Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5110

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
11149792 \ MB VERZ 24-872
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke gegrondverklaring beroep tegen verkeersboete wegens rijden op voetpad in verwarrende situatie

Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het rijden op het voetpad aan de Langestraat te Tilburg op 9 november 2023. Tegen deze boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De gemachtigde voerde aan dat de verkeerssituatie ter plaatse onduidelijk was door verwarrende bebording en beweegbare palen die niet omhoog stonden, waardoor betrokkene de straat niet had kunnen vermijden. Ook werd gesteld dat de wegbeheerder schuld had aan de situatie. De officier van justitie stelde dat de bebording voldoende duidelijk was en dat betrokkene verantwoordelijk was voor het volgen daarvan.

De kantonrechter oordeelde dat de gedraging bewezen was en de boete terecht was opgelegd, maar matigde de boete met 25% vanwege de omstandigheden ter plaatse. Daarnaast werd de boete nogmaals met 25% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen en de proceskosten van €95,20 te vergoeden.

Uitkomst: De boete wegens rijden op het voetpad wordt gematigd met 50% vanwege onduidelijke verkeerssituatie en overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer.: 11149792 \ MB VERZ 24-872
CJIB-nummer: [cjib-nummer]
uitspraakdatum: 1 juni 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 18 mei 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. E.J.T. Berkeljon (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn ook verschenen.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken) op de Langestraat te Tilburg op 9 november 2023 om 11:53 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Gemachtigde stelt dat de officier van justitie enkel rekening houdt met de feiten en niet met de plaatselijke omstandigheden. De situatie ter plaatse is namelijk erg onduidelijk. Zoals uit de bijgevoegde foto blijkt, is de straat enkel beperkt aangewezen als voetgangersgebied. Daarbij heeft de wegbeheerder er ook voor gekozen om beweegbare palen te plaatsen. Deze palen waren niet omhoog gezet op de pleegdatum. Anders had gemachtigde de straat niet in kunnen rijden. Voort stonden aan beide zijden van de weg vaste palen, die de aandacht van gemachtigde trokken om te voorkomen dat deze werden geraakt. De wegbeheerder heeft de moeite genomen om een camerasysteem te plaatsen, maar heeft niet geïnvesteerd in een systeem waarbij de paaltjes automatisch omhoogkomen en de weg afsluiten.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat de situatie dusdanig verwarrend was, dat niet alleen hij maar ook de wegbeheerder schuld heeft aan het feit dat de gedraging is verricht. De bebording stond namelijk op een punt waarbij je dit vanuit de zitpositie achter het stuur niet ziet. Gemachtigde heeft foto’s overhandigd waaruit blijkt dat de situatie onduidelijk was en later in 2024 is gewijzigd door de gemeente. Daarbij is de situatie uit 2018 hetzelfde als de situatie toen gemachtigde er reed.
Betrokkene heeft hieraan toegevoegd dat de bebording niet zichtbaar was en hoogstwaarschijnlijk de situatie daarom is gewijzigd. De bebording zit precies bij het dak van het voertuig.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verkeerssituatie uit juni 2023 van Google Streetview komt sterk overeen met de huidige situatie van 2026, waardoor uit wordt gegaan van de getoonde bebording die voldoende duidelijk is. Het is de verantwoordelijkheid van betrokkene om hierop te letten. De omstandigheid dat de situatie onduidelijk is, is te begrijpen, maar neemt niet weg dat de bebording gevolgd moet worden. De gedraging komt daarom voor eigen rekening en risico. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Betrokkene ontkent dit ook niet.
De boete is dus terecht opgelegd.
Omstandigheden
De kantonrechter ziet in wat gemachtigde en betrokkene hebben aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Daarbij zijn de ter zitting aangevoerde omstandigheden van belang. De boete zal worden gematigd met 25%.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete nogmaals matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Reiskostenvergoeding
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen voor de reiskosten die gemachtigde en betrokkene hebben gemaakt voor het bijwonen van de zitting.
De reiskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld, op basis van € 0,28 per kilometer, met een reisafstand van in totaal 340 kilometer voor de heen- en terugreis. De berekening is daarom als volgt: 2x € 47,60. = € 95,20.

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 90, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 70, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de totale proceskosten van betrokkene van € 95,20.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en uitgesproken op 1 juni 2026.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: