ECLI:NL:RBZWB:2026:4672

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
24/7322
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 23 Wet BpfArt. 4.1, vierde lid, aanhef en onder c WhtArt. 8:51a AwbArt. 8:80a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over motiveringsgebrek bij afwijzing overname private schulden bestuurder

Eiseres, voormalig bestuurder van Cirkel Zorgbegeleiding en Maatschappelijke Opvang BV, verzocht de minister om overname van private schulden aan GGN Mastering Credit, voortvloeiend uit niet-betaalde pensioenpremies. De minister wees dit verzoek af op grond van een weigeringsgrond wegens onrechtmatige daad, waarbij ten onrechte werd getoetst aan 'verwijtbaarheid' in plaats van de vereisten van artikel 6:162 BW Pro.

De rechtbank oordeelt dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van eiseres als bestuurder niet gelijkgesteld kan worden aan een onrechtmatige daad en dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiseres persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt voor het niet betalen van de premies.

De rechtbank vernietigt het besluit en geeft de minister acht weken de tijd om het motiveringsgebrek te herstellen door een juiste toets aan artikel 6:162 BW Pro uit te voeren. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden. De minister moet binnen twee weken aangeven of hij van deze gelegenheid gebruik maakt.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek en de minister krijgt gelegenheid dit te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7322

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. Akbaba),
en

de minister van Financiën, verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om een aantal private schulden over te nemen. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister het verzoek terecht heeft afgewezen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek. De minister wordt in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft aan Sociale Banken Nederland (SBN) een schuldenlijst toegezonden met de bedoeling om onder meer in aanmerking te komen voor overname van schulden die zij heeft bij GGN Mastering Credit – SHV N.V. (hierna: GGN).
SBN heeft op 18 oktober 2023 eiseres een samenvatting van haar schuldenoverzicht toegezonden en aangegeven welke schulden niet afbetaald zullen worden. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om hierop binnen 14 dagen te reageren. Eiseres heeft op 18 oktober 2023 telefonisch gereageerd.
Met het besluit van 2 november 2023 is aan eiseres onder meer medegedeeld dat haar schulden aan GGN van € 4.649,- en € 10.344,41 niet zullen worden afbetaald. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 8 oktober 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en mr. [gemachtigde] namens de minister.

Totstandkoming van het bestreden besluit

Feiten
3. Eiseres is voormalig bestuurder van de ontbonden onderneming Cirkel Zorgbegeleiding en Maatschappelijke Opvang BV (hierna: Cirkel BV). Deze BV viel onder de werkingssfeer van het Pensioenfonds Zorg & Welzijn (hierna: het Pensioenfonds) en was op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf) gehouden tot betaling van de voor zijn werknemers uit hoofde van hun verplichte deelneming aan het pensioenfonds verschuldigde premies.
Op 27 december 2016 heeft het Pensioenfonds aan Cirkel BV een factuur gezonden van
€ 9.395,87 met betrekking tot verschuldigde pensioenpremies.
Er is op 14 maart 2017 tegen eiseres als bestuurder van Cirkel BV een dwangbevel uitgevaardigd voor een bedrag van € 5.224,08 (hoofdsom plus wettelijke rente en andere verhogingen). In het dwangbevel staat vermeld dat Cirkel BV als werkgever terzake van achterstallige premies aan het Pensioenfonds € 4.237,38 verschuldigd is, dat het Pensioenfonds Cirkel BV op 9 mei 2016 heeft verzocht om de openstaande vordering te voldoen en dat Cirkel BV vervolgens in gebreke is gebleven tot betaling over te gaan.
3.1.
Eiseres heeft op de schuldenlijst die zij aan SBN heeft gezonden een schuld aan GGN inzake het Pensioenfonds van € 4.649,60 vermeld, met dossiernummer [dossiernummer] .
3.2.
Het incassobureau GGN heeft op 20 juni 2023 opgave gedaan aan SBN van twee vorderingen van het Pensioenfonds, te weten een schuld van € 10.344,41 inzake dossier 30404774 en een schuld van € 4.668,46,- inzake dossier [dossiernummer] .
3.3.
In het besluit van 2 november 2023 heeft de minister beide schulden van eiseres aan GGN beoordeeld. Besloten is dat deze schulden niet worden afbetaald. Tegen dit besluit heeft eiseres op 10 november 2023 bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
4. Met het besluit van 8 oktober 2024 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de schulden bij GGN schulden betreffen van eiseres aan het Pensioenfonds. Deze schulden kunnen niet worden overgenomen, omdat sprake is van een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad [1] . Daarbij neemt de minister in aanmerking dat de bestuurder op grond van artikel 23 van Pro de Wet Bpf aansprakelijk is voor de pensioenpremies, en dat dat pas aan de orde is als de BV zelf in gebreke blijft. Naast het onbetaald blijven van de premies is ook geen melding gemaakt van beperkte betalingscapaciteit. Dat is een duidelijk verwijtbare handeling en een tekortkoming van de bestuurders. De wetgever heeft met de Wet hersteloperaties toeslagen (Wht) expliciet willen voorkomen dat dit soort schulden onder de hersteloperatie vallen.

