ECLI:NL:RBZWB:2026:5216

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446190 / FA RK 26-1409
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing provisionele omgangsverzoeken en verwijzing naar jeugdtraject in omgangszaak

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek tot voorlopige voorziening inzake omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige kinderen. De ouders hadden een verstoorde relatie en er liep een bodemprocedure over wijziging van het ouderlijk gezag en zorgregeling. De vader verzocht om omgangscontact één weekend per veertien dagen, terwijl de moeder dit betwistte en veiligheidsrisico's aanvoerde.

Tijdens de zitting trokken beide partijen hun provisionele verzoeken in en stemden in met verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod (UHA), een jeugdtraject gericht op hulpverlening en onderzoek naar de omgangsregeling. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde eveneens een verwijzing naar het UHA-traject.

De rechtbank oordeelde dat er geen spoedeisend belang meer was voor voorlopige voorzieningen en wees de verzoeken af. Partijen werden verwezen naar het UHA-traject, waarbij een zorgaanbieder een rapportage zal opstellen over het verloop en resultaat. Afhankelijk van de uitkomst kan de Raad een onderzoek instellen en advies uitbrengen voor de bodemprocedure. De rechtbank stelde duidelijke termijnen en voorwaarden voor het vervolgtraject vast.

Uitkomst: De rechtbank wijst de provisionele verzoeken af en verwijst partijen naar een jeugdhulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/446190 / FA RK 26-1409
datum uitspraak: 15 mei 2026
Beschikking over een provisionele voorziening op grond van artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. E.C.G. Vermue in Roosendaal,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M.C.F.Y de Vleesschauwer in Breda,
over de minderjarige kinderen van partijen:
-
[minderjarige 1],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021, hierna: [minderjarige 1] , en
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2024, hierna: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 16 maart 2026 ontvangen verzoek, met bijlagen;
- het op 22 april 2026 ontvangen verweerschrift met zelfstandige verzoeken, met bijlagen.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 28 april 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
1.3
Tussen partijen is bij deze rechtbank een bodemprocedure aanhangig over wijziging ouderlijk gezag en vaststelling van een zorgzorgregeling. De rechtbank heeft deze bodemprocedure geregistreerd onder het zaaknummer C/02/446191 / FA RK 26-1410.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
2.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.
2.3
De man heeft de minderjarigen erkend. De vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige 1] . Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 2] .

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt, bij wijze van provisioneel verzoek op grond van artikel 223 Rv Pro, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, totdat de rechtbank in de bodemprocedure heeft beslist, te bepalen dat de man en de kinderen recht hebben op omgang c.q. contact met elkaar één weekend per veertien dagen vanaf vrijdagmiddag na schooltijd van [minderjarige 1] tot zondag 19.00 uur, waarbij de man zorgdraagt voor het halen en brengen van de kinderen, althans een dusdanige omgangsregeling c.q. zorg- en contactregeling als door de rechtbank in goede justitie te bepalen.
3.2
De vrouw voert verweer en verzoekt om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek ex artikel 223 Rv Pro, althans het verzoek van de man af te wijzen.
De vrouw verzoekt daarnaast, bij wege van (voorwaardelijk) zelfstandige verzoeken:
I. partijen, in het kader van de thans bij de rechtbank aanhangige bodemprocedure, te verwijzen naar het traject van het Uniform Hulpaanbod (UHA), voor passende hulpverlening met als doel onderzoeken of, en zo ja in welke vorm, frequentie en duur, begeleid contactherstel tussen de man en de kinderen dient plaats te vinden;
II. indien en voor zover de man niet openstaat voor een verwijzing, in het kader van de thans bij de rechtbank aanhangige bodemprocedure, het procesdossier in onderhavige procedure in handen van de Raad te stellen, met het verzoek een onderzoek te gelasten en advies uit te brengen ter beantwoording van de vragen:
1. Welke vorm van (begeleid) contact c.q. omgang met de man komt het meest tegemoet aan de kinderen?
2. Hoe dient een (eventuele) zorgregeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
3. Zijn er contra-indicaties voor contact c.q. omgang en zo ja, welke?
4. In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe onder welke voorwaarde en op welke termijn?
III. indien en voor zover de rechtbank de vrouw niet volgt en meent dat contact c.q. omgang tussen de man en de kinderen in hun belang te achten is, verzoekt de vrouw meer subsidiair een begeleide contact- c.q. omgangsregeling vast te stellen, althans een zodanige contact- c.q. omgangsregeling vast te stellen als uw rechtbank juist en redelijk en in het belang van de kinderen acht.

