ECLI:NL:RBZWB:2026:5176

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/02/443350 / JE RK 25-2290
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige met toetsing perspectiefbesluit

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, met een toetsing van het perspectiefbesluit dat de minderjarige niet langer bij de moeder kan opgroeien.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag, maar de GI en de Raad voor de Kinderbescherming constateren dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat de moeder onvoldoende stabiel is om de zorg te bieden die de minderjarige nodig heeft. De moeder verzet zich tegen de verlenging en het perspectiefbesluit, maar erkent de noodzaak van hulpverlening.

De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. Het perspectiefbesluit wordt bevestigd, waarbij wordt benadrukt dat de moeder haar ouderrol kan blijven vervullen en dat de band tussen moeder en kind blijft bestaan. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot 19 februari 2027 en het perspectiefbesluit wordt bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443350 / JE RK 25-2290
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J. Nederlof uit Tilburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over de resterende verzoeken te adviseren.

1.Het verdere procesverloop

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 10 februari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • de brief met bijlage van de GI van 29 april 2026, zijnde een brief van de Raad van 18 maart 2026 betreffende de toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing;
  • het bericht met bijlagen van mr. Nederlof van 6 mei 2026, betreffende producties 1 tot en met 5;
  • het bericht van mr. Nederlof van 6 mei 2026, betreffende het verzoek om aanwezigheid ter zitting van de begeleidster van de moeder.
1.2.
Op 12 mei 2026 heeft de kinderrechter de behandeling van de zaak voortgezet tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI;
  • een medewerkster namens de Raad.
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan mevrouw [persoon]
namens [hulpverlening 1] om de zitting als toehoorder bij te wonen. Zij is de persoonlijk
begeleidster van de moeder.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 10 februari 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 19 februari 2026 tot 19 mei 2026. Voor diezelfde duur heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd. De kinderrechter heeft het resterende deel van de verzoeken aangehouden in afwachting van schriftelijk bericht van de GI, zoals is overwogen in het dictum van die beschikking onder rechtsoverweging 6.6.
2.3.
Op grond van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] op een groep van Sterk Huis.

3.De (resterende) verzoeken

Ter beoordeling liggen thans de volgende resterende verzoeken voor.
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de resterende duur van negen maanden, te weten tot 19 februari 2027.
3.2.
Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de resterende duur van negen maanden, te weten tot 19 februari 2027.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
De GI heeft bij het verzoekschrift als bijlage een perspectiefbesluit van
25 november 2025 gevoegd. De GI heeft besloten dat het perspectief van [minderjarige] niet langer
bij de moeder thuis ligt, maar binnen een gezinshuis. De GI verzoekt de kinderrechter dit
besluit te toetsen.

4.Het (nadere) standpunt van de GI

4.1.
Ter nadere onderbouwing van de resterende verzoeken voert de GI, samengevat, het volgende aan. Ook in de afgelopen periode wordt gezien dat de moeder veel van [minderjarige] houdt. De moeder wenst dat [minderjarige] weer bij haar komt wonen. Die mogelijkheid bestaat echter niet. [minderjarige] heeft duidelijkheid nodig over haar perspectief. Daarna kan zij pas aan haar traumaverwerking toekomen. Doordat er geen duidelijkheid is over het perspectief, staat de behandeling van [minderjarige] – en daarmee haar verdere ontwikkeling – stil.
4.2.
Sterk Huis is helder over het perspectief van [minderjarige] . De GI sluit zich hierbij aan en wijzigt het genomen perspectiefbesluit niet. De GI onderschrijft dat het van belang is om goed naar de contacten tussen [minderjarige] en de moeder te blijven kijken. De GI wenst deze contacten verder uit te bouwen. De rol van de moeder is belangrijk in het leven van [minderjarige] . Het genomen perspectiefbesluit verandert daar niets aan.
4.3.
Daarnaast heeft de GI in de komende periode aandacht voor een herstelgesprek tussen de moeder en school. De verstandhouding tussen de moeder en school heeft schade opgelopen. Een gesprek tussen de moeder en de directeur van de school is niet goed verlopen. Voor de moeder en de directeur is het wenselijk dat de GI bij dit herstelgesprek betrokken is.
4.4.
Gelet op de bestaande contacten tussen [minderjarige] en de moeder heeft de GI een plek bij [minderjarige] in een gezinshuis in [plaats] afgewezen. Dit is te ver weg. Op dit moment is er geen zicht op een andere plek. De GI blijft ook in de komende periode zoeken naar een passend gezinshuis. De GI verwacht dat dit een uitdaging zal zijn, gelet op de complexe problematiek. Zolang er geen gezinshuis is gevonden, kan [minderjarige] bij Sterk Huis blijven. De GI handhaaft de resterende verzoeken.

