ECLI:NL:RBZWB:2026:4958

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 juni 2026
Zaaknummer
C/02/445559 / JE RK 26-345
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:255 BWArt. 1:260 BWVerordening (EG) nr. 2019/1111 (Brussel II-ter)Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling wegens ontbreken contact vader en minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige tot 12 oktober 2026. De minderjarige woont bij de moeder, terwijl de vader, met Peruaanse nationaliteit, geen contact meer heeft met het kind sinds eind mei 2025. De vader verzet zich tegen begeleide omgang en hulpverlening, waardoor herstel van contact niet is gerealiseerd.

De moeder stelt dat de ondertoezichtstelling kan worden afgesloten omdat het contact tussen vader en kind sinds maart 2025 is gestopt en de vader niet meewerkt aan hulpverlening. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert eveneens afwijzing van verlenging, omdat het goed gaat met de minderjarige en de ondertoezichtstelling geen toegevoegde waarde meer heeft.

De kinderrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. De ondertoezichtstelling kan worden verlengd indien aan de wettelijke gronden is voldaan. Hoewel de minderjarige zich goed ontwikkelt en de moeder positieve stappen heeft gezet, is het doel van herstel van contact met de vader niet bereikt door diens weigering tot medewerking.

De rechtbank volgt de vaste rechtspraak dat een ondertoezichtstelling een ernstige inmenging in het gezinsleven is en alleen gerechtvaardigd is bij een ernstige bedreiging van het kind. Het ontbreken van contact vormt op zichzelf geen ernstige bedreiging. Daarom wordt het verzoek tot verlenging afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen wegens onvoldoende grond door ontbreken contact tussen vader en minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445559 / JE RK 26-345
Datum uitspraak: 6 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. S. van Reeven-Özer uit Waalwijk,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de
Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 3 april 2026, en de daarin genoemde stukken;
  • de brief van de vader, ontvangen op 28 april 2026.
1.2.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 6 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De vader is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.5.
Gelet op de nauwe samenhang van de onderhavige zaak met het door de moeder ingediende verzoek over het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (met kenmerk C/02/399848 / FA RK 22-3295), zijn beide verzoeken gelijktijdig mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
De vader heeft de Peruaanse nationaliteit en de moeder heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 april 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] ambtshalve verlengd tot 12 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden (in onderhavige zaak nog tot 12 oktober 2026) en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De GI
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Er heeft sinds eind mei 2025 geen structureel contact meer plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige] . Het laatste (korte) contactmoment is 16 februari 2026 geweest, waarbij de vader op de verjaardag van [minderjarige] cadeautjes heeft overhandigd aan [minderjarige] . Het gaat over het algemeen goed met [minderjarige] , ondanks dat hij geen contact heeft met de vader. Hij heeft wel moeite om zijn wensen en gevoelens onder woorden te brengen, vooral waar het de omgang met vader betreft. In het afgelopen jaar is het niet gelukt om het contact tussen [minderjarige] en de vader tot stand te brengen. [minderjarige] wil het contact met zijn vader in een rustig tempo opbouwen en heeft behoefte aan begeleiding en aanwezigheid van een vertrouwde persoon. Daarnaast speelt de taalbarrière een rol: de vader spreekt voornamelijk Spaans en [minderjarige] beheerst deze taal nauwelijks. De vader verzet zich tegen omgangsbegeleiding, tegen de aanwezigheid van derden en tegen de inzet van een tolk. Hierdoor is begeleide omgang onmogelijk. Daarnaast komen de ouders onderling niet tot samenwerking. Het langdurige conflict tussen de ouders beïnvloedt de ondersteuning en de mogelijkheid tot duurzaam herstel van contact met de vader aanzienlijk
4.2.
