Op 17 maart 2026 voerde de politie een controle uit in een woning naar aanleiding van een melding over een mogelijke hennepkwekerij. Daarbij werden 224 hennepplanten, 5980 gram gedroogde henneptoppen en diverse kwekerijattributen aangetroffen. De burgemeester besloot op grond van artikel 13b van de Opiumwet de woning voor drie maanden te sluiten.
Verzoekers, bewoners van de woning, maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was en dat sluiting een geschikt middel was, maar dat de evenwichtigheid van het besluit onvoldoende was gemotiveerd. Verzoekers stelden dat zij onvoldoende middelen hadden voor alternatieve huisvesting en dat de burgemeester onvoldoende rekening had gehouden met de psychische en fysieke klachten van verzoekster 1.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de burgemeester onvoldoende had gemotiveerd dat de sluiting evenwichtig was, met name omdat het risico op dakloosheid en de impact op de psychische gezondheid niet voldoende waren meegewogen. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen en de sluiting geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.