4.De standpunten

4.1
Door en namens de man wordt het volgende aangevoerd. De samenwoning tussen partijen is eind april 2025 geëindigd. Na het verbreken van de relatie had de man in eerste instantie gemiddeld twee keer per week contact met de kinderen. Op 11 oktober 2025 heeft er een conflict plaatsgevonden tussen partijen en sindsdien laat de vrouw contact tussen de man en de kinderen niet meer toe. Naar aanleiding van het incident op 11 oktober 2025 is Veilig Thuis betrokken geraakt en zijn partijen aangemeld bij het CJG van de gemeente [woonplaats 2] . Het is van belang dat partijen ondersteund gaan worden in hoe het contact tussen de man en de kinderen vorm te geven. Partijen zijn voor hulpverlening doorverwezen naar [praktijk] in samenwerking met [persoon 1] . De man heeft inmiddels zijn eerste afspraak gehad en van de hulpverleners vernomen dat zij niet kunnen garanderen dat er spoedig contactherstel tussen de man en de kinderen zal plaatsvinden en dat eerst onderzoek zal worden gedaan naar de verschillende dynamieken in het gezin. Het is volgens de man echter de vraag of deze hulpverlening toereikend zal zijn. De man verzoekt dan ook, onder intrekking van zijn provisionele verzoek, om partijen te verwijzen naar het UHA, waarbij de terugkoppeling kan geschieden in de bodemprocedure.
4.2
Door en namens de vrouw wordt aangevoerd dat de relatie van partijen werd gekenmerkt door het dominante karakter van de man. Volgens de vrouw was er sprake van geestelijke mishandeling van haar door de man gedurende de relatie en is de man de vrouw ook sociaal gaan isoleren. Nadat de relatie tussen partijen in april 2025 is verbroken is de vrouw, ondanks dat zij nieuwe woonruimte toegewezen had gekregen, met de kinderen en hun halfzusje [persoon 2] vanwege veiligheidsredenen bij haar ouders ingetrokken. De vrouw betwist dat er op regelmatige basis contact tussen de man en de kinderen heeft plaatsgevonden. Na het conflict op 11 oktober 2025, waarbij de kinderen getuige van waren, zijn zij aantoonbaar angstig voor de man. Naar aanleiding van het incident heeft de huisarts melding gedaan bij Veilig Thuis en zijn veiligheidsafspraken gemaakt, waaronder dat er voorlopig geen contact zal plaatsvinden tussen de man en de kinderen. Inmiddels is ook de gemeente bezig met het inzetten van hulpverlening, namelijk door [praktijk] en [persoon 1] . Deze hulpverlening zal eerst onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, begeleide omgang c.q. contact tussen de man en de kinderen in hun belang kan worden geacht. De vrouw vraagt zich echter ook af of deze reeds ingezette hulpverlening toereikend is. De vrouw verzoekt partijen eveneens te verwijzen voor een UHA-traject onder intrekking van haar zelfstandige provisionele verzoeken.
4.3
Namens de Raad wordt een verwijzing naar het UHA wenselijk gevonden. Partijen gaan dan samen met de hulpverlening aan de slag om te bekijken welke hulpverlening benodigd is en op welke wijze er weer tot contact tussen de man en de kinderen kan worden gekomen. Wanneer het UHA-traject niet slaagt of niet van de grond komt, zal de Raad onderzoek gaan doen. De Raad geeft nog mee aan de man dat hij moet leren de kinderen niet te belasten met zijn emoties en gevoelens. Het is goed als hier hulpverlening voor komt. Mogelijk kan in het kader van het UHA ook een MASIC worden afgenomen.

