ECLI:NL:RBZWB:2026:5155
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde verpleegtehuis en kwalificatie niet-woning
Belanghebbende, eigenaar van een verpleegtehuis uit 1906, betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €3.063.000 per 1 januari 2024. De heffingsambtenaar had de waarde gebaseerd op de gecorrigeerde vervangingswaarde, waarbij sprake was van een incourante onroerende zaak. Belanghebbende stelde dat de waarde gelijk moest zijn aan de bedrijfswaarde en dat de huurwaardekapitalisatiemethode toegepast moest worden.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht had gegeven in de berekening van restwaardes en dat de eigen huurprijs geen representatief marktgegeven was. Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de bedrijfswaarde lager was, mede omdat de branche juist een stijgende vraag kende. Daarom stelde de rechtbank de waarde in goede justitie vast op €2.900.000.
Daarnaast was in geschil of het pand als woning of niet-woning moest worden gekwalificeerd voor de OZB. De rechtbank volgde de heffingsambtenaar in de kwalificatie als niet-woning, omdat meer dan incidenteel gebruik van gangen door personeel plaatsvond, waardoor niet voldaan werd aan de 70%-eis voor woning.
De uitspraak vernietigt de eerdere beslissing op bezwaar, vermindert de WOZ-waarde en de aanslag OZB dienovereenkomstig, en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: De WOZ-waarde wordt vastgesteld op €2.900.000 en het pand wordt als niet-woning gekwalificeerd, waardoor de aanslag OZB wordt verminderd.