Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5235

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
BRE 26/2508, 26/2509 en 26/2511
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 3, tweede lid, Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens hennepkwekerij op grond van artikel 13b Opiumwet

Op 17 maart 2026 voerde de politie een controle uit in een woning naar aanleiding van een melding over een mogelijke hennepkwekerij. Daarbij werden 224 hennepplanten, 5980 gram gedroogde henneptoppen en diverse kwekerijattributen aangetroffen. De burgemeester besloot op grond van artikel 13b van de Opiumwet de woning voor drie maanden te sluiten.

Verzoekers, bewoners van de woning, maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was en dat sluiting een geschikt middel was, maar dat de evenwichtigheid van het besluit onvoldoende was gemotiveerd. Verzoekers stelden dat zij onvoldoende middelen hadden voor alternatieve huisvesting en dat de burgemeester onvoldoende rekening had gehouden met de psychische en fysieke klachten van verzoekster 1.

De voorzieningenrechter stelde vast dat de burgemeester onvoldoende had gemotiveerd dat de sluiting evenwichtig was, met name omdat het risico op dakloosheid en de impact op de psychische gezondheid niet voldoende waren meegewogen. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen en de sluiting geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de sluiting van de woning geschorst wegens onvoldoende motivering van de evenwichtigheid en risico op dakloosheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2508, 26/2509 en 26/2511

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster 1] , uit [woonplaats] , verzoekster 1

(gemachtigde: mr. D.C.O. Ayinla),

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker 2

(gemachtigde: mr. D.C.O. Ayinla),

[verzoekster 2] , uit [woonplaats] , verzoekster 3

(gemachtigde: mr. D.C.O. Ayinla),
hierna samen aangeduid als verzoekers
en

de burgemeester van de gemeente Breda, de burgemeester.

