Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5095

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
11040128 \ MB VERZ 24-513
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen verkeersboete wegens parkeren op voetpad

Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het stilstaan op het voetpad op de Laan van KVL te Oisterwijk op 1 juni 2023. Betrokkene stelde dat de parkeervakken onduidelijk waren aangegeven door verschillende bestratingssoorten en dat het buitenste parkeervak uit twee soorten stenen bestond, waardoor het niet duidelijk was dat parkeren verboden was.

De kantonrechter oordeelde dat uit de verklaring en foto van de verbalisant voldoende blijkt dat de gedraging heeft plaatsgevonden en dat de boete terecht is opgelegd. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, aangezien de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar duurde.

Daarom werd de boete met 25% gematigd. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter, berekend conform artikel 13a, lid 2, Wahv. De officier van justitie werd opgedragen het te veel betaalde bedrag terug te betalen. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete met 25% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer.: 11040128 \ MB VERZ 24-513
CJIB-nummer: [CJIB-nummer]
uitspraakdatum: 18 mei 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene] B.V.
adres : [adres]
woonplaats : [plaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. M. Lagas (Appjection B.V.)

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 18 mei 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. E.J.T. Berkeljon (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Namens gemachtigde is verschenen [persoon] . Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: stilstaan op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken) op de Laan van KVL te Oisterwijk op 1 juni 2023 om 15:44 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene stelt dat de parkeervakken onduidelijk zijn aangegeven. Op de parkeerplaats liggen betonklinkers, die zijn aangeheeld met een andere steen aan de zijkant van de pleeglocatie. Er staat een enkele streep aangegeven, wat volgens betrokkene het parkeervak moet voorstellen. Hierdoor bestaat het buitenste parkeervak, waar betrokkene geparkeerd stond, uit twee verschillende soorten stenen. Tegenover betrokkene stonden andere voertuigen op dezelfde wijze geparkeerd met dezelfde situatie. Verder is aan de foto van de verbalisant niet te zien dat twee wielen van het voertuig op een andere verharding staan. Gemachtigde stelt aanvullend dat de betreffende parkeerplaats zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet als een parkeerplaats, en dat zodoende niet in strijd is gehandeld met het parkeerverbod. De bestrating wijkt niet voldoende af van de daadwerkelijke parkeervakken, wat tevens zichtbaar is op de foto van betrokkene. Op de foto van de verbalisant blijkt niet voldoende of betrokkene op het voetgangersgebied heeft geparkeerd. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat de redelijke termijn is overschreden, waardoor de boete met 25% gematigd dient te worden.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van een verwarrende situatie, aangezien bord G7 voldoende zichtbaar is. Hierdoor is duidelijk dat betrokkene zijn voertuig niet op een parkeerplaats heeft geparkeerd. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring en foto van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om hieraan te twijfelen.
De boete is dus terecht aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskostenvergoeding
Omdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter. De beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing. [1]
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift 1 punt + zitting 1 punt = 2 punten x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 233,50.

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 82,50, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 27,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending:

Voetnoten

1.Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.