ECLI:NL:RBZWB:2026:5332

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446136 / KG ZA 26-133
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:178 BWArt. 3:174 BWArt. 3:185 BWArt. 3:299 BWArt. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen tot verkoop woning en machtiging tot verkoop namens mede-eigenaar

De vrouw en de man zijn gezamenlijk eigenaar van een woning en hebben een affectieve relatie gehad. De vrouw verzocht de voorzieningenrechter haar te machtigen om de woning te verkopen en de overwaarde te verdelen, omdat zij de woning heeft verlaten en haar huurwoning uiterlijk eind 2026 moet verlaten. De man wenst de woning over te nemen en betwist het spoedeisend belang van de vrouw.

De voorzieningenrechter overweegt dat de vrouw geen spoedeisend belang heeft bij de gevorderde verkoop, mede omdat de man bereid is de woning over te nemen en partijen nog geen afspraken hebben gemaakt over de verdeling. Er bestaat discussie over de peildatum van de woningwaarde en het bedrag dat de man kan verrekenen als eigen inbreng. De voorzieningenrechter acht de zaak niet geschikt voor een beslissing in kort geding vanwege de verstrekkende gevolgen.

De vorderingen van de vrouw worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Er is geen sprake van misbruik van procesrecht door een van de partijen.

Uitkomst: De vorderingen van de vrouw tot machtiging tot verkoop van de woning worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en onduidelijkheid over waardebepaling en overname.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/446136 / KG ZA 26-133
Vonnis in kort geding van 18 mei 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.M.H.B. Stoffels te Zevenbergen,
tegen
[de man],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat was mr. W.R.M. Voorvaart te Breda, nu mr. D.A.Y. Jacques te Rotterdam.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord, tevens pleitnota, met producties 1 tot en met 9;
- de brief met producties 5 en 6 van mr. Stoffels van 20 april 2026.
1.2
De zaak is besproken op de zitting van 4 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, verschenen.
1.3
Op de zitting heeft mr. Jacques aanvullingen uit de eerder ingediende pleitnota voorgedragen. Ook mr. Stoffels heeft een pleitnota overhandigd en voorgedragen. Deze pleitnota’s maken onderdeel uit van het procesdossier.

2.De feiten

2.1
Tussen partijen staat het volgende vast:
  • zij hebben een affectieve relatie met elkaar gehad;
  • zij zijn de eigenaar van de woning aan [adres] te [plaats 3] (hierna: de woning).