Beroepsgronden

5. Eiseres stelt dat de minister de aanvraag voor overnemen van haar schulden aan GGN ten onrechte heeft afgewezen. De minister heeft in het bestreden besluit ten onrechte getoetst aan de maatstaf ‘verwijtbaarheid’. Er had getoetst moeten worden aan de vereisten van een onrechtmatige daad zoals bedoeld in artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De hoofdelijke aansprakelijkheid van eiseres op grond van de Wet Bpf is niet hetzelfde als een onrechtmatige daad.

Verweer

6. De minister heeft in het verweerschrift uiteengezet dat het gedrag van eiseres valt binnen de uitsluitingsgrond van onrechtmatige daad en is daarbij ingegaan op de vereisten van de onrechtmatige daad.

Juridisch kader

7. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de minister terecht de schulden van eiseres aan GGN niet heeft overgenomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Overnemen van private geldschulden
9. In de uitvoering van de kinderopvangtoeslag zijn in voorgaande jaren fouten gemaakt waarvan ouders de dupe zijn geworden. Deze toeslagenaffaire heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om gedupeerde ouders te compenseren voor deze fouten. Onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid, onder bepaalde voorwaarden, de private schulden van een gedupeerde ouder en zijn of haar toeslagpartner overneemt.
10. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de schulden bij GGN voldoen aan de voorwaarden voor schuldovername dat sprake is van geldschulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. [2]
Weigeringsgrond
11. De minister heeft de schulden niet overgenomen en zich daarbij beroepen op de weigeringsgrond van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder c, Wht. Hieruit volgt dat geldschulden niet worden overgenomen als deze voortvloeien uit een onrechtmatige daad. Het is aan de minister om het bestaan van deze weigeringsgrond aannemelijk te maken.
Onjuiste maatstaf
12. Eiseres heeft allereerst aangevoerd dat in het bestreden besluit niet is getoetst aan de vereisten van onrechtmatige daad van artikel 6:162 BW Pro maar aan ‘verwijtbaar handelen’. Ter zitting heeft de minister erkend dat er in het bestreden besluit ten onrechte is getoetst aan ‘verwijtbaar handelen’. In het verweerschrift is de toets aan de vereisten van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW Pro alsmede het relativiteitsvereiste alsnog opgenomen.
13. De rechtbank is met partijen van oordeel dat er bij de weigeringsgrond van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder c, Wht getoetst moet worden aan artikel 6:162 BW Pro. In de Memorie van Toelichting staat immers opgenomen: ‘
In artikel 4.1, vierde lid, is bepaald welke geldschulden en kosten niet worden overgenomen. Een daarvan behoeft nadere toelichting: een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad (artikel 4.1, vierde lid, onderdeel c). Dit ziet op een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
14. Dit betekent dat in het bestreden besluit is getoetst aan de onjuiste maatstaf van ‘verwijtbaar handelen’. Het bestreden besluit bevat daarom een motiveringsgebrek en moet worden vernietigd. Het beroep is gegrond.
15. In het verweerschrift heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat schulden die voortvloeien uit ernstig misbruik, ernstige nalatigheid of strafbare feiten volgens de Memorie van Toelichting niet worden overgenomen. In dit geval zijn de schulden ontstaan door het wel inhouden maar niet afdragen van pensioenpremies. Dat gaat verder dan een reguliere betalingsachterstand en valt binnen de uitsluitingsgrond van onrechtmatige daad.
De uitsluiting van de schuldovername is hier niet gebaseerd op de hoofdelijke aansprakelijkheid maar op het achterliggende gedrag. De premies zijn wel ingehouden maar niet betaald en van de betalingsonmacht is geen melding gemaakt. Dat is in strijd met een wettelijke verplichting en maatschappelijk onzorgvuldig, en daarmee onrechtmatig. Het is ook aan eiseres toe te rekenen, omdat zij als bestuurder verantwoordelijk was voor de loonadministratie en de premieafdracht. Daardoor is ook schade geleden in de vorm van niet-ontvangen premies en de rente en kosten. Hiermee is voldaan aan de voorwaarden van een onrechtmatige daad en is de uitsluitingsgrond van toepassing.