Procesverloop

1. Op 17 maart 2026 heeft de politie een controle uitgevoerd in de woning aan de [adres] in [woonplaats] naar aanleiding van een melding over een mogelijke hennepkwekerij. Tijdens deze controle is het volgende aangetroffen:
Ruimte 1:
  • 224 hennepplanten;
  • 14 armaturen;
  • 14 assimilatielampen;
  • 14 transformatoren;
  • 2 koolstoffilters;
  • 1 slakkenhuis;
  • 5 ventilatoren;
  • 3 thermometers;
  • 5980 gram gedroogde henneptoppen.
Ruimte 2:
  • 18 assimilatielampen (niet aangesloten);
  • 1 schakelbord;
  • 3 tijdschakelaren;
  • 1 koolstoffilter;
  • 1 temperatuurregelaar;
  • 1 water- en dompelpomp;
  • 14 groeimiddelen;
  • 1 thermometer;
  • 2 knipbenodigdheden;
  • 1 weegschaal.
Ruimte 3:
- 1 1 thermometer.
De politie heeft in een latere e-mail aangegeven dat uit onderzoek is vast komen te staan dat er tenminste vier eerdere oogsten zijn geweest.
1.1.
De burgemeester heeft verzoekers, allen wonend in het pand en in de Basisregistratie Personen ingeschreven op dit adres, afzonderlijk van elkaar op 1 april 2026 en op 16 april per brief bericht voornemens te zijn de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet (in samenhang met artikel 3 van Pro de Opiumwet) te sluiten voor drie maanden.
1.2.
Verzoekers hebben afzonderlijk van elkaar op dit voornemen gereageerd met een zienswijze.
1.3.
De burgemeester heeft op 29 april besloten om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet in samenhang met artikel 3 van Pro de Opiumwet en de beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet (het bestreden besluit). De in het bestreden besluit vastgestelde begunstigingstermijn liep tot 7 mei 2026.
1.4.
Verzoekers, allen wonend in het pand, hebben hier op 1 mei 2026 bezwaar tegen gemaakt en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
1.5.
Op 1 mei 2026 heeft de burgemeester de rechtbank bericht dat het besluit zal worden opgeschort tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek.
1.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, hun gemachtigde en, namens de burgemeester, mr. B.E. de Jong en mr. M. Voesenek.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat verzoekers de woning op korte termijn zouden moeten verlaten. De burgemeester heeft het spoedeisend belang ook niet betwist.
Inhoudelijke beoordeling
3. Bij de beoordeling van het bestreden besluit hanteert de voorzieningenrechter de uitgangspunten die zijn weergegeven in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2025. [1] Tussen partijen is niet in geschil dat de burgemeester bevoegd was om op grond van artikel 13b van de Opiumwet de woning van verzoekers te sluiten. Ook is niet in geschil dat de sluiting een geschikt middel was om het beoogde doel van de burgemeester te bereiken. De vraag die aan de voorzieningenrechter voorligt is of de sluiting voor drie maanden in de gegeven omstandigheden ook noodzakelijk en evenwichtig is.
Evenredigheid van het besluit
Noodzakelijkheid
4. Bij de beoordeling of de sluiting van een woning noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.
4.1.
Verzoekers stellen dat de burgemeester had moeten kiezen voor een last onder dwangsom of een waarschuwing, mede gelet op de onevenwichtigheid van het besluit. Daarbij verwijzen ze naar een rapport van de Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) waarin is geconcludeerd dat de genoemde alternatieve maatregelen hetzelfde effect hebben als een woningsluiting, maar dat de gevolgen fors beperkter zijn. [2]
4.2.
De burgemeester acht het sluiten van de woning noodzakelijk om herhaling van de drugsgerelateerde activiteiten te voorkomen en de woning uit het criminele circuit te halen.
De burgemeester stelt dat het aannemelijk is dat de woning een rol vervult in het faciliteren van hennepteelt gelet op de melding bij de politie, eerdere oogsten, de verklaring van een medebewoner dat hij al 5 maanden met de kwekerij bezig is, de wijze van verpakking van de 5,98 kilo gedroogde henneptoppen en de omvang en mate van professionaliteit van de hennepkwekerij. Ook acht de burgemeester het sluiten van de woning noodzakelijk omdat in de woning illegaal stroom getapt is, wat kan leiden tot gevaarlijke situaties zoals kortsluiting en brand, en dat de woning in een kwetsbare wijk ligt.
4.3.
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van de burgemeester dat de woning een rol vervulde in het drugscircuit, omdat het ging om een bedrijfsmatige en professioneel opgezette hennepkwekerij. De voorzieningenrechter komt tot deze conclusie vanwege de hoeveelheid van 224 hennepplanten, de 5980 gram gedroogde henneptoppen, de aangetroffen attributen en de diefstal van de stroom. Hoewel partijen twisten over het aantal eerdere oogsten, staat bovendien niet ter discussie dat hier sprake van is geweest. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester het daarom noodzakelijk mogen vinden om de woning in deze kwetsbare wijk te sluiten om die rol teniet te doen en herhaling van de overtreding te voorkomen. Hij heeft zich daarbij op het standpunt mogen stellen dat deze doelen onder de hiervoor genoemde omstandigheden niet met een minder ingrijpend middel, zoals het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing, bereikt konden worden.
Evenwichtigheid
