ECLI:NL:RBZWB:2026:4578
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling proceskostenvergoeding bezwaar WOZ niet-woning
Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van een niet-woning onroerende zaak vastgesteld op € 261.000, welke na bezwaar werd verhoogd tot € 341.000. De heffingsambtenaar kende een proceskostenvergoeding toe van € 242,62, waarbij een vermenigvuldigingsfactor van 0,125 werd toegepast.
Belanghebbende stelde dat deze factor niet van toepassing was vanwege een bijzonder geval en verwees naar facturen en betalingsbewijzen. De rechtbank onderzocht of sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 30a Wet WOZ en het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025.
Uit de overgelegde stukken bleek dat de gemachtigde van belanghebbende op basis van no cure no pay werkt en dat de proceskostenvergoeding aan de gemachtigde wordt afgedragen. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat dit geen no cure no pay situatie betrof of dat de vergoeding de redelijke kosten ver overtrof.
Daarom oordeelde de rechtbank dat geen sprake was van een bijzonder geval en dat de toegepaste vermenigvuldigingsfactor terecht was toegepast. Het beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar bleef in stand en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de vastgestelde proceskostenvergoeding wordt ongegrond verklaard en de toegepaste vermenigvuldigingsfactor van 0,125 gehandhaafd.