ECLI:NL:RBZWB:2026:524

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
25/1357
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:44 APV Etten-Leur 2021
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling invordering dwangsom voor bezit inbrekerswerktuigen op openbare plaats

Eiser werd op 19 juli 2024 staande gehouden met diverse gereedschappen in zijn voertuig, waaronder tangen, zagen en een breekijzer, die het college kwalificeerde als inbrekerswerktuigen. Het college legde een last onder dwangsom op en vorderde een dwangsom van €5.000,- wegens overtreding van artikel 2:44 van Pro de Algemene plaatselijke verordening (APV) Etten-Leur 2021.

Eiser betwistte de kwalificatie van de gereedschappen als inbrekerswerktuigen en verwees naar het sepot in de strafzaak wegens onvoldoende bewijs. Hij voerde aan dat het gereedschap ook voor legitieme doeleinden kan worden gebruikt en dat het besluit ondeugdelijk gemotiveerd is. De rechtbank stelde vast dat het college het besluit mocht baseren op een bestuurlijke rapportage en dat de combinatie van aangetroffen voorwerpen, de omstandigheden van de aanhouding en het ontbreken van een verifieerbare verklaring voldoende waren om te concluderen dat sprake was van inbrekerswerktuigen.

Daarnaast stelde eiser dat de invordering van de dwangsom onevenredig was vanwege zijn financiële situatie, maar kon hij dit niet aannemelijk maken. De rechtbank volgde de vaste jurisprudentie dat het bestuursorgaan in beginsel geen rekening hoeft te houden met de financiële draagkracht bij invordering van een dwangsom, tenzij evident is dat betaling onmogelijk is.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het bestreden besluit en wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen de invordering van de dwangsom wordt ongegrond verklaard en het college mag de dwangsom van €5.000,- invorderen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1357

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.F.M. Gerritsen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Etten-Leur