Er is het afgelopen jaar hulpverlening ingezet vanuit ‘ [hulpverlening] ’. De moeder heeft hieraan meegewerkt en dit heeft gezorgd voor een positieve ontwikkeling. De moeder heeft meer kennis en vaardigheden op het gebied van trauma- en hechtingsproblematiek en is beter in staat om [minderjarige] te begeleiden bij emotionele regulatie. Daarnaast toont zij meer stabiliteit en zelfvertrouwen in haar opvoedende rol. De doelen van de vader zijn daarentegen niet behaald. Er is geen omgang tussen de vader en [minderjarige] tot stand gekomen, omdat de vader niet heeft ingestemd met de inzet van een professionele organisatie. De GI is van mening dat een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om, indien mogelijk, begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] alsnog op te kunnen starten en om, waar noodzakelijk, juridische stappen te kunnen overwegen wanneer de vader structureel blijft weigeren mee te werken.
De moeder
4.3.
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende aangevoerd. De moeder is van mening dat de ondertoezichtstelling afgesloten kan worden. Na de zitting van 8 april 2025 heeft de vader aangegeven niet verder te willen met begeleide omgang. Hij is het oneens met het besluit dat hij [minderjarige] alleen onder begeleiding mag zien. Hierdoor heeft [minderjarige] eind maart 2025 voor het laatst contact gehad met de vader via begeleid bezoek. Omdat de vader niet openstaat voor begeleide omgang, is er sindsdien geen contact geweest tussen hen en is er geen hechtingsrelatie meer. De moeder en [minderjarige] hebben een hulpverleningstraject gevolgd bij ‘ [hulpverlening] ’. Zij hebben hier allebei aan hun doelen gewerkt. Er is voor hen geen ondersteuning meer nodig en dit traject zal worden afgerond. ‘ [hulpverlening] ’ heeft geprobeerd contact met vader te leggen, maar dit is niet gelukt. De vader is wantrouwig en staat niet open voor hulpverlening. Zolang de vader niet bereid is aan zichzelf te werken en ondersteuning te accepteren, ziet de moeder geen meerwaarde in het verlengen van de ondertoezichtstelling. De moeder geeft aan dat het contact tussen haar en de vader moeizaam verloopt. De vader uit regelmatig zijn frustraties richting moeder via app en e-mail. Hij beschuldigt moeder ervan dat hij zijn zoon niet mag zien en verwijt haar onder meer dat [minderjarige] van hem vervreemd is. De moeder benadrukt aan dat er door iedereen wordt gestreefd naar hetzelfde doel, namelijk dat [minderjarige] onbelast contact heeft met zijn vader. Hiervoor is het echter wel noodzakelijk dat de vader meewerkt met de hulpverlening. De moeder gelooft niet dat een verlenging van de ondertoezichtstelling nog verschil gaat brengen in de situatie. Naar haar mening kan de ondertoezichtstelling dan ook afgesloten worden. Indien de vader op een later moment contact wil met [minderjarige] , zal ze bij de gemeente aankloppen voor hulp.
De vader
4.4.
De vader heeft in zijn brief, samengevat, het volgende aangegeven. De vader ervaart dat hij al jarenlang vastzit in een onrechtvaardige situatie. Hij weigert verder deel te nemen aan de juridische procedures, omdat hij vindt dat de uitslagen altijd in het voordeel zijn van de moeder en hij geen eerlijke kans krijgt. Volgens hem geloven de rechters vooral de verklaringen van hulpverleners, die naar zijn mening niet eerlijk en accuraat zijn. Zijn eigen bewijs en zorgen worden niet serieus genomen. Hij verwijt met name medewerkers van de Raad en andere betrokken instanties dat ze onjuiste informatie verspreiden, en voelt zich machteloos omdat de onjuiste rapportages telkens worden overgenomen. Hij heeft nooit iets gedaan tegen/bij zijn zoon. Hij wil zijn verantwoordelijkheid als vader nemen en vindt het onrechtvaardig dat hem het contact met zijn zoon is ontnomen. Hij wil geen omgangsbegeleiding, omdat deze is opgelegd op basis van een onterecht rapport. De vader voelt zich onterecht gescheiden van zijn zoon. Hij wil [minderjarige] graag weer zien, zonder begeleiding. Hij staat niet achter verlenging van de ondertoezichtstelling
De Raad
4.5.
De Raad adviseert, samengevat, als volgt. De Raad ziet niet langer de noodzaak van een verlenging van de ondertoezichtstelling. Het gaat goed met [minderjarige] , ondanks het ontbreken van het contact met de vader. Het zou mooi zijn als er uiteindelijk wel een vorm van contact tot stand kan komen, maar alle middelen die ter beschikking staan hebben niet geleid tot contactherstel. De ondertoezichtstelling heeft geen toegevoegde waarde meer.