3.Het geschil

3.1
De vrouw vordert, samengevat:
primair: op grond van art. 3:299 BW Pro haar te machtigen om zelf, mede namens de man, de woning te verkopen, waarbij een door de voorzieningenrechter te benoemen NVM makelaar wordt ingeschakeld die bindend adviseert over de vraag- en verkoopprijs tegen een marktconforme prijs, met betaling van de hieraan gekoppelde kosten en met aflossing van de hypotheek, waarbij ieder der partijen de helft van de overwaarde krijgt uitgekeerd door de notaris en te bepalen dat het vonnis op grond van art. 3:300 BW Pro in de plaats treedt van de transportakte die is vereist om het eigendom aan de koper(s) over te dragen;
subsidiair: haar op grond van artikel 3:299 BW Pro te machtigen om zelf, mede namens de man, de woning te verkopen en over te dragen, waarbij een door de voorzieningenrechter te benoemen NVM makelaar wordt ingeschakeld die bindend adviseert over de vraag- en verkoopprijs tegen een marktconforme prijs, met betaling van de makelaarskosten en met aflossing van de hypotheek uit de koopsommen en te bepalen dat de overwaarde door de notaris aan ieder der partijen bij helfte zal worden gestort en waarbij de vrouw wordt gemachtigd op grond van artikel 3:299 lid 1 BW Pro om mede namens de man de akte van overdracht te laten opstellen door een door haar of de kopende partij aan te wijzen notaris en de vrouw wordt gemachtigd om namens de man de transportakte te ondertekenen;
meer subsidiair: te bepalen dat het vonnis op grond van artikel 3:300 BW Pro dezelfde kracht heeft als een schriftelijke opdracht van de man aan de makelaar tot verkoop van de woning, bij welke verkoop een NVM makelaar wordt ingeschakeld die bindend adviseert over de vraag- en verkoopprijs tegen een marktconforme prijs, met betaling van de kosten en aflossing van de hypotheek uit de koopsom en waarbij de overwaarde door de notaris aan ieder der partijen bij helfte zal worden gestort en het vonnis op grond van artikel 3:300 BW Pro in de plaats treedt van de transportakte voor overdracht van het eigendom van de woning aan de koper(s);
te bepalen dat de door de voorzieningenrechter te benoemen NWM makelaar door de man wordt toegelaten in de woning, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,= voor iedere dag dat de man hiermee in gebreke blijft;
de man te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de 15e dag na de dag van de uitspraak.
3.2
De man voert verweer. De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure. Ter zitting is namens de man aangegeven dat hij niet heeft bedoeld om reconventionele vorderingen in te dienen, zodat alleen de vorderingen van de vrouw ter beoordeling voor liggen.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Vorderingen onder I tot en met IV: verkoop woning
4.1
De vrouw legt aan haar vorderingen onder I tot en met IV het volgende ten grondslag. Reeds in november 2024 heeft de vrouw de woning verlaten. De man heeft aangegeven dat hij de woning wil overnemen en de vrouw wenst uit te kopen. Partijen hebben ieder een makelaar ingeschakeld om de woning te taxeren, maar er was een verschil in waarde. De man wil de woning voor een zo laag mogelijke waarde overnemen. De vrouw is van mening dat de waarde van de woning moet worden bepaald tegen een datum die zo dicht mogelijk ligt bij de datum van transport van de woning. Volgens de vrouw zijn partijen het wel eens over een vergoedingsrecht van de man van € 63.609,40 inclusief auto, vanwege het geld dat de man in de woning heeft geïnvesteerd.
De vrouw heeft een woning in [plaats 1] gehuurd, welke woning zij uiterlijk 8 december 2026 moet verlaten. Zij wenst dan ook over te gaan tot aankoop van een nieuwe woning. Hieruit volgt onder andere het spoedeisend belang. Om een eigen woning te kunnen financieren met haar inkomen, heeft de vrouw minimaal € 85.000,= nodig. Uit de twee taxatierapporten die partijen hebben laten maken, blijkt dat een reële overwaarde. De vrouw doet in dit kader een beroep op artikel 3:178 BW Pro (niemand is verplicht om in een onverdeelde boedel te blijven) en op een uitspraak van de Hoge Raad/artikel 3:185 en Pro 3:174 BW (de bodemrechter zou zeker niet tot een ander oordeel komen). Nu partijen gezamenlijk eigenaar zijn en geen overeenstemming hebben bereikt, zal de bodemrechter de verdeling vaststellen waarbij verkoop de aangewezen vorm is. Daarop vooruitlopend kan in kort geding een machtiging ex artikel 3:299 BW Pro worden verleend. Verkoop mag worden gelast als dat het meest billijk is. Tot slot kan het financieringstraject in deze tijd maanden duren, zodat vertraging leidt tot onomkeerbare schade.
4.2
De man voert gemotiveerd verweer. Hij betwist dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde en bovendien wenst hij de woning over te nemen. In dat kader voert hij aan dat de huidige situatie (geen verdeling) al reeds geruime tijd bestaat. De vrouw heeft er zelf voor gekozen om een tijdelijk huurcontract van twee jaar aan te gaan. De huur eindigt pas eind 2026, zodat nu geen sprake is van een acute noodsituatie. Daarnaast heeft de vrouw niet inzichtelijk gemaakt welke inspanningen zij heeft verricht om alternatieve woonruimte te vinden. De man is bereid om (onder voorbehoud van duidelijke afspraken) de vrouw gedurende een redelijke termijn alleen in de woning te laten wonen. Daar komt bij dat de man al sinds juni 2024 heeft aangegeven de woning over te nemen. Volgens hem leent de zaak zich niet voor een voorziening in kort geding. Verkoop is bovendien niet het juridisch uitgangspunt. Het uitgangspunt is dat overname door een deelgenoot de voorkeur heeft in plaats van verkoop. In augustus 2024 is de woning getaxeerd door ‘ [taxateur] ’ op een waarde van € 518.000,=. De vrouw heeft zelfstandig nog een taxatie laten uitvoeren, waaruit een taxatie zou volgen van € 528.000,=. De vrouw heeft tot en met maart 2025 de communicatie over een afwikkeling geblokkeerd, ondanks voorstellen van de man. De vrouw heeft geen enkele moeite genomen om te komen tot een oplossing. Tijdens een gesprek in augustus 2025 zijn partijen overeengekomen dat de man nog een eigen inbreng in de woning van € 118.836,= kon verrekenen.
