ECLI:NL:RBZWB:2026:45

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
25/693
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van de ZW-uitkering van eiseres na herbeoordeling van arbeidsongeschiktheid

Deze uitspraak betreft de beëindiging van de Ziektewet (ZW)-uitkering van eiseres door het UWV. Eiseres, werkzaam als schoonmaakster, is op 22 november 2021 uitgevallen door knieletsel na een aanrijding. Na een eerstejaarsbeoordeling in mei 2023 werd haar ZW-uitkering per 12 augustus 2023 beëindigd, waarna zij een WW-uitkering ontving. Op 28 december 2023 meldde zij zich ziek vanuit de WW en onderging een operatie. Het UWV besloot op 14 oktober 2024 haar ZW-uitkering per 18 oktober 2024 te beëindigen, wat eiseres aanvecht. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft vastgesteld dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank concludeert dat het UWV op goede gronden heeft gehandeld. Eiseres heeft onvoldoende medische onderbouwing gepresenteerd om aan te tonen dat haar beperkingen zijn onderschat. De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsartsen zorgvuldig hebben gehandeld en dat de door hen vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) correct zijn. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/693 ZW

uitspraak van 8 januari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. H. Sala),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de uitkering van eiseres op grond van de Ziektewet (ZW). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de uitkering van eiseres op goede gronden heeft beëindigd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiseres is werkzaam geweest als schoonmaakster voor gemiddeld 18,81 uur per week. Voor dat werk is zij uitgevallen op 22 november 2021 vanwege knieletsel (rechts) nadat zij op de fiets is aangereden door een vuilniswagen. Na een zogeheten (verlate) eerstejaarsbeoordeling in mei 2023 zijn functies geduid, waardoor de ZW-uitkering van eiseres werd beëindigd per 12 augustus 2023. Eiseres ontving vervolgens vanaf 14 augustus 2023 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 28 december 2023 heeft eiseres zich vanuit de WW ziek gemeld. Eiseres is op 28 december 2023 geopereerd. Vervolgens heeft er een tussentijdse ziektewetbeoordeling plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot de besluiten die onder het kopje procesverloop staan vermeld.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 14 oktober 2024 (primair besluit) aan eiseres meegedeeld dat haar ZW-uitkering met ingang van 18 oktober 2024 wordt beëindigd. Met het bestreden besluit van 16 december 2024 is het UWV bij dat besluit gebleven.
3.1
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde mr. H. Sala en mr. I.P.H.M. van Lieshout namens het UWV.
3.4
De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is, namelijk 0%.
Wettelijk kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiseres medische beperkingen heeft en of zij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
6.1
Op 11 oktober 2024 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. Beoordeeld is of eiseres per 28 december 2023 ongeschikt is voor de geduide functies als gevolg van ziekte of gebrek. Met geduide functies wordt bedoeld de functies die zijn geduid in het kader van de eerstejaars ziektewetbeoordeling (EZWB) in mei 2023, waarna de (eerdere) ZW-uitkering van eiseres per 14 augustus 2023 werd beëindigd. In dat kader is er onderzoek verricht door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het UWV.
Het medisch onderzoek van het UWV
7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
7.1
De primaire verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en eiseres gezien op het spreekuur van 11 oktober 2024, waar hij haar lichamelijk heeft onderzocht. De primaire verzekeringsarts overweegt in de rapportage van 11 oktober 2024 dat haar actieradius ten aanzien van lopen, staan en trappenlopen is toegenomen ten opzichte van de EZWB, dat wordt ook beaamd door eiseres. Ze is verder nog niet klachtenvrij en ervaart nog belemmeringen bij lang lopen en trappenlopen. De ernst van de beperkingen is wel afgenomen in vergelijking met de beperkingen zoals vastgesteld tijdens de EZWB in de (kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van mei 2023. Eiseres kan nu bijvoorbeeld ten minste dertig minuten lopen. Lopen en staan zijn toegenomen ten opzichte van de EZWB. Er is op geen enkel vlak een toename van beperkingen aanwezig in vergelijking met de FML van 20 mei 2023. De functies die toentertijd zijn geduid zijn dan ook passend, omdat hierbij rekening werd gehouden met de beperkingen zoals deze toentertijd waren. Eiseres is nog niet klachtenvrij, maar de ernst is afgenomen. Concluderend vindt de primaire verzekeringsarts dat eiseres per 18 oktober 2024 geschikt is voor de geduide functies.
7.2
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en kennisgenomen van het bezwaarschrift van 24 oktober 2024 en de aanvulling van 11 november 2024. De verzekeringsarts b&b handhaaft het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De verzekeringsarts b&b stelt dat bij het onderzoek procedureel en inhoudelijk volgens de regels is gewerkt. Er is een op de klachten gerichte anamnese verricht waarin is stilgestaan bij het dagverhaal en het functioneren. Vervolgens is uitgebreid lichamelijk onderzoek verricht. De overwegingen zijn weergegeven in de rapportage en de conclusie is op logische wijze tot stand gekomen. Eiseres brengt bovendien geen andere of nieuwe informatie aan in bezwaar die zouden wijzen op toegenomen beperkingen. Verder heeft de primaire verzekeringsarts terecht vastgesteld dat er nog beperkingen bestaan in het gebruik van de rechter knie. Hiervoor nam hij gegevens uit de anamnese en het lichamelijk onderzoek mee. Er werden geen grote of nieuwe afwijkingen gevonden bij het lichamelijk onderzoek en het functioneren thuis is niet afgenomen. De verzekeringsarts b&b concludeert daarom dat de primaire verzekeringsarts terecht heeft gesteld dat de situatie van de knie niet is verslechterd en de beperking dus niet zijn toegenomen ten opzichte van mei 2023. De beperkingen en de belastbaarheid van eiseres zijn neergelegd in de FML van 20 mei 2023.
Standpunt eiseres
8 Eiseres heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Zij ervaart aanhoudende pijnklachten die gepaard gaan met ernstige beperkingen, waardoor zij nauwelijks in staat is om langdurig te staan. Eiseres is nog steeds onder behandeling en wordt verder onderzocht vanwege haar klachten, die haar onbelastbaar maken. Eiseres voert per functie specifieke argumenten aan. In het algemeen stelt eiseres dat sprake is van overschrijdingen bij reiken, tillen, hurken, knielen en dragen – kortom, handelingen waarbij de benen zwaar worden belast.