5. Als de woningsluiting het aangewezen middel is, betekent dit nog niet dat de burgemeester hiertoe steeds mag overgaan. Daarvoor moet hij zich ervan vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor de bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken.
5.1.
Verzoekers hebben naar voren gebracht dat de opgelegde bestuurlijke maatregel onevenwichtig is. Zo stellen ze gezamenlijk over onvoldoende middelen te beschikken om op korte termijn adequate en passende woonruimte te vinden. Verzoekers 2 en 3 hebben in zijn geheel geen inkomen. Daar komt bij dat volgens hen een verblijf bij Centraal Onthaal geen optie is. Een medewerker van Centraal Onthaal heeft namelijk de gemachtigde van verzoekers telefonisch medegedeeld dat verzoekers geen aanspraak maken op een plek omdat ze korter dan vijf jaar in Nederland verblijven en de reden van hun huisuitzetting hun eigen schuld is. Verder heeft verzoekster 1 naar voren gebracht dat zij vanwege haar medische problematiek niet terechtkan bij Centraal Onthaal. Tot slot heeft verzoekster 1 aangevoerd dat in het besluit onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische en fysieke klachten.
5.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat inherent aan een sluiting is dat de bewoners de woning moeten verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat is echter anders als de bewoners niet in staat zijn om (tijdelijk) vervangende woonruimte te regelen. Uitgangspunt is dat de bewoners in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vinden van alternatieve huisvesting. [3] De burgemeester moet er echter op toezien dat de belanghebbende niet dakloos raakt en dient verzoekers ondersteuning te bieden bij het vinden van een ander onderkomen. [4]
5.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat op voorhand niet vaststaat dat verzoekers, gelet op de WIA-uitkering van verzoekster 1 en het inkomen van haar echtgenoot, gezamenlijk onvoldoende inkomen hebben om een woning te huren. Onduidelijk is echter wel of dit gezamenlijke inkomen voldoende is en of het in de huidige woningmarkt feitelijk mogelijk is om op korte termijn een woning voor vier personen te huren die op acceptabele reisafstand ligt van het werk van haar echtgenoot, zodat hij zijn inkomen kan behouden. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat de burgemeester op zitting niet heeft kunnen uitsluiten dat verzoekers op straat komen te staan. Hoewel verzoekers in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het regelen van hun eigen onderdak, heeft de burgemeester ook mede de verantwoordelijkheid om te zorgen dat zij niet dakloos worden. Zeker nu de burgemeester niet bestrijdt dat verzoekster 1 kampt met zowel psychische, te weten depressieve, als fysieke klachten. Hoewel niet is gebleken dat zij vanwege haar fysieke klachten aan de woning gebonden is, heeft de burgemeester onvoldoende rekening gehouden met haar psychische problemen. De gevolgen van de stress door de tijdelijke gedwongen verhuizing voor haar depressieve klachten, heeft de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom ten onrechte onbesproken gelaten. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd ten aanzien van de evenwichtigheid.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de sluiting van de woning onvoldoende gemotiveerd is ten aanzien van de evenwichtigheid en dus ten aanzien van de evenredigheid. De burgemeester kan bij zijn volledige heroverweging in bezwaar dit alsnog beter motiveren of omwille van strijd met de evenwichtigheid van de sluiting afzien. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken daarom toe en treft de voorlopige voorziening dat de bestreden besluiten zijn geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
6.1.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de burgemeester het griffierecht aan verzoekster 1 vergoed. Verzoekers 2 en 3 hebben geen recht op een dergelijke vergoeding, omdat de rechtbank voor hun verzoeken geen griffierecht geheven heeft.
6.2.
Deze drie zaken zijn op de zitting gelijktijdig behandeld. In alle drie de zaken bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank stelt vast dat deze zaken over dezelfde geschilpunten gaan, in de zaken rechtsbijstand is verleend door dezelfde gemachtigde en de werkzaamheden in elke zaak (nagenoeg) identiek zijn geweest. De rechtbank ziet daarom aanleiding deze drie gelijktijdig behandelde zaken aan te merken als samenhangend. [5] Gelet daarop worden de zaken van verzoekers beschouwd als één zaak. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft verzoekschriften ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening toe;
- schorst de bestreden besluiten tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing(en) op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan verzoekster 1 moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan verzoekers, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, de burgemeester aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 2 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
2.'Lichtere maatregelen tegen drugspanden net zo effectief als sluiting', www.wodc.nl, 14 april 2026.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1140.
4.Dit volgt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1145.
5.Artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.