16. De rechtbank stelt vast dat de minister in het verweerschrift alsnog de toets aan de juiste maatstaf, namelijk de vereisten van artikel 6:162 BW Pro, heeft opgenomen. Daarom zal de rechtbank beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.
Aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad
17. De rechtbank stelt voorop dat voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW Pro voldaan dient te zijn aan de volgende vereisten: (a) onrechtmatige daad, (b) toerekenbaarheid van de daad aan de dader, (c) schade, (d) causaal verband tussen daad en schade en (e) relativiteit.
18. Met betrekking tot het eerste vereiste van artikel 6:162 BW Pro, het begaan van een onrechtmatige gedraging jegens een ander, voert de minister aan dat de premies wel zijn ingehouden maar niet zijn doorbetaald aan het Pensioenfonds en dat geen melding is gemaakt van betalingsonmacht. Eiseres is op grond van artikel 23 Wet Pro Bfp hoofdelijk aansprakelijk jegens het Pensioenfonds voor de niet-betaalde premies.
18.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister hiermee de hoofdelijke aansprakelijkheid van eiseres aanmerkt als een onrechtmatige gedraging. De rechtbank is van oordeel dat de hoofdelijke aansprakelijkheid voor niet-betaalde premies als bedoeld in artikel 23 Wet Pro Bpf niet gelijk te stellen is aan een onrechtmatige gedraging als bedoeld in artikel 6:162, eerste en tweede lid, BW. Het zijn immers twee verschillende rechtsfiguren.
18.2.
Met betrekking tot het feitelijke verwijt dat eiseres als bestuurder verantwoordelijk is voor niet-betaalde premies, stelt de rechtbank voorop dat het onbetaald laten van een vordering, en dus het bestaan van een schuld, de ingangsvoorwaarde is voor het overnemen van een schuld. In het enkele feit dat een vordering onbetaald is gelaten, kan dus geen onrechtmatige daad worden gezien.
Daarbij geldt dat het onbetaald laten van een vordering over het algemeen een tekortkoming in de nakoming oplevert. Het is niet uitgesloten dat een gedraging naast een tekortkoming tevens een onrechtmatige daad oplevert. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad [3] blijkt dat dit jegens de contractuele wederpartij alleen het geval zal zijn als onafhankelijk van de schending van de contractuele verplichtingen onrechtmatig is gehandeld.
Ook moet in aanmerking worden genomen dat eiseres uit hoofde van haar functie als (voormalig) bestuurder van Cirkel BV (mede) verantwoordelijk was voor het betalen van de premies aan het Pensioenfonds en het melden van betalingsonmacht aan het Pensioenfonds. In dat geval geldt de bijzondere maatstaf van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW Pro. Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis geldt immers als uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan er, op grond van onrechtmatige daad, ook ruimte zijn voor aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap indien de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Om onrechtmatig handelen van de bestuurder vast te stellen is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Hiervan zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade [4] .
18.3.
De rechtbank stelt vast dat de minister niet heeft onderzocht of gemotiveerd dat aan bovenstaande maatstaf is voldaan. De enkele verwijzing naar jurisprudentie in het verweerschrift is daarvoor niet voldoende, omdat die zaken (feitelijk) niet vergelijkbaar zijn met de situatie van eiseres. Dat eiseres in haar hoedanigheid van (voormalig) bestuurder van Cirkel BV een onrechtmatige daad heeft begaan, is dan ook niet aannemelijk gemaakt. De nadere motivering in het verweerschrift leidt er daarom niet toe dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