5.Het (nadere) standpunt van belanghebbende en het advies van de Raad

5.1.
Door en namens de moeder wordt, samengevat, het volgende aangevoerd. De moeder verzet zich tegen de resterende verzoeken en het genomen perspectiefbesluit en verzoekt, primair, tot afwijzing van de resterende verzoeken. Hoewel zij achter de door de GI ingezette hulpverlening voor [minderjarige] staat, acht de moeder het ook mogelijk dat [minderjarige] haar behandeling krijgt vanuit een terugplaatsing bij de moeder. Dit is een betere optie dan [minderjarige] te plaatsen in wéér een vreemde omgeving. Daarnaast is een terugplaatsing bij de moeder beter, omdat [minderjarige] volgens haar nu niet op een stabiele plek verblijft. Volgens de moeder gaat het nu goed met haarzelf. Zij is geopereerd en heeft geen pijn meer. Zij kan er voor [minderjarige] zijn.
De onduidelijkheid die [minderjarige] heeft over haar perspectief is door de GI zelf veroorzaakt. Ook voor de moeder zelf is de onduidelijkheid stressvol. Door onzekerheid zegt de moeder soms dingen die zij beter niet had kunnen zeggen. Het is ook aan de GI om hier beter op in te spelen en rekening te houden met het autisme van de moeder. Dat de zaak is ondergebracht bij het monitoringsteam is daarin ook niet helpend.
Desgevraagd verklaart de moeder dat zij blij is met de contacten met [minderjarige] . Dit verloopt ook goed. Er is contact met [minderjarige] op woensdag na school en om het weekend van vrijdag tot en met zondag. Wanneer [minderjarige] bij de moeder is, kan zij altijd terugvallen op haar begeleiding. Als de moeder ergens tegen aan loopt, kan zij ook schakelen met Sterk Huis.
Subsidiair vraagt de moeder de kinderrechter, als zij een verlenging van de maatregelen toch noodzakelijk acht, om als doelstelling te hanteren dat gewerkt wordt aan een terugplaatsing bij de moeder én [minderjarige] blijft op de plek waar zij nu is. De moeder zet positieve stappen. Zij heeft getracht dit te laten zien met de producties die zij in het geding heeft gebracht. Ook is bij de moeder veel hulpverlening betrokken die haar kan ondersteunen en die in kan grijpen als dit nodig is, waaronder [hulpverlening 1] , [hulpverlening 2] en GGZ. Ook zal Sterk Huis betrokken blijven. Dat de moeder ondersteuning van deze hulpverlening nodig heeft, ziet zij zelf ook in.
5.2.
De Raad heeft via de brief van 18 maart 2026 zijn visie gegeven op het verzoek. Kort samengevat, ziet de Raad dat [minderjarige] een kwetsbare ontwikkeling doormaakt. Zij is door haar complexe problematiek aangewezen op stabiliteit en continuïteit. Dit vraagt bovengemiddeld veel van een opvoeder. [minderjarige] wordt al langere tijd geconfronteerd met wisselende verwachtingen, hetgeen haar doet stagneren in haar ontwikkeling. De verlenging van de maatregelen draagt er het meest aan bij om te zorgen dat het goed met [minderjarige] gaat. De moeder is er, hoewel zij positieve stappen zet, onvoldoende in geslaagd om grip te krijgen op haar persoonlijke problematiek. De situatie van de moeder blijft daarmee instabiel. De moeder is niet in staat geweest om, binnen de voor [minderjarige] aanvaardbare termijn, tegemoet te komen aan haar opvoedbehoefte.
De Raad vult hierop ter zitting, samengevat, nog het volgende aan. Er zijn langdurig zeer forse zorgen over het functioneren van de moeder. Ook [minderjarige] is fors beschadigd. De Raad vraagt zich af of de moeder, gelet op haar persoonlijke problematiek, in staat is om te bieden wat [minderjarige] nodig heeft. Er is al vaak en veel hulpverlening ingezet, zonder gewenst resultaat. De kleine vooruitgang die de moeder laat zien, is wat de Raad betreft niet voldoende om te kunnen zeggen dat zij [minderjarige] voor langere tijd een stabiele opvoedsituatie kan bieden. Dit in combinatie met de duidelijkheid die [minderjarige] nodig heeft, heeft de Raad zorgen over het perspectief bij de moeder. De Raad kan de kinderrechter niet eenduidig adviseren over het toekomstperspectief van [minderjarige] . Meer dan het voorgaande kan de Raad hier nu niet over zeggen. De kinderrechter kan de Raad altijd vragen om een onderzoek te doen naar het perspectief. Echter, daarmee blijft de onduidelijkheid voor [minderjarige] langer in stand. Dat er voor [minderjarige] op dit moment geen passend gezinshuis is, verandert niets aan het advies van de Raad. De resterende verzoeken van de GI kunnen worden toegewezen.