(gemachtigde: mr. E.M. Hitzert).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college terecht is overgegaan tot invordering van een van rechtswege verbeurde dwangsom van € 5.000,-. Eiser is het niet eens met deze invordering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht tot invordering van de dwangsom is overgegaan. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 18 september 2024 heeft het college bij eiser een verbeurde dwangsom van € 5.000,- ingevorderd. Met het bestreden besluit van 15 januari 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
2.3.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 1 februari 2024 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Etten-Leur 2021 (APV). De last houdt in dat eiser geen inbrekerswerktuigen mag vervoeren of bij zich mag hebben op een openbare plaats in de gemeente Etten-Leur. Bij elke overtreding verbeurt eiser een dwangsom van € 5.000,-.
3.1.
Uit de bestuurlijke, op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte, rapportage van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant van 6 augustus 2024 blijkt het volgende.
Op 19 juli 2024 omstreeks 07:20 uur kreeg de politie een melding over een verdachte situatie in Rijsbergen . Een man zou de kentekenplaten van twee verschillende voertuigen hebben verwijderd en weggerend zijn. Op de Zundertseweg in Etten-Leur zagen politieambtenaren een Suzuki Ignis met aanhanger rijden. Het signalement van de bijrijder van de Suzuki kwam overeen met het opgegeven signalement van de man die de kentekenplaten verwijderde. Bij het keren van het dienstvoertuig had de politieambtenaar kort geen zicht op de Suzuki. Vervolgens zag hij aan de kant van de weg een kledingstuk liggen dat hij op de heenweg niet had gezien. De Suzuki werd daarop staande gehouden en eiser werd als bestuurder aangetroffen. In het voertuig werden verschillende gereedschappen aangetroffen: vier accu’s, een inbussleutel, een breekijzer, twee kniptangen, vijf zagen, een Makita lamp, een holemarker, twee schroevendraaiers, een reciprozaag, een stanleymes, een zaklamp en een handschoen.
Aan de kant van de weg werden de twee kentekenplaten aangetroffen gewikkeld in een trainingsbroek.
Eiser verklaarde ten overstaan van de politieambtenaren dat het gereedschap van hem is en dat hij het gebruikt omdat hij met de auto bezig is. Op veel vragen wilde eiser geen antwoord geven.
3.2.
Met een brief van 16 augustus 2024 heeft het college aan eiser het voornemen bekendgemaakt om vanwege de overtreding op 19 juli 2024 een dwangsom van € 5.000,- in te vorderen. Eiser heeft daar niet op gereageerd.
3.3.
Met het primaire besluit heeft het college een dwangsom van € 5.000,- ingevorderd. Met het bestreden besluit is het college bij dat besluit gebleven.
Wat is het juridisch kader?
4. Artikel 2:44, eerste lid, van de APV bepaalt dat het verboden is op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. Het gaat daarbij om werktuigen die ertoe kunnen dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. In het tweede lid staat dat het eerste lid niet van toepassing is als bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de eerder genoemde bedoelde handelingen.
4.1.
De rechtbank beoordeelt aan de hand van dit artikel en de vastgestelde feiten of eiser dit verbod heeft overtreden. Daarbij komt eerst aan de orde of de aangetroffen gereedschappen kunnen worden aangemerkt als inbrekerswerktuigen. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of het college terecht tot invordering van de verbeurde dwangsom is overgegaan en of die invordering onevenredig is.
Is sprake van overtreding van artikel 2:44 van Pro de APV?
5. Eiser betwist dat hij artikel 2:44 van Pro de APV heeft overtreden. Hij wijst erop dat het Openbaar Ministerie de strafzaak tegen hem heeft geseponeerd wegens onvoldoende bewijs. Volgens eiser bevestigt dit dat de aangetroffen gereedschappen niet zijn gebruikt voor de in artikel 2:44 van Pro de APV bedoelde handelingen. Daarnaast gaat het volgens eiser om regulier gereedschap dat ook voor legitieme doeleinden kan worden gebruikt. Hij wijst erop dat sommige van de aangetroffen voorwerpen naar hun aard juist ongeschikt zijn voor een inbraak. Eiser heeft ter zitting nader toegelicht dat sommige aangetroffen voorwerpen onjuist zijn gekwalificeerd. Zo zou het aangetroffen breekijzer in werkelijkheid een spijkerwipper zijn en de kniptang een snoeischaar. Ten slotte voert eiser aan dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat daaruit volgens hem niet blijkt waarom het college de aangetroffen gereedschappen geschikt acht voor diefstal met braak.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het gelet op de aard en combinatie van de aangetroffen voorwerpen, het feit dat de bijrijder van eiser voldeed aan het signalement van de man die de kentekenplaten van twee voertuigen afhaalde, het feit dat deze kentekenplaten werden aangetroffen aan de kant van de weg nabij het staande gehouden voertuig en het gegeven dat eiser antecedenten heeft op het gebied van bedreiging, bezit van wapens, mishandeling, bezit van harddrugs, heling, diefstal en rijden onder invloed, voldoende aannemelijk is dat de bij eiser aangetroffen voorwerpen inbrekerswerktuigen zijn.
6. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling of sprake is van inbrekerswerktuigen, het geheel van de omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang moet worden bezien. [1]
6.1.
De rechtbank overweegt dat het college zijn besluit heeft mogen baseren op de bestuurlijke rapportage. Volgens vaste jurisprudentie mag in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij op basis van tegenbewijs hiervan moet worden afgeweken. [2] Dit geldt ook voor een op ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage. De rechtbank is niet gebleken van tegenbewijs waardoor van dit uitgangspunt moet worden afgeweken.
6.2.
Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat eiser een inbussleutel, een breekijzer, twee kniptangen, vijf zagen, een Makita lamp, een holemarker, twee schroevendraaiers, een reciprozaag, een stanleymes, een zaklamp en een handschoen bij zich had op een openbare plaats in Etten-Leur. Ook voldeed de bijrijder aan het signalement van de man die de kentekenplaten van twee auto’s had verwijderd en werden deze kentekenplaten aangetroffen aan de kant van de weg nabij het staande gehouden voertuig dat eiser bestuurde. Ten slotte heeft eiser antecedenten onder meer op het gebied van diefstal.
6.3.
De rechtbank merkt op dat voor de beoordeling of sprake is van inbrekerswerktuigen niet doorslaggevend is hoe afzonderlijke voorwerpen exact worden benoemd of welke alternatieve toepassingen daarvoor denkbaar zijn. Beslissend is of de aangetroffen voorwerpen, in onderlinge samenhang en bezien in het licht van alle omstandigheden van het geval, redelijkerwijs kunnen worden aangemerkt als middelen die kunnen dienen tot het plegen van de in artikel 2:44 van Pro de APV bedoelde handelingen.
6.4.
Ook indien wordt uitgegaan van de door eiser ter zitting gegeven toelichting, laat dit onverlet dat sprake is van een combinatie van meerdere gereedschappen, waaronder tangen, zagen en ander handgereedschap, aangetroffen op een openbare plaats, in samenhang met het tijdstip en de locatie waarop eiser is aangetroffen, de eerdere melding, het feit dat de bijrijder van eiser voldeed aan het signalement van de man die de kentekenplaten van twee voertuigen afhaalde, het aantreffen van de weggenomen kentekenplaten langs de weg, het uitblijven van een concrete en verifieerbare verklaring voor het bezit van de gereedschappen en de wisselende verklaringen van eiser en zijn bijrijder. In deze samenhang heeft het college mogen concluderen dat de gereedschappen zijn aan te merken als inbrekerswerktuigen als bedoeld in artikel 2:44 van Pro de APV.
6.5.
Dat eiser strafrechtelijk niet is veroordeeld voor de diefstal van de kentekenplaten, is niet bepalend voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een overtreding van artikel 2:44 van Pro de APV. [3] Gelet op de omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het college het besluit toereikend heeft gemotiveerd. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.
Is de invordering onevenredig?
7. Eiser stelt dat invordering onevenredig is en er geen rekening is gehouden met zijn financiële draagkracht.
7.1.
Het college stelt er geen sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de opgelegde dwangsom voor eiser onevenredig zwaar zou zijn. Eiser heeft nagelaten inzicht te geven in zijn financiële positie. Daarom bestaat er volgens het college geen aanleiding om van invordering af te zien.
8. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [4] blijkt dat bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Het bestuursorgaan hoeft bij de invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan namelijk in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat alleen aanleiding als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. De overtreder moet aannemelijk maken dat dit het geval is.
8.1.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat evident is dat hij de verbeurde dwangsom niet (volledig) zal kunnen betalen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Koek, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 29 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in staat de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1476.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:961.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1978.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:195.