Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4873

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
BRE 24/6293
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 11 Besluit tarieven in strafzaken 2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling waarde woning voor boekwinst bij vennootschapsbelasting 2019

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2019, waarbij de inspecteur de waarde van een woning voor de berekening van de boekwinst corrigeerde. De woning was in 2015 overgedragen aan belanghebbende voor € 768.000, maar de inspecteur stelde de waarde op € 671.000. De rechtbank beoordeelde de waarde op basis van taxatierapporten en referentiepanden.

De rechtbank oordeelde dat noch de door belanghebbende noch de door de inspecteur voorgestelde waarde voldoende aannemelijk was. De waarde van de woning werd vastgesteld op € 685.000, rekening houdend met ligging en vergelijkbaarheid van referentiepanden. Dit leidde tot een boekverlies in plaats van een boekwinst, waardoor de aanslag te hoog was vastgesteld.

De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, verminderde de aanslag tot een belastbaar bedrag van € 627.487 en corrigeerde de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. De rechtbank wees verzoeken van de inspecteur tot het niet toekennen van proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De aanslag vennootschapsbelasting 2019 wordt verminderd tot een belastbaar bedrag van € 627.487 en de belastingrentebeschikking wordt aangepast.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6293

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 juli 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 643.413 (de aanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 5.566 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 641.487. De inspecteur heeft de belastingrente overeenkomstig verminderd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens belanghebbende deelgenomen: [persoon] (directeur-grootaandeelhouder van belanghebbende), de gemachtigde van belanghebbende en zijn kantoorgenoot [kantoorgenoot] . Namens de inspecteur hebben deelgenomen: mr.drs. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Met terugwerkende kracht naar 1 september 2015 is de economische eigendom van [adres] te [plaats] (de woning) door de directeur-grootaandeelhouder van belanghebbende (de dga) en zijn partner overgedragen aan belanghebbende voor € 768.000. Het betreft een woonhuis.
3.1.
Van [makelaar 1] heeft op 25 mei 2016 een taxatierapport opgesteld, waarin de waarde van de woning wordt getaxeerd op een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van € 768.000. De reden van de taxatie was de verkoop aan belanghebbende. Van [makelaar 1] stelt vast dat het object niet wordt verhuurd, momenteel wordt bewoond, en dat het onderhoud goed is. Bij de taxatie is gebruik gemaakt van verkoopcijfers van referentiepanden aan de [referentiepand 1] , [referentiepand 2] , [referentiepand 3] en [referentiepand 4] , alle gelegen in [plaats] . Het rapport bevat geen berekening van de getaxeerde waarde.
3.2.
Op 6 maart 2017 heeft de levering van het juridische eigendom van de woning door de dga en zijn partner aan belanghebbende plaatsgevonden. De akte van levering vermeldt een koopprijs aan van € 768.000.
3.3.
Op 11 oktober 2018 heeft [makelaar 2] de waarde van de woning bepaald. De minimale verkoopprijs bij onderhandse verkoop en vrij van huur en gebruik is gesteld op € 680.000. De geadviseerde vraagprijs is € 699.000.
3.4.
Belanghebbende heeft de woning in 2019 verkocht voor een bedrag van € 680.000. Deze waarde is in overeenstemming met de waarde in het economische verkeer.
3.5.
Belanghebbende heeft over 2019 aangifte Vpb gedaan naar een belastbaar bedrag van € 521.377. Op basis van de aankoopprijs van € 768.000 en de verkoopprijs van € 680.000 is belanghebbende bij de aangifte Vpb 2019 met betrekking tot de verkoop van de woning uitgegaan van een boekverlies van € 88.000.
3.6.
Naar aanleiding van de aangifte heeft de inspecteur een onderzoek ingesteld naar onder meer de verkoopwaarde van de woning in 2015. De rijkstaxateur heeft de waarde van het pand op waardepeildatum 1 september 2015 vastgesteld op € 671.414.
3.7.
De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag afgeweken van de aangifte van belanghebbende. Hij heeft correcties doorgevoerd voor de in aanmerking genomen onderhoudskosten (€ 10.870), de huurinkomsten (€ 14.166) en de boekwinst van de woning. Met betrekking tot de woning heeft de inspecteur een correctie doorgevoerd van € 97.000. Hierbij is de inspecteur uitgegaan van een boekwinst van € 9.000 op basis van een waarde ten tijde van de aankoop van € 671.000 en een verkoopprijs van € 680.000. Het voorgaande resulteerde in een aanslag naar een belastbaar bedrag van € 643.413.
3.8.
In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de correctie van de huurinkomsten verlaagd tot € 12.240. Voor het overige heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd. Het belastbaar bedrag kwam daarmee op € 641.487. In verband hiermee heeft de inspecteur de aanslag en de belastingrentebeschikking verminderd.