6.De (nadere) beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
6.5.
Gelet op de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is gebleken dat [minderjarige] onverminderd in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De kinderrechter verwijst hiervoor kortheidshalve naar de in deze zaak gegeven beschikking van 10 februari 2026. Kort gezegd is die situatie niet gewijzigd.
6.6.
Wel ziet de kinderrechter dat de moeder in de afgelopen periode positieve stappen heeft gezet. Zo is op basis van de ontwikkelingen besloten dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] onbegeleid kan plaatsvinden en heeft de GI positieve signalen van de hulpverlening over de moeder ontvangen. Echter, haar situatie blijft uiterst kwetsbaar en onvoldoende stabiel. Dit in combinatie met de complexe opvoedbehoefte en problematiek van [minderjarige] en de persoonlijke problematiek van de moeder acht de kinderrechter, evenals de GI en de Raad, langere betrokkenheid van de GI en de verlenging van de beide maatregelen noodzakelijk. Naar het oordeel van de kinderrechter blijft hiermee de inzet van juiste hulpverlening en de plaatsing van [minderjarige] bij Sterk Huis gewaarborgd.
6.7.
Dat er voor [minderjarige] op dit moment nog geen gezinshuis is gevonden, acht de kinderrechter zorgelijk, maar niet redengevend om [minderjarige] terug te plaatsen bij de moeder. De problematiek van [minderjarige] vergt bovengemiddelde opvoedvaardigheden en de moeder kan daar niet aan voldoen. De kinderrechter is er niet van overtuigd dat de moeder [minderjarige] nu structureel en langdurig kan geven wat zij nodig heeft.
6.8.
Het voorgaande betekent dat aan de wettelijke criteria voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De plaatsing van [minderjarige] bij Sterk Huis dient voort te duren, wat betekent dat de kinderrechter het resterende verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zal toewijzen. De kinderrechter volgt hierin hetgeen de GI heeft aangevoerd en de Raad heeft geadviseerd.
6.9.
Zoals tijdens de zitting uitvoerig is besproken zal de betrokkenheid van de GI zijn gericht op:
- het verder uitbouwen en monitoren van de contacten tussen [minderjarige] en de moeder;
- het verbeteren van de samenwerking tussen de moeder en de GI;
- een herstelgesprek op school; en,
- het vinden van een passend gezinshuis voor [minderjarige] .
6.10.
Wellicht ten overvloede geeft de kinderrechter de GI nog mee dat zij een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing nodig heeft voor de daadwerkelijke plaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis. Dit valt immers niet onder de categorie ‘accommodatie van een jeugdhulpaanbieder’ maar onder de categorie ‘gezinsgerichte voorziening’.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Toetsing perspectiefbesluit
6.12.
De GI heeft de kinderrechter ook verzocht het door haar genomen
perspectiefbesluit, waarin zij zich op het standpunt stelt dat [minderjarige] niet bij de moeder kan opgroeien en dat er daarom niet meer aan thuisplaatsing zal worden gewerkt, te toetsen.
6.13.
De kinderrechter overweegt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) volgt dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsgang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. In dat arrest heeft de Hoge Raad echter ook overwogen dat de rechter een perspectiefbesluit wel zal moeten beoordelen als dit noodzakelijk is in verband met beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opgroeiperspectief van de minderjarige. In dit geval speelt dit bij de beoordeling van de resterende verzoeken van de GI om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen.