Productiemedewerker industrie:

8.1
Eiseres is beperkt in zowel langdurig staan als zitten, omdat dit veel pijn en zwelling in haar been veroorzaakt. Zij meent daarom dat er een urenbeperking moet worden aangenomen. Zij verwijst naar de medische informatie van de traumachirurg van 25 maart 2025. Volgens dit verslag is er geen verbetering in haar situatie. Eiseres voert aan dat zij nog geen uur achtereen kan staan dan wel lopen. Deze pijnklachten en beperkingen zijn ten onrechte niet opgenomen in de FML, terwijl deze wel objectiveerbaar zijn. Gelet op het hoge handelingstempo, het lopen, het staan, de vereiste zorgvuldigheid en de hoge complexiteit, acht eiseres deze functie ongeschikt.

Kassamedewerker

8.2
Eiseres stelt dat zij bij langdurig zitten en staan veel last heeft van pijnklachten en oedeem (vochtophoping dat leidt tot zwelling). Daarnaast is zij beperkt in haar vermogen om te tillen, dragen, knielen en hurken. Zij begrijpt dan ook niet hoe de verzekeringsarts tot het oordeel is gekomen dat zij daartoe wel in staat zou zijn. Ook is zij niet in staat om vier uur te staan of te lopen, en is het tillen van 10 kg niet haalbaar. De dynamische handelingen die in de FML zijn opgenomen, zijn onjuist beoordeeld. Vanwege haar klachten en fysieke beperkingen vindt zij het nodig om een urenbeperking vast te stellen op preventieve gronden. Eiseres verwijst naar het verslag van de onafhankelijke medische expert dr. [naam 1] van 10 oktober 2024, waarin haar forse beperkingen en pijnklachten worden beschreven. Ook het rapport van Achmea uit februari 2024 geeft volgens eiseres een goed beeld van haar situatie.

