Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting en stelde dat ten onrechte geen dwangsom was toegekend bij de uitspraak op bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de beslissing over de dwangsom niet in de uitspraak op bezwaar hoeft te worden opgenomen en dat de heffingsambtenaar nog twee weken had om te beslissen over de dwangsom. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar wordt daarom ongegrond verklaard.
Na het instellen van het beroep heeft de heffingsambtenaar alsnog een dwangsom toegekend, maar deze was onjuist vastgesteld. De rechtbank stelt de dwangsom vast op €497, gebaseerd op het aantal dagen dat de beslissing te laat was en de wettelijke dagtarieven. Tevens wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van wettelijke rente vanaf 1 april 2025 tot de dag van betaling.
Omdat het beroep tegen de dwangsombeschikking gegrond is, krijgt belanghebbende een proceskostenvergoeding van €70,05. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht. De uitspraak is gedaan zonder zitting en partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.