Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] V.O.F.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de A58 op 22 juni 2023. Betrokkene stelde dat er een reële mogelijkheid tot staandehouding bestond, waardoor de boete ten onrechte op kenteken was opgelegd. De officier van justitie verklaarde het administratief beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat uit de verklaring van de verbalisant voldoende blijkt dat de overtreding heeft plaatsgevonden. Volgens artikel 5 Wahv Pro moet de verbalisant de bestuurder staande houden tenzij er geen reële mogelijkheid is om de identiteit vast te stellen. Omdat de verbalisant in een onopvallend voertuig zonder stoptransparant reed, was het terecht dat hij afzag van staandehouding en de boete aan de kentekenhouder werd opgelegd.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, aangezien de procedure bij officier van justitie en kantonrechter samen langer dan twee jaar duurde. Daarom matigde de kantonrechter de boete met 25%. Tevens werd een proceskostenvergoeding van € 233,50 toegekend voor de kosten in de fase van het beroep bij de kantonrechter.
De beslissing van de officier van justitie werd gewijzigd, de boete gematigd tot € 285 plus € 9 administratiekosten, en betrokkene werd veroordeeld het resterende bedrag van € 60 te betalen. De officier van justitie moet het teveel betaalde bedrag terugbetalen.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete is gedeeltelijk gegrond verklaard, de boete met 25% gematigd en een proceskostenvergoeding toegekend.