Snackbereider medewerker

8.3
Voor deze functie is volgens eiseres langdurig staan en lopen vereist. Hier is zij niet toe in staat. Eiseres verwijst hiervoor opnieuw naar het rapport van 10 oktober 2024 en het aanvullende commentaar van Achmea van februari 2024.
Aanvullend rapport van de verzekeringsarts b&b
9. Naar aanleiding van hetgeen eiseres aanvullend heeft aangevoerd heeft de verzekeringsarts b&b een aanvullend rapport opgesteld. Volgens de verzekeringsarts bevat de door eiseres ingebrachte informatie, met uitzondering van de MRI-uitslag van 26 januari 2025, geen nieuwe medische gegevens. De MRI-scan toonde een tibiaplateaufractuur met (posttraumatische) chondropathie laterale tibiaplateau (irritatie van het kraakbeen aan de buitenzijde van het onderbeenplateau). De chondropathie was voorheen niet genoemd, maar was wel te verwachten bij een dergelijk letsel. In het consult van de traumachirurg dr. [naam 2] van 19 februari 2025 wordt aangegeven dat de klachten aan de anterieure zijde van de knie onveranderd zijn gebleven na het verwijderen van het osteosynthesemateriaal. De verzekeringsarts b&b ziet wel reden om een nuancering aan te brengen in de belastbaarheid op het item zitten. De op de MRI vastgestelde chondropathie zou een toename van pijn kunnen verklaren wanneer eiseres langdurig met haar rechterknie in flexiestand zit. Als zij haar been af en toe kan strekken, ziet de verzekeringsarts b&b echter geen beperking in de duur van het zitten. Verder ziet de verzekeringsarts b&b geen aanleiding om de belastbaarheid te herzien, omdat de enige wijziging die is vastgesteld betrekking heeft op de irritatie aan het kraakbeen, hetgeen geen grote beperkingen met zich meebrengt. Daarnaast was bij het lichamelijk onderzoek van 19 februari 2025 geen drukpijn meer lateraal en is de knie stabiel met ruime flexie en extensie, wat duidt op een goede functie. Daarbij wordt opgemerkt dat er al rekening is gehouden met forse kniebeperkingen in de beoordeling. De verzekeringsarts b&b heeft zich vervolgens ook per aangevoerde beperking nog verder uitgesproken.
  • Tillen, dragen, hurken en knielen, en reiken en hoog handelingstempo: Er is geen medische onderbouwing om dit punt verder te beperken.
  • Staan en lopen: Eiseres geeft tijdens het spreekuur van 11 oktober 2024 aan dat zij nu langer kan lopen en staan dan tijdens de EZWB van 20 mei 2023. In de FML zijn beide items beperkt tot 15 minuten achtereen, en is de totale tijd voor staan en lopen tijdens het werk beperkt tot twee uur per dag. Het gevulde dagverhaal van eiseres geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie dat zij in staat is om gedurende de dag maximaal twee uur te staan en twee uur te lopen.
  • Urenbeperking: Voor het stellen van een (preventieve) urenbeperking ontbreekt een medische indicatie. Eiseres volgt geen tijdsintensieve behandeling die haar beschikbaarheid zou verminderen. Er is geen energetische indicatie, aangezien eiseres niet bekend is met een aandoening die zich kenmerkt door een groot tekort aan energie, te groot energieverbruik of verminderde mogelijkheden voor herstel. Ook is er geen preventieve indicatie omdat er geen aandoening is die gepaard gaat met een patroon van overschrijding van de eigen grenzen met recidief of toename van symptomen, zelfoverschatting door eiseres of een beperkt ziektebesef.
Uit bovenstaande blijkt dat de beperkingen verder niet gewijzigd zijn ten opzichte van de eerdere beoordeling.
Was het medische onderzoek van het UWV voldoende zorgvuldig?
10. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. Zij waren op de hoogte van de klachten van eiseres, waaronder haar knieklachten met als gevolg klachten met betrekking tot langdurig zitten, staan en lopen. De verzekeringsartsen hebben naar die klachten onderzoek verricht. De primaire verzekeringsarts heeft eiseres gezien, haar lichamelijk onderzocht en dossieronderzoek verricht. Uit de rapportage blijkt dat de verzekeringsarts ook heeft waargenomen dat de stand van de rechter onderbeen anders is. Anders dan eiseres ter zitting heeft gesteld is door de verzekeringsartsen hier dus wel acht opgeslagen. De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht en kennisgenomen van het bezwaarschrift en het beroepschrift. In het onderzoek is de informatie uit het medisch onderzoeksverslag van 20 mei 2023 (betreft de EZWB), het verpleegkundig verslag van 24 september 2024 en de brief van mr. drs. [naam 1] van 10 oktober 2024 meegenomen. Vervolgens is de in beroep ingebrachte informatie van eiseres aan de verzekeringsarts b&b voorgelegd, waaronder het verslag van de traumachirurg dr. [naam 2] van 25 maart 2025, het verslag van 10 oktober 2024 van dr. [naam 1] en het rapport van Achmea van februari 2024. Daarnaast heeft eiseres een rapportage ingebracht van 1 juli 2025, die is opgesteld in het kader van de letselprocedure. De verzekeringsarts heeft ook die rapportage bestudeerd en concludeert dat er geen nieuwe informatie in staat die aanleiding geeft voor een ander standpunt. Dit standpunt kan de rechtbank volgen.
