ECLI:NL:RBZWB:2026:4997

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447529 / FA RK 26-2150
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Gremmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 25 lid 2 WzdArt. 39 lid 5 Wzd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking opvolgende rechterlijke machtiging opname en verblijf bij dementie voor drie jaar

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) om een opvolgende rechterlijke machtiging te verlenen voor opname en verblijf van betrokkene, die lijdt aan dementie. Betrokkene verzet zich verbaal tegen opname en verblijf in het woonzorgcentrum, ervaart de afdeling als onveilig en wil terug naar huis. Diverse deskundigen en familieleden gaven hun visie op de situatie, waarbij werd vastgesteld dat betrokkene 24-uurs zorg en nabijheid nodig heeft die thuis niet geboden kan worden.

De rechtbank concludeerde dat betrokkene een psychogeriatrische aandoening heeft die leidt tot ernstig nadeel, waaronder lichamelijk letsel en verwaarlozing. Het verzet van betrokkene is consistent maar verbaal, zonder fysieke pogingen om de afdeling te verlaten. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven beschikbaar. De rechtbank achtte een machtiging voor vijf jaar niet passend vanwege het mogelijke afnemen van het verbale verzet en de belasting van jaarlijkse zittingen.

De rechtbank wees het verzoek om een machtiging voor vijf jaar af en verleende een machtiging voor drie jaar, ingaande vanaf 6 mei 2026, rekening houdend met de termijnoverschrijding bij de aanvraag. De beschikking werd mondeling gegeven op 8 mei 2026 en schriftelijk vastgelegd op 19 mei 2026. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent een opvolgende rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor drie jaar in plaats van de verzochte vijf jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447529 / FA RK 26-2150
Datum uitspraak: 8 mei 2026
Beschikking opvolgende rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot het verlenen van een machtiging voor als bedoeld in artikel 24 Wet Pro zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1951 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
wonende bij de [accommodatie] , [woonzorgcentrum] te [plaats] ,
advocaat: mr. J.H.P.M. Verhagen uit Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 23 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026 bij de [accommodatie] , [woonzorgcentrum] te [plaats] . Daarbij zijn aanwezig en gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
  • specialist ouderengeneeskunde in opleiding, mevrouw [persoon 1] ;
  • arts, de heer [persoon 2] ;
  • verpleegkundige, mevrouw [persoon 3] ;
  • de dochter van betrokkene, mevrouw. [persoon 4] , tevens mentor;
  • de zoon van betrokkene, de heer [persoon 5] , tevens mentor, en diens partner.

2.Wat vaststaat

2.1.
De rechtbank heeft, bij beschikking van 6 november 2025, een rechterlijke machtiging verleend tot en met 6 mei 2026.
2.2.
Voor betrokkene is mentorschap ingesteld.

3.Het verzoek

3.1.
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van vijf jaren.