Motivering

4. De correcties van de onderhoudskosten en de na de uitspraak op bezwaar resterende huurinkomsten zijn niet meer in geschil. Het geschil ziet alleen op de in aanmerking te nemen boekwinst ter zake van de verkoop van de woning.
4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de waarde van de woning per 1 september 2015 moet worden gesteld op € 768.000. Hiertoe verwijst belanghebbende naar het taxatierapport van Van [makelaar 1] en voert belanghebbende aan dat de rechtbank in een zaak van de dga en zijn partner reeds heeft geoordeeld dat deze waarde op correcte wijze tot stand is gekomen en er geen reden was om aan de waarde te twijfelen.
4.2.
De inspecteur stelt onder verwijzing naar het taxatierapport van de rijkstaxateur dat de waarde van de woning per 1 september 2015 moet worden vastgesteld op € 671.000. De inspecteur is van mening dat de rechtbank zich alleen heeft uitgelaten over het al dan niet bestaan van een bevoordelingsbedoeling en niet over de waarde van de woning.
De waarde van de woning
4.3.
De rechtbank overweegt dat voor de bepaling van de bij de verkoop in aanmerking te nemen boekwinst van belang is wat de waarde in het economische verkeer van de woning was ten tijde van de aankoop door belanghebbende. In de uitspraak ten aanzien van de dga uit 2024 [1] waarnaar belanghebbende verwijst, heeft de rechtbank geoordeeld dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat voldaan was aan het voor een uitdeling aan de aandeelhouder geldende vereiste van dubbele bewustheid, zodat geen sprake kon zijn van een uitdeling van belanghebbende aan de dga. Men hoefde in dit kader niet te twijfelen aan de waarde van de woning die door middel van de taxatie was vastgesteld.
4.4.
Hiermee is niet gezegd dat de waarde van de woning inderdaad € 768.000 was, maar alleen dat belanghebbende en de dga zich niet bewust waren en redelijkerwijs niet bewust hadden hoeven zijn van een (mogelijk) lagere waarde ten tijde van de aankoop. Dat belanghebbende in het kader van de voor de uitdeling geldende bewustheidstoets mocht vertrouwen op de door de taxateur bepaalde waarde, wil niet zeggen dat deze waarde ook juist was. Hetzelfde geldt voor de door belanghebbende aangehaalde uitspraken van de Hoge Raad van 24 oktober 2003 [2] en van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 29 januari 2008 [3] . Ook deze uitspraken hebben betrekking op de vraag of sprake was van een bewuste bevoordeling van de aandeelhouder. In het onderhavige geval is de vraag tot welk bedrag een boekwinst in aanmerking moet worden genomen bij de verkoop van de woning. Hierbij is niet relevant of belanghebbende zich bewust was van een eventueel lagere waarde in het economische verkeer van de woning per 1 september 2015.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat beide partijen niet kunnen worden gevolgd in de door hun voorgestane waarde van de woning. In het door belanghebbende overgelegde taxatierapport van Van [makelaar 1] wordt de staat van de woning beoordeeld en worden een aantal referentiepanden aangedragen, maar het taxatierapport bevat geen toelichting of berekening waaruit volgt hoe men vanuit de verkoopprijzen van de referentiepanden tot de waarde van de woning is gekomen en hoe rekening is gehouden met verschillen tussen de woningen. Ook is uit de verkoopprijzen en de gegevens die bekend zijn over de referentiepanden de getaxeerde waarde niet zonder meer af te leiden en is de waarde daarmee niet aannemelijk gemaakt, mede in het licht van hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd.
4.6.
Het rapport van de rijkstaxateur vermeldt dat de in het taxatierapport van Van [makelaar 1] gebruikte referentiepanden, op [referentiepand 3] na, niet goed vergelijkbaar zijn. De rijkstaxateur gebruikt daarom naast [referentiepand 3] twee andere referentiepanden, namelijk [referentiepand 5] en [referentiepand 6] beide gelegen te [plaats] . De rechtbank acht niet aannemelijk dat – zoals belanghebbende aanvoert - [referentiepand 5] vanwege financiële problemen van de verkoper is verkocht onder de waarde in het economische verkeer. Dit object stond reeds geruime tijd te koop en er was kennelijk geen gegadigde om het object te kopen voor een hogere prijs. Partijen zijn het erover eens dat [referentiepand 3] een zeer vergelijkbare woning is, maar in tegenstelling tot hetgeen belanghebbende betoogt, is de inspecteur van mening dat omgevingsfactoren zoals de aanwezigheid van een zorginstelling, een kinderopvang en het geluid van vrachtwagens geen invloed hebben op de waardering. De rechtbank is van oordeel dat het verschil in ligging tussen [referentiepand 3] en de woning wel moet worden meegewogen bij de vaststelling van de waarde. Daarom volgt de rechtbank ook de inspecteur niet in de door hem bepleite waarde.