5.De beoordeling

5.1.
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
5.2.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
5.3.
De rechtbank overweegt dat er tussen partijen een bodemprocedure aanhangig is over onder andere de vaststelling van de omgangs- c.q. contactregeling tussen de man en de kinderen.
5.4.
De rechtbank overweegt vervolgens dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv Pro slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende (spoedeisend) belang bestaat, in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
5.5.
Ter zitting hebben partijen hun (zelfstandige) provisionele verzoeken ingetrokken en de rechtbank verzocht hen vooruitlopend op de bodemprocedure te verwijzen voor een UHA-traject. Nu beide partijen hun (zelfstandige) provisionele verzoeken hebben ingetrokken, bestaat er geen belang meer bij een beoordeling van deze verzoeken en zullen deze worden afgewezen.
Uniform Hulpaanbod
5.6.
De problematiek van de partijen omvat het volgende:
De verstandhouding tussen partijen is ernstig verstoord. In april 2025 is de samenleving tussen hen beëindigd. De visies van partijen over het verloop van hun relatie en de situatie na het verbreken van de relatie staan lijnrecht tegenover elkaar. Ook verschillen partijen van mening over de rol die zij tijdens en na de relatie in het leven van de kinderen hebben gespeeld. Vast staat echter dat sinds het incident in oktober 2025 er geen contact meer heeft plaatsgevonden tussen de man en de kinderen. Ook is sindsdien Veilig Thuis betrokken, wat heeft geresulteerd in hulpverlening door [praktijk] in samenwerking met [persoon 1] . Deze hulpverlening richt zich in eerste instantie op het in beeld brengen van de dynamieken in het gezin, vervolgens zal bekeken worden of, en zo ja op welke wijze, er contact tussen de man en de kinderen kan plaatsvinden.
5.7.
Het lukt partijen niet de problemen tussen hen op te lossen. Hoewel inmiddels hulpverlening is gestart, is het volgens partijen de vraag of deze hulpverlening toereikend is. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor partijen als ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet in het kader van het UHA. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft inmiddels plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
5.8.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor de kinderen;
- de kinderen hebben een stem in het scheidingsproces, voelen zich gehoord en gesteund;
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van de kinderen.
5.9.
Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechtbank na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de kinderen en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor de kinderen te realiseren (binnen de scheidingssituatie);
- de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van de kinderen.
De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst.
5.10.
Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de rechtbank als volgt.
5.11.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd.
Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject waarbij zoals hier wordt ingezet op onbelast contact wordt standaard een termijn van negen maanden aangehouden.
Gelet hierop verzoekt de rechtbank het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
5.12.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een zitting in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot de kinderen. Aangezien de bodemprocedure vooralsnog staat gepland op 12 juni 2026 heeft de rechter partijen er al op gewezen dat deze mogelijk niet door zal gaan, aangezien eerst het verloop van het UHA-traject zal worden afgewacht.
5.13.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
5.14.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
5.15.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/446191 / FA RK 26-1410 een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke omgangs- dan wel zorgregeling past het beste bij de belangen van de kinderen?
- Hoe moet die regeling eruit gaan zien (aard, duur en frequentie)?
- Zijn er contra-indicaties voor contact c.q. omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe onder welke voorwaarde en op welke termijn?
5.16.
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
5.17.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van veertien dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
5.18.
De rechtbank verzoekt de man in de bodemzaak melding te maken van de verwijzing van partijen naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA.
5.19.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst de provisionele verzoeken van zowel de man als de vrouw af;
6.2.
verwijst partijen en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal partijen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
6.3.
verzoekt het loket om uiterlijk op 19 januari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/446191 FA RK 26-1410 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
6.4.
verzoekt de man in de bodemzaak melding te maken van de verwijzing van partijen naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA;
6.5.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
6.6.
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
6.7.
verzoekt de Raad wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/446191 / FA RK 26-1410 onderzoek in te stellen ter beantwoording van de onder 5.15 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
6.8.
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen.
Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026 in aanwezigheid van Van Diepen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.