkt dat het gaat om een verzekering die prioriteit geeft in de wachtrij wanneer een behandeling of gezondheidszorg noodzakelijk is. Volgens belanghebbende is daarop de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB van toepassing.
4.12.
Ter zitting is namens belanghebbende desgevraagd bevestigd dat hij zich enkel beroept op de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB. Deze bepaling ziet op aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding. De door belanghebbende gegeven toelichting op deze post wijst er niet op dat het gaat om een dergelijke regeling. Ook overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat van een dergelijke regeling sprake is.
4.13.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur een bedrag van in totaal 1.265 Noorse Kronen, omgerekend € 132, terecht niet heeft vrijgesteld van het loon.
Post reise kost
4.14.
Belanghebbende stelt dat de door hem ontvangen vergoedingen van 57.927 Noorse Kronen en 59.631 Noorse Kronen, in totaal omgerekend € 12.247, ten onrechte niet gericht zijn vrijgesteld op grond van artikel 3.84, tweede lid, van de Wet IB 2001. Volgens belanghebbende betreffen en reis- en verblijfkosten.
4.15.
Vast staat dat de vergoedingen zijn ontvangen van een niet-inhoudingsplichtige werkgever. Een vergoeding of verstrekking kan in zo’n geval worden vrijgesteld op basis van artikel 3.84, tweede lid, van de Wet IB voor zover zij voldoet aan de eisen die artikel 31a, tweede, van de Wet LB aan de desbetreffende gerichte vrijstelling stelt, maar zonder dat een aanwijzing als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB nodig is. [3]
4.16.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat de betreffende vergoedingen kunnen worden aangemerkt als een met belanghebbende overeengekomen vergoeding, zoals bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB. De stukken van het geding laten voor dat geval geen andere slotsom toe dan dat het een vaste kostenvergoeding betreft. Bij een vaste kostenvergoeding is voor een gerichte vrijstelling volgens artikel 31a, derde lid, van de Wet LB (wettekst 2018) vereist dat aan die vergoeding een onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt. De eis dat het onderzoek aan de vergoeding ‘ten grondslag ligt’, brengt mee dat het onderzoek moet hebben plaatsgevonden voordat de vergoeding wordt betaald. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat in een geval als dit, waarin de werkgever niet inhoudingsplichtig is, in redelijkheid niet kan worden verwacht dat die werkgever zich richt naar het systeem van de Nederlandse loonbelasting. [4] De Hoge Raad heeft artikel 3.84, tweede lid, van de Wet IB zo uitgelegd dat in deze gevallen voor toepassing van de gerichte vrijstelling ook kan worden volstaan met een onderzoek naar de werkelijke kosten dat door de werknemer is gedaan zonder dat de werkgever daarbij betrokken was. Daarbij kan in redelijkheid van een werknemer niet worden verlangd dat hij dit onderzoek al heeft verricht voordat hij de vergoeding van zijn werkgever krijgt.
4.17.
Belanghebbende heeft bij zijn aanvullende stuk van 12 mei 2026 een door hem opgesteld kostenonderzoek verstrekt. De inspecteur betwist dat dit een afdoende kostenonderzoek is. De inspecteur vindt het kostenonderzoek onder meer te algemeen van aard en wijst erop dat onderbouwende stukken ontbreken.
4.18.
Naar het oordeel van de rechtbank is met het door belanghebbende gepresenteerde overzicht van beperkte omvang niet voldaan aan de voorwaarde dat aan de vergoedingen een onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt. Het overzicht is qua aard van de kosten en tijdspanne te algemeen en bevat bovendien kosten die in de cao, in het bijzonder ‘Annex D’, niet tot vaste kostenvergoeding zijn gerekend. Op grond van dit overzicht kan niet worden vastgesteld welke kosten aan belanghebbende worden vergoed en of de hoogte van de vergoeding gebruikelijk is.
4.19.
Bij gebrek aan dit onderzoek is de gerichte vrijstelling op grond van artikel 31a, derde lid, van de Wet LB (wettekst 2018) niet van toepassing. De inspecteur heeft de gerichte vrijstelling voor deze post dus terecht niet toegepast.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 31, lid 1, onderdeel f in samenhang met artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB).
2.Artikel 11 van Pro de Wet LB.
3.Vgl. Hoge Raad 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1236.
4.Vgl. Hoge Raad 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1236.