5.De beoordeling

Internationale privaatrecht
5.1.
De kinderrechter constateert dat de vader de Peruaanse nationaliteit heeft. Dit maakt dat de zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter dient te beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
5.2.
Ingevolge artikel 7 lid 1 van Pro de Verordening Brussel II-ter (Verordening (EG) nr. 2019/1111) zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Nu [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd om kennis te nemen van het verzoek.
5.3.
De vraag welk recht van toepassing is, het Peruaanse of het Nederlandse, dient beantwoord te worden naar de regels van internationaal privaatrecht. Deze regels zijn op het punt van de ouderlijke verantwoordelijkheid vastgelegd in het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 (Trb. 1997/299, hierna: HKBV 1996), dat voor Nederland op 1 mei 2011 in werking is getreden.
5.4.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond
van artikel 15 HKBV Pro 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste Pro lid BW) is voldaan.
5.6.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, blijkt het volgende. [minderjarige] ontwikkelt zich goed en in het kader van de ondertoezichtstelling zijn het afgelopen jaar stappen gezet. Er is hulpverlening ingezet van ‘ [hulpverlening] ’, en deze hulp heeft geleid tot verbetering. De moeder heeft positieve stappen gezet en zij heeft deze groei voortgezet richting [minderjarige] . Dit doel van de ondertoezichtstelling is daarmee behaald.
5.7.
Het andere doel, het herstel van het contact tussen de vader en [minderjarige] , is niet bereikt. In het afgelopen jaar is het niet gelukt om het contact tussen [minderjarige] en de vader tot stand te brengen. De kinderrechter ziet dat zowel de moeder als de vader contact willen, maar dat het uitblijven van contact voortkomt uit de weigerachtige houding van de vader om hulp te accepteren. Ondanks het voorstel voor inzet van tolk, hulpverlening en netwerk als omgangsbegeleiding, weigert hij mee te werken en blijft hij de verantwoordelijkheid buiten zichzelf leggen.
5.8.
De GI heeft ter zitting aangegeven dat een verlenging van de ondertoezichtstelling enkel nog gebruikt zal worden voor het tot stand brengen van contact tussen de vader en [minderjarige] , een zogenoemde ‘omgangsondertoezichtstelling’. Voor het opleggen van een omgangsondertoezichtstelling geldt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:295 en Hoge Raad, 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:766) dat het toepassen van de maatregel van een ondertoezichtstelling een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind betekent. Deze maatregel is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. Daarbij kan het opleggen van een ondertoezichtstelling gerechtvaardigd zijn. Wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het tot stand brengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen, kan een ondertoezichtstelling een geëigend middel zijn. In een dergelijk geval moeten aan de motivering van de toewijzing hoge eisen gesteld worden.
5.9.
Indien de ondertoezichtstelling verlengd zou worden, zou dit uitsluitend dienen om het contact tussen vader en [minderjarige] tot stand te brengen. Het ontbreken van contact vormt echter op zichzelf geen ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van [minderjarige] . Daarnaast is er geen motivatie waarom in dit specifieke geval een ondertoezichtstelling nog noodzakelijk is; het doel om contact tussen [minderjarige] en de vader tot stand te brengen wordt niet behaald op dit moment enkel en alleen door de weigerachtige houding van de vader. De kinderrechter is daarom, in navolging van wat de Raad ter zitting heeft aangegeven, van oordeel dat op dit moment enkel het ontbreken van contact tussen de vader en [minderjarige] onvoldoende basis biedt voor het opleggen c.q. verlengen van de ondertoezichtstelling. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de GI afwijzen.
5.10.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek van de GI af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 27 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.