ECLI:NL:RBZWB:2026:5072

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
BRE 26/1976
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt UWV binnen vier maanden beslissing te nemen na overschrijding beslistermijn WIA-uitkering

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op haar bezwaar tegen de weigering van een WIA-uitkering per 16 april 2025. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is, aangezien het UWV de beslistermijn heeft overschreden ondanks een ingebrekestelling op 20 februari 2026, ontvangen op 23 februari 2026.

Het UWV gaf aan dat de overschrijding te wijten is aan een tekort aan verzekeringsartsen en verzocht om een beslistermijn van 30 weken. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om een zorgvuldige beslissing te waarborgen, maar wijst het verzoek van het UWV voor een langere termijn af.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. Omdat meer dan 42 dagen zijn verstreken sinds de ingebrekestelling, stelt de rechtbank de maximale dwangsom van €1.442,- vast. Tevens veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.

De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt het UWV op binnen vier maanden na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar te nemen. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.J.M. de Weert en griffier L.J. Sijtsma op 17 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank beveelt het UWV binnen vier maanden een besluit te nemen en legt een dwangsom en proceskostenveroordeling op wegens overschrijding beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1976

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W.P.J.M. van Gestel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar tegen het besluit van 31 juli 2025 over de weigering van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 16 april 2025.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat de termijn waarbinnen het UWV moet beslissen inmiddels voorbij is. Eiseres heeft het UWV op 20 februari 2026 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op 23 februari 2026 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
In het verweerschrift van 8 april 2026 heeft het UWV aangegeven dat de beslistermijn is overschreden, omdat het UWV te kampen heeft met een groot tekort aan verzekeringsartsen. Het UWV kan nog niet aangeven wanneer een beslissing zal worden genomen. Het UWV vraagt om een beslistermijn op te leggen van 30 weken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen, en verwijst naar twee uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025. [2]
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen. De rechtbank gaat niet mee in het verzoek van het UWV om een (nog) langere beslistermijn op te leggen.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
6. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [3]
6.1.
Voor zover het UWV de hoogte van de bestuurlijke dwangsom nog niet heeft vastgesteld doet de rechtbank dit nu alsnog. [4] De rechtbank constateert dat uit de stukken blijkt dat de ingebrekestelling op 23 februari 2026 is ontvangen en dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat het UWV het maximale bedrag van € 1.442,- aan bestuurlijke dwangsom moet betalen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door het UWV al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast zoals onder 6.1. berekend.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- stelt de door het UWV te betalen dwangsom vast op € 1.442,- ;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 17 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3.Dit staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.
4.Dit kan op grond van artikel 8:55c van de Awb.