Conclusie en gevolgen

19. Zoals hiervoor is overwogen onder 14. is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel en zal het bestreden besluit moeten worden vernietigd. Het motiveringsgebrek is met de toelichting die gegeven in het verweerschrift en ter zitting, niet hersteld. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.
De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet de minister onderzoek doen naar het (vermeende) onrechtmatig handelen van eiseres in haar hoedanigheid van (voormalig) bestuurder van Cirkel BV en toetsen of sprake is van een onrechtmatige gedraging, met inachtneming van het bepaalde in de overwegingen 18.2. en 18.3. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
20. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen acht weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
21. Indien de minister een herstelpoging doet, zal de rechtbank beoordelen of het motiveringsgebrek is hersteld en of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven. In het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, kunnen in beginsel geen nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die al eerder naar voren hadden kunnen worden gebracht, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht [5] .
22. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan op 26 maart 2026 door mr. J. van Alphen, voorzitter, en
mr. S.A.M.L. van de Sande en mr. A.G.J.M. de Weert, leden, in aanwezigheid van
mr. E.A. Vermunt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet hersteloperatie toeslagen

Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
1. Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Pro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partner artikel 4.6 of 4.7 van toepassing is.
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. (…)
4. Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn: (…)
c. een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad; (…)

Burgerlijk Wetboek

Artikel 6:162
1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000

Artikel 23. Hoofdelijke aansprakelijkheid
1. Hoofdelijk aansprakelijk is voor de bijdragen ter zake van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is, voorzover het aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen: ieder van de bestuurders overeenkomstig het tweede tot en met het twaalfde lid.
2. Het lichaam, bedoeld in het eerste lid, doet onverwijld nadat gebleken is, dat het niet tot betaling in staat is, daarvan mededeling aan het bedrijfstakpensioenfonds en, indien het bedrijfstakpensioenfonds dit verlangt, verstrekt het nadere inlichtingen en legt het stukken over. Elke bestuurder is bevoegd om namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de mededeling, de aard en de inhoud van de te verstrekken inlichtingen en de over te leggen stukken alsmede de termijnen waarbinnen het doen van de mededeling, het verstrekken van de inlichtingen en het overleggen van de stukken dienen te geschieden.
(…)
4. Indien het lichaam niet of niet op de juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder op voet van het derde lid aansprakelijk met dien verstande dat vermoed wordt dat de niet-betaling aan hem is te wijten en dat de periode van drie jaar geacht wordt in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van het vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan.
5. De bestuurder kan slechts worden aangesproken indien het lichaam met de betaling van de bijdragen in gebreke is.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bestuurder mede verstaan:
a. de gewezen bestuurder tijdens wiens bestuur de bijdragenschuld is ontstaan;
(…)
7. De tweede zin van het vierde lid is niet van toepassing op de gewezen bestuurder.
8. Indien het bedrijfstakpensioenfonds een bestuurder hoofdelijk aansprakelijk stelt, doet het hem daarvan schriftelijk mededeling. De mededeling bevat de gronden waarop de aansprakelijkheid van de bestuurder berust. (…)

Voetnoten

1.Artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder c van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
2.Artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wht.
3.Hoge Raad 9 december 1955, ECLI:NL:HR:1955:47 en Hoge Raad 19 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0870.
4.Hoge Raad 8 december 2006 (Ontvanger/ [naam] ), ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, r.o. 3.5.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:80