6.14.
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat [minderjarige] behoefte heeft aan duidelijkheid over haar perspectief. Zonder deze duidelijkheid kan zij niet toekomen aan het verwerken van haar trauma en stagneert daarmee haar ontwikkeling. Gebleken is dat ook de moeder behoefte heeft aan duidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] . De kinderrechter zal in deze beschikking de duidelijkheid geven waar door beiden om wordt gevraagd.
6.15.
De kinderrechter onderschrijft het genomen perspectiefbesluit van de GI, in die zin dat het opgroeiperspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder zal liggen. De kinderrechter neemt hierbij in aanmerking dat er langdurig zorgen zijn over het functioneren van de moeder, zoals ten aanzien van haar psychisch functioneren, het innemen van wisselende standpunten ten aanzien van de zorg over [minderjarige] , zorgelijke (ook suïcidale) uitspraken en grensoverschrijdend gedrag richting de GI, hulpverlening en school alsook een wisselende emotieregulatie. Hoewel de moeder in de afgelopen periode positieve stappen heeft gezet, blijft haar situatie uiterst kwetsbaar en onvoldoende stabiel. Evenals de GI en de Raad acht de kinderrechter de moeder onvoldoende in staat om [minderjarige] structureel, langdurig en duurzaam de zorg te kunnen geven die zij nodig heeft. Gebleken is dat [minderjarige] forse problematiek kent en zij gebaat is bij een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedomgeving. De moeder kan haar deze omgeving onvoldoende bieden. De kinderrechter verwacht niet dat dit op korte termijn anders zal zijn, terwijl de aanvaardbare termijn waarin [minderjarige] in onzekerheid verkeert naar het oordeel van de kinderrechter reeds is verstreken.
6.16.
De kinderrechter acht het door de GI genomen perspectiefbesluit in het licht van al het voorgaande zorgvuldig en voldoende gemotiveerd onderbouwd. Er bestaat dan ook geen aanleiding om een onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden van een terugplaatsing van [minderjarige] in de thuissituatie van de moeder.
6.17.
Met het positief beoordelen van het perspectiefbesluit komt er voor [minderjarige] en de moeder duidelijkheid en rust. Dit zal er naar verwachting toe leiden dat [minderjarige] kan toekomen aan hulpverlening en daarmee het verwerken van gebeurtenissen uit het verleden. De kinderrechter ziet overigens geen reden om te wachten met het inzetten van behandeling van [minderjarige] tot er een geschikt gezinshuis is gevonden. Het een mag niet afhangen van het ander. Ook voor de moeder zal dit zorgen voor rust, zodat zij zich kan focussen op haar verdere herstel en zij zich kan concentreren op het op een positieve manier invulling geven aan de contacten met [minderjarige] en de hulpverlening.
6.18.
De kinderrechter benadrukt dat het voorgaande onverlet laat dat de moeder altijd de moeder van [minderjarige] zal zijn en zij haar ouderrol kan blijven invullen. Een bevestiging van het genomen perspectiefbesluit zal niets afdoen aan de band die [minderjarige] en de moeder hebben en de liefde die [minderjarige] vanuit de moeder voelt.
6.19.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 19 mei 2026 tot 19 februari 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 mei 2026 tot 19 februari 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 22 mei 2026.
De toetsing van het perspectiefbesluit is verricht en op schrift gesteld op 22 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.