ECLI:NL:RBZWB:2026:4722

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/02/447914 HA RK 26-89 (E)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • Kok
  • Bergen
  • Sterk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rvartikel 1 lid 5 Wrakingsprotocol rechtbank Zeeland-West-Brabantartikel 4 lid 2 Wrakingsprotocol rechtbank Zeeland-West-Brabant
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid

In deze wrakingsprocedure verzocht verzoeker om wraking van de rechter vanwege vermeende vooringenomenheid. Verzoeker stelde dat de rechter niet op de hoogte was van een relevante uitspraak van de Hoge Raad en deze niet correct toepaste, en dat hij onvoldoende spreektijd kreeg tijdens de zitting. De rechter berustte niet in het wrakingsverzoek.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij de onpartijdigheid van de rechter wordt vermoed tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid. De kamer concludeerde dat het beperken van spreektijd binnen de procesorde valt en niet wijst op vooringenomenheid. Ook het vermeende onjuist toepassen van jurisprudentie betreft een inhoudelijke beoordeling die geen grond voor wraking vormt.

De schriftelijke aanvulling op het wrakingsverzoek werd buiten beschouwing gelaten wegens te late indiening. De wrakingskamer verklaarde het verzoek kennelijk ongegrond en besloot de hoofdzaak voort te zetten in de stand van zaken voor de schorsing. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt kennelijk ongegrond verklaard en de hoofdzaak wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Locatie: Breda
Procedurenummer: C/02/447914 HA RK 26-89
beslissing van 19 mei 2026 op het wrakingsverzoek zoals bedoeld in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:
[verzoeker] ,verzoeker

1.Procesverloop

Het verloop van deze procedure blijkt onder meer uit:
 de processtukken zoals opgenomen in het dossier van deze rechtbank in de hoofdzaak met zaaknummer C/02/441063 / HA RK 25-240;
 het proces-verbaal van de zitting van 4 mei 2026 van deze zaak, met daarin de wrakingsgronden;
 de e-mail van de gewraakte rechter aan de wrakingskamer van 7 mei 2026 waaruit blijkt dat zij niet in de wraking berust;
 de e-mail van verzoeker van 15 mei 2026, met daarin een schriftelijke aanvulling van het wrakingsverzoek.

2.Het verzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Hermans (hierna te noemen: de rechter) in haar hoedanigheid als rechter. Dit verzoek berust op de gronden zoals die namens verzoeker uiteen zijn gezet tijdens de zitting in de hoofdzaak van 4 mei 2026.
2.2
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.

3.De gronden van het verzoek

Kort weergegeven heeft de rechter volgens verzoeker de schijn van vooringenomenheid gewekt doordat zij niet op de hoogte is van de uitspraak van de Hoge Raad met nummer ECLI:NL:HR:2023:1682, althans deze uitspraak niet goed uitlegt. Deze wrakingsgrond luidt letterlijk:
“u heeft gezegd dat er nog niet over is beslist door de Hoge Raad dat de medische geheimhoudingsplicht niet mag worden geschonden. Arrest r.o. 4.7: medische inlichtingen die niet mogen worden gedeeld. Dat geldt ook in deze procedure. Dat is zwaarwegend belang omdat de wet wordt overtreden. U zegt dat de HR niet heeft beslist. Dat betekent voor mij dat u vooringenomen bent. Als u zegt dat de HR daar niets over gezegd heeft, klopt dat niet. Omdat het niet over de buitengerechtelijke fase gaat.”
Daarnaast heeft de rechter hem tijdens de zitting niet voldoende spreektijd gegeven en hem meerdere malen “de mond gesnoerd”, waarbij de rechter heeft gedreigd hem uit de zaal te laten verwijderen.
Bij e-mail van 15 mei 2026 heeft verzoeker een schriftelijke aanvulling op het wrakingsverzoek toegezonden. De wrakingskamer zal deze e-mail en schriftelijke aanvulling buiten beschouwing laten. In deze schriftelijke aanvulling staan 14 (deels) aanvullende gronden vermeld. Dit is op grond van artikel 1, lid 5, van het Wrakingsprotocol rechtbank Zeeland-West-Brabant te laat nu het wrakingsverzoek dient te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor volgens verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, zich hebben voorgedaan. De gronden waarop het wrakingsverzoek berust zijn opgenomen in het (verkorte) proces-verbaal van de zitting. De wrakingskamer zal van deze gronden uitgaan.

4.De beoordeling

Beoordelingskader
4.1
Op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan elk van de rechters die een zaak behandelt op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2
Voorop moet worden gesteld dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit is slechts anders als zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
4.3
De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de wrakingsgronden
4.3
De wrakingskamer constateert dat het wrakingsverzoek berust op twee gronden, namelijk het niet geven van voldoende spreektijd en het niet (goed) op de hoogte zijn van de jurisprudentie.
De eerste grond, de toedeling van de spreektijd, ziet op het voeren van regie door de rechter op de zitting en het bewaken van de goede procesorde. Dit betekent onder andere dat het aan de rechter is om, binnen de grenzen van de wet, te bepalen welke partij de door de rechter gestelde vragen zal beantwoorden. Rechters hebben een grote vrijheid bij de invulling van deze taak. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat verzoeker meerdere keren aan het woord is geweest. Dat verzoeker niet onbeperkt het woord mocht voeren en dat de rechter verzoeker er op heeft gewezen dat hij zich fatsoenlijk moet gedragen in de zittingszaal en wat de consequenties zijn indien verzoeker zich daaraan niet houdt, leidt niet tot de conclusie dat de rechter vooringenomen of partijdig is. Dit behoort tot de taak van de rechter. Bovendien heeft de rechter gemotiveerd aangegeven waarom zij hem geen spreektijd (meer) geeft.
4.4
Daarnaast verwijt verzoeker de rechter dat zij niet op de hoogte zou zijn van een uitspraak van de Hoge Raad, althans dat de rechter deze uitspraak onjuist uitlegt/toepast. Dit betreft een grief over een inhoudelijk oordeel. Voor zover uit de woorden van de rechter al zou kunnen worden afgeleid dat zij een standpunt over het arrest van de Hoge Raad heeft ingenomen kan dit, volgens vaste rechtspraak, evenmin grond voor wraking vormen. Het is de wrakingskamer niet toegestaan om te beoordelen of een standpunt en de daaraan ten grondslag liggende motivering inhoudelijk juist zijn. De wrakingskamer dient enkel te onderzoeken of dit standpunt en de motivering daarvan feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dat laatste kan naar het oordeel van de wrakingskamer slechts het geval zijn als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval het door de rechter ingenomen standpunt zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat dat standpunt door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven. Hiervan is geen sprake. De rechter heeft aangegeven dat het juridisch gecompliceerd ligt. Daarmee heeft zij echter geen oordeel gegeven over de (on)juistheid van de stellingen van partijen, zodat van vooringenomenheid geen sprake is.
4.5
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de rechter ten aanzien van verzoeker vooringenomen is of dat zijn vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond moet worden verklaard.
4.6
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).

5.Beslissing

De wrakingskamer:
 verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
 bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaaknummer C/02/441063 / HA RK 25-240 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.
Deze beslissing is genomen op 19 mei 2026 door mr. Kok, voorzitter, en mr. Bergen en mr. Sterk, rechters, in aanwezigheid van mr. Luijten, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.