De verdeling van de woning had volgens de man eind 2024 al kunnen plaatsvinden. De huidige hogere woningwaarde is het gevolg van het tijdsverloop, dat vrijwel volledig aan de vrouw toe te rekenen is. Bovendien moet de overwaarde het bedrag zijn waar de vrouw in redelijkheid recht op heeft, niet welk bedrag zij nodig heeft voor de aankoop van een nieuwe woning. Volgens de man moet 26 augustus 2024 als peildatum voor de waarde van de woning gelden: de datum van eerste taxatie. Toepassing van de huidige woningwaarde leidt voor de man tot een onaanvaardbaar resultaat qua uitkoopbedrag.
Tot slot heeft de man een zwaarwegend belang bij behoud van de woning. Hij woont daar in de directe nabijheid van zijn ouders (zijn moeder heeft MS). Daar komt bij dat hij alle lasten van de woning draagt en in staat is tot een redelijke uitkoop. Tot slot heeft hij binding met de omgeving. Dit, terwijl de vrouw primair een financieel belang heeft.
4.3
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft. De vraag of de vrouw een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen dient te worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen. Ook wordt hierbij het verstrekkende karakter van de gevorderde voorziening in aanmerking genomen.
4.4
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw de woning eind 2024 heeft verlaten. Eind 2026 moet zij haar huidige huurwoning verlaten. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het niet ideaal is, mag zij van de man dan, indien nodig, een periode in de woning verblijven. Er is op dit moment al geruime tijd sprake van onverdeeldheid van de woning. Ter zitting is gebleken dat de man ook wenst te komen tot afwikkeling/verdeling van de woning. Het is hen tot op heden echter niet gelukt daarover afspraken te maken. De Hoge Raad heeft bepaald dat de rechter in kort geding ook op vordering van een deelgenoot een veroordeling kan uitspreken jegens een andere deelgenoot om mee te werken aan de verkoop en levering van een tot een gemeenschap behorend goed aan een derde (HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:499). De voorzieningenrechter stelt echter vast dat er tussen partijen nog geen afspraak is gemaakt over de (wijze van) verdeling van de woning en er ook nog geen rechterlijke uitspraak is hierover. De vrouw wenst in deze procedure verkoop van de woning, terwijl de man de woning wenst over te nemen. Anders dan de vrouw stelt, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog niet duidelijk dat verkoop van de woning zou moeten volgen. De voorzieningenrechter volgt de vrouw niet in dat standpunt. Op basis van de in dit geding overgelegde gegevens kan niet geconcludeerd worden dat de man niet in staat is om de woning over te nemen.
De omstandigheid dat de man geen zekerheid heeft over de financiële (on)mogelijkheden om de woning over te nemen, levert op zich geen spoedeisend belang bij het gevorderde op en rechtvaardigt niet zonder meer een verdeling van de woning door verkoop ervan in kort geding. Ook alle andere omstandigheden die de vrouw heeft aangevoerd, zoals het feit dat haar huidige huurovereenkomst tot 8 december 2026 loopt en dat zij stelt stabiliteit en rust nodig te hebben, rechtvaardigen geen verdeling van de woning in kort geding. Dat geldt eens te meer omdat partijen discussie hebben over de peildatum en dus over de waarde van de woning. Daar komt bij dat ook discussie bestaat over welk bedrag de man kan verrekenen als eigen inbreng. Volgens de vrouw betreft dit een bedrag van € 63.609,40 en volgens de man is dit een bedrag van € 118.836,=. Dat leidt ertoe dat de zaak zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet leent voor een beslissing in kort geding, gelet op de verstrekkende gevolgen. De vrouw vordert in feite een constitutief vonnis, wat het risico kent dat de bodemrechter tot een ander oordeel komt. De voorzieningenrechter zal gelet op al het voorgaande de vorderingen van de vrouw onder I tot en met IV afwijzen.
Vordering onder V: proceskosten
4.5
De vrouw vordert tot slot de man te veroordelen in de proceskosten. Ter onderbouwing hiervan stelt de vrouw dat de man in gebreke blijft te voldoen aan artikel 3:178 BW Pro. De man frustreert duidelijk de verdeling en wijst de taxatiewaardes af.
4.6
De man vordert de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure met nakosten, vanwege het feit dat de procedure onnodig is gevoerd.
4.7
Aangezien de vorderingen van de vrouw worden afgewezen, ligt een veroordeling van de man in de proceskosten sowieso niet in de rede. De voorzieningenrechter overweegt verder dat het gebruikelijk is om bij juridische geschillen tussen (ex-)echtgenoten de proceskosten te compenseren, omdat een zaak als deze met vele persoonlijke en interrelationele moeilijkheden gepaard gaat. Daarbij is bovendien niet gebleken dat één van partijen misbruik van (proces)recht heeft gemaakt. De voorzieningenrechter zal gelet op het voorgaande de kosten van het geding compenseren aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1
wijst de vorderingen af;
5.2
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leuven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.