Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4287

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
BRE 25/6815
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 GemeentewetArt. 7 Kostenwet invordering rijksbelastingenArt. 26a Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan beroepsgerechtigdheid tegen aanmaningskosten parkeerbelasting

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de invorderingsambtenaar van de gemeente Tilburg, die aan [bedrijf] B.V. aanmaningskosten van €9 in rekening bracht wegens het niet betalen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting.

De rechtbank heeft ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en vastgesteld dat alleen degene aan wie de belastingaanslag is opgelegd of een belanghebbende kan optreden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij namens [bedrijf] B.V. handelt of dat de kosten op hem verhaald zullen worden.

Daarom kwalificeert eiser zich niet als beroepsgerechtigde en is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het beroep niet inhoudelijk behandeld en heeft geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan beroepsgerechtigdheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6815

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de invorderingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de invorderingsambtenaar van 19 december 2025.
1.1.
De invorderingsambtenaar heeft aan [bedrijf] B.V. € 9 aanmaningskosten in rekening gebracht wegens het niet betalen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting.
1.2.
De invorderingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten ongegrond verklaard.
1.3.
Tegen die beslissing is beroep ingesteld.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de gemachtigde [persoon 1] , en namens de invorderingsambtenaar [persoon 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Niet aannemelijk is geworden dat eiser gerechtigd is tot het instellen van beroep.
2.1.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Op 18 september 2025 stond de auto van [bedrijf] B.V. geparkeerd op de Heuvelstraat in Tilburg, terwijl daar geen of te weinig parkeerbelasting voor was betaald. Aan [bedrijf] B.V. is daarom een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van in totaal € 52,43.
3.1.
Omdat [bedrijf] B.V. de naheffingsaanslag niet op tijd heeft betaald, heeft de invorderingsambtenaar op 25 oktober 2025 een aanmaning naar [bedrijf] B.V. verzonden, waarbij € 9 aanmaningskosten in rekening zijn gebracht.

Motivering

4. Voordat de rechtbank toekomt aan de behandeling van de beroepsgronden van eiser, beoordeelt zij allereerst ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat in beginsel alleen beroep kan worden ingesteld tegen de aanmaningskosten wegens het niet betalen van een belastingaanslag, aan degene aan wie de belastingaanslag is opgelegd [1] . Degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag betrekking heeft, kan ook beroep instellen [2] .
4.2.
De rechtbank stelt vast dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting is opgelegd aan [bedrijf] B.V. en de aanmaningskosten wegens het niet betalen van de naheffingsaanslag ook aan haar in rekening zijn gebracht. Zowel het bezwaarschrift als het beroepschrift is ingediend namens eiser. En ook de door gemachtigde overgelegde volmacht staat op naam van eiser. De gemachtigde heeft ter zitting desgevraagd niet kunnen aangeven wat de relatie van eiser tot [bedrijf] B.V. is. Gesteld noch gebleken is daarom dat eiser namens [bedrijf] B.V. heeft gehandeld of dat de kosten op hem verhaald zullen worden, en hij daarom aangemerkt zou kunnen worden als “belanghebbende” [3] .
4.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet als beroepsgerechtigde kwalificeert, en het beroep dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4.4.
Aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van eiser komt de rechtbank niet toe. Ook krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten of teruggave van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet in samenhang met artikel 7, eerste lid van de Kostenwet invordering rijksbelastingen en artikel 26a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2.Artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet in samenhang met artikel 7, eerste lid van de Kostenwet invordering rijksbelastingen en artikel 26a, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Vgl. Hoge Raad 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6508.