Gezien het voorgaande beschikte de verzekeringsarts b&b over ruim voldoende inzicht in de (medische) situatie van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen onderzoeksactiviteiten gemist en zijn er geen aanwijzingen dat de verzekeringsartsen informatie misten om tot een zorgvuldige beoordeling te komen.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
11. Eiseres heeft gewezen op haar klachten met betrekking tot het langdurig staan, lopen en zitten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b afdoende gemotiveerd dat met die klachten in de FML rekening is gehouden door beperkingen aan te nemen op trillingsbelasting, tillen, dragen, lopen, trappenlopen, klimmen, knielen/hurken en staan. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd en bovendien onvoldoende medische informatie overgelegd waaruit daadwerkelijk blijkt dat zij meer beperkt is dan zoals door het UWV is aangenomen. Eiseres stelt dat zij niet in staat is om een uur te kunnen lopen, maar dit blijkt echter niet direct uit de overgelegde stukken. Ook het standpunt dat zij meer beperkt moet worden geacht op reiken, tillen, hurken, knielen, dragen en er sprake moet zijn van een urenbeperking blijkt niet uit de overgelegde stukken.
11.1
De rechtbank stelt vast dat het UWV wel aanneemt dat eiseres beperkt is, maar dat zij met die beperkingen in staat is de geduide functies te verrichten. De enkele omstandigheid dat de verzekeringsarts b&b de door eiseres ervaren klachten op een andere manier heeft gewogen dan dat zij die ervaart, betekent niet dat het medische oordeel onzorgvuldig of onjuist is. De subjectieve beleving van klachten is volgens vaste rechtspraak namelijk niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij eiseres zijn vast te stellen. Van belang zijn alleen de medische te objectiveren beperkingen. [1]
11.2
Nu niet is gebleken dat de beperkingen van eiseres in de FML van 20 mei 2023 zijn onderschat, gaat de rechtbank voor de verdere beoordeling uit van de belastbaarheid zoals die daarin is neergelegd.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
12. De arbeidsdeskundige van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), Kassamedewerker, caissière (SBC-code 317030) en Snackbereider (handmatig) (SBC-code 111071).
Naar aanleiding van het aanvullend beroepschrift van eiseres heeft de arbeidsdeskundige b&b in beroep nog aanvullend gereageerd.
Voor de functie medior soldering operator is nog nader aangevoerd dat na elk uur het zitten substantieel wordt onderbroken, waarvan tijdens twee uur het werk elk half uur wordt onderbroken met een stukje lopen. Daarnaast bestaat ook de mogelijkheid om het been af en toe omhoog te leggen. Hierdoor wordt voldoende de mogelijkheid geboden om het been te strekken. Bovendien zijn collega’s onderling niet van elkaar afhankelijk, waardoor de mogelijkheid bestaat om de werkplek kort te verlaten.
Voor de functie kassamedewerker geldt ook dat na elk uur het zitten wordt onderbroken door een stukje te lopen. De voetschakelaar kan met een voet naar keuze bediend worden en het is toegestaan tussendoor even op te staan en het been te strekken. Hiermee voldoet het aan de door de verzekeringsarts b&b opgestelde voorwaarden.
Ten slotte is voor de functie productiemedewerker aangegeven dat het zitten na een kwartier dan wel dertig minuten wordt onderbroken waarbij de mogelijkheid bestaat om het rechterbeen te strekken.
12.4
De arbeidsdeskundige concludeert dat in alle geduide functies voldoende mogelijkheden bestaan om na een half uur zitten het werk te onderbreken en het rechterbeen te strekken. De rechtbank volgt de arbeidsdeskundige in zijn redenering.
12.5
De beroepsgronden van eiseres geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Eiseres heeft namelijk verder geen arbeidskundige beroepsgronden aangevoerd. Haar (impliciete) standpunt dat zij niet in staat is de geduide functies te verrichten vloeit met name voort uit haar opvatting dat haar medische beperkingen zijn onderschat, maar voor een dergelijke conclusie bestaat gezien het voorgaande geen aanleiding. De hiervoor genoemde functies mochten daarom worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
13. Op basis van de inkomsten die eiseres met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiseres tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
Omdat pas recht bestaat op een ZW-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de ZW-uitkering terecht beëindigd per 18 oktober 2024.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiseres niets verandert. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt zij geen proceskostenvergoeding. Eiseres krijgt ook het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 8 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.
Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft en 52 weken arbeidsongeschikt is geweest heeft deze recht op ziekengeld als hij:
- ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 én
- slechts in staat is ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur met algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is (artikel 19aa, eerste lid, en artikel 19ab, derde lid, van de ZW).
De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek (artikel 19ab, eerste lid, van de ZW).

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:106.