4.De standpunten

4.1.
Betrokkene brengt, samengevat, naar voren dat zij de afdeling ervaart als een gevangenis. Betrokkene wil weg van de afdeling. Volgens betrokkene is het niet veilig op de afdeling en bovendien voelt het niet als thuis. Betrokkene heeft last van medebewoners. Een man klopt in de nacht op haar kamerdeur en een ander probeert haar rollator af te pakken. Daarbij heeft betrokkene een te kleine kamer. Zij zegt daarover: ‘Zelfs Holleeder en Taghi hebben een grotere kamer dan ik.’ Betrokkene herkent zich niet in beeld dat er bij haar sprake zou zijn van dementie. Zij vergeet wel eens wat, maar dit past bij de leeftijd. Ook is de aanname onjuist dat betrokkene niet meer voor zichzelf zou kunnen zorgen. Wanneer betrokkene opgenomen moet blijven, zegt zij dat het leven voor haar is afgelopen.
4.2.
De specialist ouderengeneeskunde in opleiding verklaart, samengevat, het volgende. Gezien wordt dat betrokkene op de afdeling redelijk functioneert zolang haar structuur wordt geboden. Betrokkene heeft behoefte aan 24-uurs zorg en nabijheid. Complexere situaties overziet betrokkene niet. Ook is sprake van initiatiefverlies. Zo komt betrokkene zelf bijvoorbeeld niet tot eten en drinken en moet ook medicatie worden aangereikt. In de thuissituatie is geprobeerd verschillende hulpverlening in te zetten, waaronder ook Bemoeizorg. Dit leidde niet tot een oplossing. De zorg die betrokkene nodig heeft, kan haar in de thuissituatie niet worden geboden. Het verzet van betrokkene is verbaal van aard. Zij geeft regelmatig aan dat zij niet op de afdeling wil zijn en dat zij haar oude woning mist. Tegelijkertijd wordt ook gezien dat betrokkene positieve contacten heeft met medebewoners. Of het verzet voor de periode van vijf jaar zal aanhouden, kan nu niet worden vastgesteld. Met het verstrijken van de tijd kan haar verzet afnemen. Toch is om een periode van vijf jaar verzocht, omdat de zitting voor betrokkene een grote belasting is. Desgevraagd verklaart de specialist ouderengeneeskunde in opleiding dat er aandacht is voor de veiligheid op de afdeling. Er zijn gesprekken gevoerd over een overplaatsing naar een andere afdeling binnen de instelling, echter betrokkene wilde hierin zelf niets.
4.3.
De arts vult hierop, samengevat, aan dat bekeken zal blijven worden of er voor betrokkene een fijnere setting mogelijk is waar zij de zorg en nabijheid kan krijgen die zij nodig heeft. Echter, ook wanneer betrokkene zal worden overgeplaatst, zal haar verzet aanwezig blijven. Hoe lang het verzet van betrokkene duurt, is niet te voorspellen. Er is op dit moment geen sprake van significante progressie van het dementiële beeld.
4.4.
De verpleegkundige verklaart, samengevat, dat betrokkene hulp nodig heeft bij het opstarten van de dag. Hoewel zij zichzelf redelijk kan verzorgen, heeft betrokkene begeleiding nodig zoals bij het eten en het nemen van medicatie. Op de afdeling is betrokkene vrolijk aanwezig. Zij maakt praatjes met medebewoners. De verpleegkundige beaamt dat de veiligheid op de afdeling een punt van aandacht is. Er zijn op de afdeling geen grotere kamers aanwezig.
4.5.
De dochter en de zoon van betrokkene brengen, samengevat, naar voren dat zij het verdriet van hun moeder begrijpen. Echter, haar gezondheid liet het zelfstandig wonen niet meer toe. In de thuissituatie namen de incidenten toe en waren er terechte zorgen. Betrokkene dreigt regelmatig met zelfmoord als zij opgenomen moet blijven. Ook stuurt zij dergelijke appjes. Dit is verdrietig, pijnlijk en belastend.
4.6.
De advocaat bepleit, samengevat, om afwijzing van het verzoek. Betrokkene heeft de duidelijke wens dat zij naar huis wil. Zij mist haar oude woning en heeft heimwee naar vroeger. Bovendien vindt betrokkene haar kamer te klein. Mocht de rechtbank hier anders over denken, dan wordt subsidiair verzocht om de machtiging in duur te beperken. Een periode van vijf jaar is niet passend en wordt ook niet snel gegeven. Het verzet van betrokkene kan afnemen naarmate de tijd verstrijkt. De advocaat geeft zijn cliënte nog mee dat hij hoopt dat zij, als zij opgenomen moet blijven, er het beste van gaat maken en zij haar talenten benut.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie. De rechtbank heeft geen reden om aan deze diagnose te twijfelen.
5.2.
Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang.
5.3.
De rechtbank neemt hierbij, onder andere, in aanmerking dat in de thuissituatie sprake was van ernstige verwaarlozing en vervuiling. Betrokkene at en dronk onvoldoende en nam haar medicatie niet in, waardoor het risico bestond dat haar suikerziekte ernstig zou kunnen ontregelen. Daarnaast was sprake van valgevaar en verlies van initiatief en regie. Wanneer betrokkene nu naar huis zou gaan, zou dit ernstig nadeel zich weer openbaren, met alle gevolgen van dien.
5.4.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen. Zij geeft duidelijk te kennen niet langer opgenomen te willen blijven. Betrokkene wil naar huis. Gebleken is dat het verzet van betrokkene enkel verbaal is. Dit verbale verzet is consistent aanwezig.
5.5.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat betrokkene 24-uurs zorg en nabijheid nodig heeft, wat haar in de thuissituatie niet kan worden geboden. Bovendien lijkt betrokkene goed te gedijen met de structuur die zij nu krijgt.
5.6.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De rechtbank zal deze machtiging, anders dan is verzocht, verlenen voor de duur van drie jaren. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verzochte duur van vijf jaren is bedoeld voor situaties waarin het onwaarschijnlijk is dat de noodzaak tot onvrijwillige zorg verdwijnt. Zoals tijdens de zitting uitvoerig is besproken en ook uit de overgelegde stukken blijkt, is het verzet van betrokkene enkel verbaal aanwezig. Betrokkene maakt bijvoorbeeld geen aanstalten om van de afdeling te vertrekken en staat niet aan de deur. Op de afdeling lijkt betrokkene het naar haar zin te hebben. Gelet hierop in samenhang met het progressieve ziektebeeld, acht de rechtbank een periode van vijf jaren dan ook niet passend, omdat het verbale verzet van betrokkene kan afnemen. De rechtbank volgt hierin het subsidiaire standpunt van de advocaat. Anderzijds vormt een jaarlijkse zitting een belasting en is op dit moment geen sprake van significante progressie van het dementiële beeld.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de machtiging zal toewijzen voor de duur van drie jaren en hetgeen meer is verzocht zal afwijzen.
5.7.
De rechtbank heeft daarbij geconstateerd dat de aanvraag voor de rechterlijke machtiging te laat is ingediend. Op grond van artikel 25 lid 2 Wzd Pro had de aanvraag in de negende of achtste week voor het einde van de geldigheidsduur van de rechterlijke machtiging gedaan moeten worden. Het CIZ heeft verzocht een rechterlijke machtiging af te geven voor de duur van vijf jaar. Op grond van artikel 39, lid 5, Wzd kan de rechter een eerstvolgende rechterlijke machtiging verlenen met een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar ten aanzien van cliënten met een psychogeriatrische aandoening, indien een cliënt op grond van een machtiging tot opname en verblijf al in een accommodatie verblijft. Op het moment van de zitting, op 8 mei 2026, is de voorgaande rechterlijke machtiging van betrokkene verlopen. Hoewel de voorgaande machtiging is verlopen op 6 mei 2026, heeft betrokkene sindsdien de accommodatie niet verlaten. Ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:227) blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 39, lid 5, Wzd niet dat de wetgever in een situatie als de onderhavige de verlening van een opvolgende machtiging heeft willen uitsluiten. Wel dient de rechter de duur van de termijnoverschrijding in mindering te brengen op de geldigheidsduur van de te verlenen rechterlijke machtiging. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de rechterlijke machtiging zal verlenen voor de duur van drie jaar, gerekend vanaf 6 mei 2026.
5.8.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor
[betrokkene], geboren op [geboortedag] 1951 in [geboorteplaats] ;
6.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 6 mei 2029;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026 door mr. Gremmen, rechter, in aanwezigheid van mr. Vos, griffier, en op schrift gesteld op 19 mei 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.