4.7.
Nu beide partijen de door hun genoemde waarde niet aannemelijk hebben gemaakt, stelt de rechtbank de waarde van de woning op 1 september 2015 in goede justitie vast op € 685.000. De rechtbank merkt op dat hierbij onder meer rekening is gehouden met de ligging van het referentiepand [referentiepand 3] en dat ook als de referentiepanden [referentiepand 2] en [referentiepand 4] uit het taxatierapport van Van [makelaar 1] worden meegenomen, dit niet tot een hogere waarde leidt.
De aanslag
4.8.
Een waarde van de woning op 1 september 2015 van € 685.000 brengt mee dat bij de verkoop van de woning in 2019 voor € 680.000 een boekverlies is geleden van € 5.000. De door de inspecteur met betrekking tot de woning doorgevoerde correctie, waarbij werd uitgegaan van een boekwinst van € 9.000, was dus te hoog. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd. De aanslag dient te worden verminderd naar een belastbaar bedrag van € 627.487.
Belastingrente
4.9.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, moet de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig worden verminderd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de aanslag tot een aanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 627.487. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig moet worden verminderd.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. De inspecteur heeft de rechtbank verzocht om geen vergoeding van proceskosten aan belanghebbende toe te kennen, omdat deze procedure volgens hem niet had hoeven te worden gevoerd. Hij wijst erop dat belanghebbende in eerste instantie heeft verzocht om aanhouding van het bezwaar totdat duidelijkheid werd verkregen over de waarde in de zaak van de dga, maar vervolgens in de zaak van de dga niet is meegegaan in het verzoek van de inspecteur aan de rechtbank om de waarde vast te stellen. Hoewel de rechtbank de frustratie begrijpt, gaat zij niet mee in dit verzoek. Het staat namelijk geenszins vast dat de rechtbank destijds ten overvloede een oordeel had gegeven over de waarde als partijen daarom hadden verzocht. Belanghebbende krijgt daarom ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
5.2.
Belanghebbende heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding. Zoals toegelicht in onderdeel 4.3 volgt uit de genoemde uitspraak van de rechtbank uit 2024 niet dat de waarde van woning op het juiste bedrag was vastgesteld. De inspecteur heeft daarom niet tegen beter weten in gehandeld door van een andere waarde uit te gaan. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding voor de rechtsbijstand bedraagt dan in totaal € 1.868. Voor de bezwaarfase kent de rechtbank geen vergoeding toe, aangezien deze al bij de uitspraak op bezwaar is toegekend.
5.3.
Belanghebbende komt verder in aanmerking voor een vergoeding van zijn reiskosten. De rechtbank stelt deze reiskosten vast op € 14,67 (52,4 kilometer à € 0,28 per kilometer). [4]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 627.487 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.882,67 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:1913.
2.Hoge Raad 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0411.
3.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 29 januari 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BC6185.
4.Vanwege het ontbreken van een busverbinding in de buurt van de woning van de dga is de rechtbank uitgegaan van een vergoeding van het gebruik van de eigen auto op basis van artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in samenhang gelezen met artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003.